ALGEMENE
PATHOLOGIE
Yasmina Jongbloet 3De bachelor 2023-2024
1
, INLEIDING
Cursus : slides + lesnotities ,er is geen cursus maar wel een boek ( geen leerstof). Voor
oncologiewel een cursus kopen. Doel van de algemene pathologie —> ISTH fiche.
Defenities en diagnostisch proces
Wat is pathologie? Het is de studie van het lijden, dit komt van het grieks. Dit betekent dat
het de wetenschap is die afwijkingen gaat bestuderen van structuur en vormen. Dit is
belangrijk omdat afwijkingen eigenlijk tot een ziekte leiden. Het is een brede studie.
Wat doet een veternair patholoog? Heeft een belangrijke taak, deze gaat kijken en ziekte of
abnormaliteiten gaan identificeren of in kaart gaan brengen. Dat betekent ook dat de
patholoog heel veel moet weten van verschillende diersoorten maar ook bacterien enz…
omdat er elke dag veel bijgeleerd word i het een uitdaging om alles bij te houden. Een
veternair patholoog is ook de eerste schakel in het opsporen van ziektes, is een soort
detectieve. ( FILMPJE ).
Lijst met defenities in de powerpoint
Methoden
Systematisch altijd openminded blijven en alle organen gaan bekijken. We gaan altijd werken bij een
autopsie met een gestandardiseerd protocol. Je moet ook het verschil maken tussen bevindingen en
interpretaties, dit zijn feiten en beschrijvingen van wat je ziet. Daarop volgt er een interpretatie om
te komen tot een diagnose.
Typische onderzoeken
- Natuurlijk voorkomende ziektes: degene die we vaak gaan zien. We moeten hier daardoor
ook mee vertrouwd zijn.
- Forensisch: vermoeden bij bv diermishandeling. Bij strafrechterlijk onderzoek, hierbij moeten
er fotos en documentatie vereist worden. Veek extra stalen nemen en zoveel mogelijk en
lang gaan bewaren.
- Dood tijdens of na anesthesie : er zijn een paar dieren die verhoogde gevoeligheid hebben
voor anesthesie. Dit zijn dieren met een hartletsel of cardiomyopathien. Daarnaast hebben
we ook de deiren die en brachycefaal syndroom hebben meer gevoeligheid hiervoor, bv de
engelse bulldogs.sommige dierne hebben zeer korte snuiten, dit kan een dikke tong geven en
vernauwde neusopening geven en een te lang zacht gehemelte hebben. Ten slotte ook
dieren met een systemische of infectieuze aandoening horen ook bij deze groepen.
- Experimentele ziekte/ toxicopathologie : hier heeft de patholoog een belangrijke functie ,
deze zal mee doen in het ontwerp van de studie en het een beetje begeleiden. Good labo
practice.
- Telepathologie : kort over zijn , hier gaan we meer en meer van digitalisering van ons beroep.
Coupes inscannen met een hoge resulaotie waardoor we via pc kunnen bekijken.
2
,Macroscopisch onderzoek
Wat we zien met het blote oog. We hebben hier verschillende benaderingen bij. We hebben een
systematische benadering. Dit betekent dat je heel gestandaardiseerd gaat werken in een bepaald
protocol en grondig werken. Dit gebeurd bij plotse sterfte, je weet niets wat er op voorrand was of
gebeurd is. Hierbij heb je snijvaardigheden voor nodig, goed kijken en palperen. Daarna gaan we het
berschrijven , dit is het moeilijkste, omdat je nog niet moet interpreteren maar gewoon moet zeggen
wat je ziet. Morfologische of pathologische diagnose: hier gaan we geen oorzaak geven. Hier gaan we
bijvoorbeeld zeggen dat er een ontsteking is ter hoogte van de nier met nefritis te zeggen. We gaan
ook verschillende termen gebruiken zoals het aard van het letsel… bijkomend kunnen we ook andere
termen erbij zetten zoals pyronifritis ( ontsteking van het nierbekken , vaak door opstijgende
verkking van de urineblaas), embolische nefritis… daarnaast kunnen we ook descriptoren gebruiken
zoals etterig/ suppuratief of knobbelvormig/granulomateus. Hoe gebuert deze diagnose of de
interpretatie? Door een patroonherkenning en hypothetissch deductief werken. Wat is dit nu? Dit is
eigenlijk dat je weet dat het niet normaal is maar dat je het niet echt kan benoemen.
