GGZ – H1 UITGANGSPUNTEN
Doel van het OPO
= De student leert zorg verlenen aan mensen met een psychische kwetsbaarheid
in matig complexe situaties, met aandacht voor herstelgericht, relationeel en
mensgericht werken.
Belangrijkste overkoepelende leerdoelen
1. Mensgerichte zorg:
Rekening houden met gevoelens, behoeften en culturele of
maatschappelijke context van de zorgvrager.
→ Respect, empathie en bewustzijn van stigma.
2. Kritisch en wetenschappelijk handelen:
Gegevens verzamelen en analyseren met behulp van kaders zoals de
herstelvisie en Huber’s visie op positieve gezondheid.
3. Verpleegproblemen herkennen:
Op basis van observatie en analyse aandachtspunten benoemen bij
psychiatrische problematieken.
4. Doelen en zorgplannen opstellen:
Concrete, haalbare doelen bepalen samen met de zorgvrager,
afgestemd op de fase van herstel.
5. Reflectief en onderbouwd handelen:
Handelingen kunnen verantwoorden en uitleggen op basis van
verpleegkundige, biomedische en humane wetenschappen.
6. Preventieve en krachtgerichte benadering:
Focus op wat goed gaat; aandacht voor mogelijkheden van de
zorgvrager en zijn/haar context.
7. Goede communicatie:
Informatie geven op maat van de zorgvrager en zijn herstelproces;
rekening houden met bestaande kennis en taalniveau.
8. Gebruik van referentiekaders:
De herstelvisie hanteren als leidraad in concrete psychiatrische situaties.
Kern van de GGZ-verpleegkunde
Vertrekt vanuit een relationele visie: de relatie tussen verpleegkundige
en zorgontvanger is de basis voor herstel.
De zorg is persoonlijk, empathisch, wetenschappelijk onderbouwd
en gericht op groei en ontwikkeling.
De verpleegkundige ondersteunt de zorgontvanger bij inzicht,
zelfreflectie en herstel.
,Kernidee:
De cursus vertrekt vanuit dimensioneel denken i.p.v. categoraal denken in de
GGZ.
Categoriale visie: verdeelt gedrag in normaal of abnormaal → leidt tot
labels (zoals via DSM-5).
➤ Duidelijk maar kan stigmatiserend en beperkend zijn.
Dimensionele visie: ziet gedrag als onderdeel van een continuüm →
meer ruimte voor verschillen, ontwikkeling en context.
➤ Minder stigmatiserend en meer herstelgericht.
Belangrijke leerpunten:
DSM biedt een gemeenschappelijke taal, maar is beperkend en niet
verklarend.
Diagnoses kunnen leiden tot stigmatisering en “reductie tot de ziekte”.
Waardevolle diagnose = helpt bij herstel en levenskwaliteit, niet enkel
bij labelen.
GGZ-verpleegkunde = relationeel, contextueel en herstelgericht
denken.
1.3 – Categoriaal en/of dimensioneel denken
Categoriale aanpak is zwart-wit, geeft snelle diagnose maar houdt geen rekening
met krachten of context.
Dimensionele aanpak ziet psychische kwetsbaarheid als variatie binnen
menselijke ervaring, geen “afwijking”.
Dit perspectief bevordert begrip, nuance en zorg op maat.
Voorbeeld: niet elk druk kind heeft ADHD — gedrag bevindt zich op een
spectrum.
Transdiagnostische kijk
Belangrijk:
In de praktijk overlappen veel symptomen bij verschillende stoornissen
(bv. slaapproblemen bij depressie, angst, verslaving...).
Daarom: focus niet op het label, maar op gemeenschappelijke
processen zoals:
o Negatief zelfbeeld
o Trauma
o Piekeren
Voordelen:
, Meer flexibiliteit in behandeling.
Meer zorg op maat en herstelgericht werken.
Minder starheid dan het DSM-protocol.
Doel: niet alleen behandelen volgens diagnose, maar kijken naar wat deze
persoon nodig heeft.
De cursus en visie op GGZ-verpleegkunde
Inhoud en aanpak:
Vertrekt vanuit het biopsychosociaal model (samenspel van biologische,
psychologische en sociale factoren).
Richt zich op:
o Herkennen van symptomen
o Begrijpen van de beleving van de zorgontvanger
o Kiezen van aangepaste verpleegkundige interventies
Centrale visie:
Relationele verpleegkunde staat centraal:
De relatie tussen verpleegkundige en zorgontvanger is de basis van
herstel (Peplau, Grypdonck, Van Meijel).
Herstelgericht en eclectisch werken: gebruik maken van verschillende
denkkaders en methodes — geen één “juiste” aanpak.
Empathie, respect, luisteren en samenwerking met patiënt, familie
en team zijn sleutelwaarden.
Doel: groei, ontwikkeling en herstel van de zorgontvanger bevorderen.
GGZ - H2 STEMMINGSSTOORNISSEN
1.1 Inleiding
= gemoedstoestand die niet past bij de situatie en waarbij gedrag wordt
vertoond dat niet past bij de betreffende persoon.
Stemming = gemoedstoestand die langer aanhoudt en niet direct
verbonden is aan een specifieke gebeurtenis. Iedereen kent wisselende
stemmingen.
Emotie = intens, kortdurend gevoel dat ontstaat door een concrete
ervaring.
uiten zich in lichaam, gedrag en beleving, waarbij de beleving bepaalt hoe
iemand zichzelf voelt (bijv. angstig of vrolijk).
, Somberheid = veelvoorkomende stemming, vaak als reactie op iets ingrijpends.
pas pathologisch als de duur en intensiteit buitensporig zijn. Dan kan ze een
depressief symptoom worden, en samen met andere symptomen leiden tot een
depressieve episode.
rouw = soortgelijke gevoelens optreden (somberheid, angst, vermoeidheid,
slaapproblemen), maar hoort bij een normaal proces en is niet meteen een
depressie.
2.1 Classificatie van stemmingsstoornissen
zeven hoofdcategorieën:
Depressieve stoornis: eenmalige of recidiverende depressieve stoornis; lichte,
matige of ernstige klachten met of zonder psychotische kenmerken; bij
verbetering: volledig of gedeeltelijk in remissie
Dysthyme stoornis
Depressieve stoornis Niet Anders Omschreven (NAO);
Bipolaire I stoornis
Bipolaire II stoornis
cyclothyme stoornis
Overige stemmingsstoornissen (ten gevolge van een lichamelijke
aandoeningen/middel).
De diagnostiek van depressieve stemmingsstoornissen richt zich op het
stellen van een juiste diagnose.
Belangrijke onderdelen zijn:
anamnese: klachten, aanleiding, verloop en eerdere pogingen tot behandeling.
psychiatrische voorgeschiedenis en familiale belasting.
lichamelijke toestand: huidige klachten, medische voorgeschiedenis,
medicatiegebruik, intoxicaties, en een lichamelijk onderzoek.
psychologische meetinstrumenten
gebruikt, zoals de Beck
Zelfbeoordelingsschaal en de Hamilton-
depressieschaal.
stemmingsstoornissen volgens Karl
Leonhard (1904–1988) verdeeld in twee
hoofdgroepen:
1. Unipolaire stoornissen (zoals
depressie)
2. Bipolaire stoornissen (afwisseling
tussen depressieve en manische
periodes).
Doel van het OPO
= De student leert zorg verlenen aan mensen met een psychische kwetsbaarheid
in matig complexe situaties, met aandacht voor herstelgericht, relationeel en
mensgericht werken.
Belangrijkste overkoepelende leerdoelen
1. Mensgerichte zorg:
Rekening houden met gevoelens, behoeften en culturele of
maatschappelijke context van de zorgvrager.
→ Respect, empathie en bewustzijn van stigma.
2. Kritisch en wetenschappelijk handelen:
Gegevens verzamelen en analyseren met behulp van kaders zoals de
herstelvisie en Huber’s visie op positieve gezondheid.
3. Verpleegproblemen herkennen:
Op basis van observatie en analyse aandachtspunten benoemen bij
psychiatrische problematieken.
4. Doelen en zorgplannen opstellen:
Concrete, haalbare doelen bepalen samen met de zorgvrager,
afgestemd op de fase van herstel.
5. Reflectief en onderbouwd handelen:
Handelingen kunnen verantwoorden en uitleggen op basis van
verpleegkundige, biomedische en humane wetenschappen.
6. Preventieve en krachtgerichte benadering:
Focus op wat goed gaat; aandacht voor mogelijkheden van de
zorgvrager en zijn/haar context.
7. Goede communicatie:
Informatie geven op maat van de zorgvrager en zijn herstelproces;
rekening houden met bestaande kennis en taalniveau.
8. Gebruik van referentiekaders:
De herstelvisie hanteren als leidraad in concrete psychiatrische situaties.
Kern van de GGZ-verpleegkunde
Vertrekt vanuit een relationele visie: de relatie tussen verpleegkundige
en zorgontvanger is de basis voor herstel.
De zorg is persoonlijk, empathisch, wetenschappelijk onderbouwd
en gericht op groei en ontwikkeling.
De verpleegkundige ondersteunt de zorgontvanger bij inzicht,
zelfreflectie en herstel.
,Kernidee:
De cursus vertrekt vanuit dimensioneel denken i.p.v. categoraal denken in de
GGZ.
Categoriale visie: verdeelt gedrag in normaal of abnormaal → leidt tot
labels (zoals via DSM-5).
➤ Duidelijk maar kan stigmatiserend en beperkend zijn.
Dimensionele visie: ziet gedrag als onderdeel van een continuüm →
meer ruimte voor verschillen, ontwikkeling en context.
➤ Minder stigmatiserend en meer herstelgericht.
Belangrijke leerpunten:
DSM biedt een gemeenschappelijke taal, maar is beperkend en niet
verklarend.
Diagnoses kunnen leiden tot stigmatisering en “reductie tot de ziekte”.
Waardevolle diagnose = helpt bij herstel en levenskwaliteit, niet enkel
bij labelen.
GGZ-verpleegkunde = relationeel, contextueel en herstelgericht
denken.
1.3 – Categoriaal en/of dimensioneel denken
Categoriale aanpak is zwart-wit, geeft snelle diagnose maar houdt geen rekening
met krachten of context.
Dimensionele aanpak ziet psychische kwetsbaarheid als variatie binnen
menselijke ervaring, geen “afwijking”.
Dit perspectief bevordert begrip, nuance en zorg op maat.
Voorbeeld: niet elk druk kind heeft ADHD — gedrag bevindt zich op een
spectrum.
Transdiagnostische kijk
Belangrijk:
In de praktijk overlappen veel symptomen bij verschillende stoornissen
(bv. slaapproblemen bij depressie, angst, verslaving...).
Daarom: focus niet op het label, maar op gemeenschappelijke
processen zoals:
o Negatief zelfbeeld
o Trauma
o Piekeren
Voordelen:
, Meer flexibiliteit in behandeling.
Meer zorg op maat en herstelgericht werken.
Minder starheid dan het DSM-protocol.
Doel: niet alleen behandelen volgens diagnose, maar kijken naar wat deze
persoon nodig heeft.
De cursus en visie op GGZ-verpleegkunde
Inhoud en aanpak:
Vertrekt vanuit het biopsychosociaal model (samenspel van biologische,
psychologische en sociale factoren).
Richt zich op:
o Herkennen van symptomen
o Begrijpen van de beleving van de zorgontvanger
o Kiezen van aangepaste verpleegkundige interventies
Centrale visie:
Relationele verpleegkunde staat centraal:
De relatie tussen verpleegkundige en zorgontvanger is de basis van
herstel (Peplau, Grypdonck, Van Meijel).
Herstelgericht en eclectisch werken: gebruik maken van verschillende
denkkaders en methodes — geen één “juiste” aanpak.
Empathie, respect, luisteren en samenwerking met patiënt, familie
en team zijn sleutelwaarden.
Doel: groei, ontwikkeling en herstel van de zorgontvanger bevorderen.
GGZ - H2 STEMMINGSSTOORNISSEN
1.1 Inleiding
= gemoedstoestand die niet past bij de situatie en waarbij gedrag wordt
vertoond dat niet past bij de betreffende persoon.
Stemming = gemoedstoestand die langer aanhoudt en niet direct
verbonden is aan een specifieke gebeurtenis. Iedereen kent wisselende
stemmingen.
Emotie = intens, kortdurend gevoel dat ontstaat door een concrete
ervaring.
uiten zich in lichaam, gedrag en beleving, waarbij de beleving bepaalt hoe
iemand zichzelf voelt (bijv. angstig of vrolijk).
, Somberheid = veelvoorkomende stemming, vaak als reactie op iets ingrijpends.
pas pathologisch als de duur en intensiteit buitensporig zijn. Dan kan ze een
depressief symptoom worden, en samen met andere symptomen leiden tot een
depressieve episode.
rouw = soortgelijke gevoelens optreden (somberheid, angst, vermoeidheid,
slaapproblemen), maar hoort bij een normaal proces en is niet meteen een
depressie.
2.1 Classificatie van stemmingsstoornissen
zeven hoofdcategorieën:
Depressieve stoornis: eenmalige of recidiverende depressieve stoornis; lichte,
matige of ernstige klachten met of zonder psychotische kenmerken; bij
verbetering: volledig of gedeeltelijk in remissie
Dysthyme stoornis
Depressieve stoornis Niet Anders Omschreven (NAO);
Bipolaire I stoornis
Bipolaire II stoornis
cyclothyme stoornis
Overige stemmingsstoornissen (ten gevolge van een lichamelijke
aandoeningen/middel).
De diagnostiek van depressieve stemmingsstoornissen richt zich op het
stellen van een juiste diagnose.
Belangrijke onderdelen zijn:
anamnese: klachten, aanleiding, verloop en eerdere pogingen tot behandeling.
psychiatrische voorgeschiedenis en familiale belasting.
lichamelijke toestand: huidige klachten, medische voorgeschiedenis,
medicatiegebruik, intoxicaties, en een lichamelijk onderzoek.
psychologische meetinstrumenten
gebruikt, zoals de Beck
Zelfbeoordelingsschaal en de Hamilton-
depressieschaal.
stemmingsstoornissen volgens Karl
Leonhard (1904–1988) verdeeld in twee
hoofdgroepen:
1. Unipolaire stoornissen (zoals
depressie)
2. Bipolaire stoornissen (afwisseling
tussen depressieve en manische
periodes).