Probleem georrienteerd werken : dit is eigenlijk dat we weten dat er een probleem is. Hier gaan we
ook een categorisatie van ziekte syndromen doen, bv stalen enz nemen van een bepaald deel. Dit
kunnen we toepassen als er voldoende anamnese is, ook bij wetenschappelijk onderoek( aanwezige
kennis die ze hebben).
Ouderdomsgerelateerde veranderingen : cholesteatomas, dit zijn knobbelvormige dingen gevuld met
cholestrol en is ter hoogte in de choroid plexus. Komt bij 20 procent van de paaren voor. We hebben
ook osteopenie, degeneratieve joint disease ( arthrose ), skeletspieratrofie, cerebrocorticale atrofie…
Postmortemveranderingen: dit is belangrijk en ga je vaak zien, hangt ook af hoe het dier bewaard is
geweest, als het lang op de wei bijvoorbeeld heeft gelegen dan zullen er meer post mortaal
vervallingen zijn. Premortem scheur : rond de randingen bleodingen , postmortem scheur heb je dat
niet.
Staalname en bewaring: de goeie staalname is zeer belangrijk want dit zal zorgen voor de diagnose,
daarom ook posmortem verval zo goed mogelijk vermijden. Ook goed weten waarvoor je stalen
neemt.
Histologisch onderzoek
a) Klassieke histologie : aan de hand van lichtmicroscopie.
Als we stalen nemen gaan we deze stalen fixeren met formaldyhide. Omdat we bestaat willen
bewaren in oorspronkelijke toestand. Dit zal protolyse en bacteriele groei tegen gaan. We gaan dus
eigenlijk fixatie doen om het weefsel sterk te maken en dus postmortaal verval tegen te gaan.
Autolyse = verval van weefsel door eigen verteringsenzymes die vanuit lysosomen vrij komen.
Rotting is iets anders dan autolyse , deze twee samen zullen
postmortaal verval vormen. Een voorbeeld te zien in de slide van een
lever van de hond. Hoe gaan we stalen nemen? Gebeurt altijd op de
overgang tussen normaal en het ziek weefsel. Hier gaan we 10 %
geneutraliseerde gebufferde formol gebruiken. Formol gaat binden
op aminozuren van eiwitten waardoor een bruggen gebouwd
worden en de conformatie van het eiwit veranderd word en inactief
word. Formol verhinderd zo het postmortaal verval! We gebruiken
formol als fixatief omdat het goedkoop, makkelijk is om te maken en
3
, om retrospectief te kijken. De nadelen aan formol is dat het toxisch is en de
immunoreactiviteit(maskeert epitopen) laat dalen.
Je moet hiervoor ook altijd kleine stukjes nemen, omdat het formol vrij langzaam penetreert, als het
stukje veel te groot is gaat het centrum niet goed door de formol zijn gegaan waardoor er rotting kan
komen.
Hierna gaan we dus eigenlijk het stukje verwerken of PROCESSEN. Hierbij gaan we drie stappen
volgen: dehydratatie —>Inbedding parafiene : eerst in alcohol steken en de water eruit halen omdat
parafiene niet kan reageren met water. Daarna gaan we Xylene gebruiken, dit is goed mengbaar met
parafiene. Daarna xylene vervangen door parafiene en zo gebeurd dan de inbedding.—>secties van 5
micrometer om hiervan coupes te maken, op een draagglaasje zetten en daarna gaan we kleuren.
b) Histochemie
- Enzymhistochemie : we willen hier de enzymes acief houden dus gaan we het niet met
formol doen. Hier gaan we fixatie vermijde. We werken met diepgevroren preparaten/
vriescoupes.
- Voor specifieke substanties: de ijzerkleuring, deze komt vaak terug. Er kunnen letsels zijn met
een overmatige ijzeropstapeling. Bijvoorbeeld bij de lever van de hond, hier gebruiken we de
pruisische blauwkleur, deze laat de ijzercellen blauw kleuren. Hier gaat er ijzergestapeld zijn
in de vormvan hemosidorine. Er zijn er zodanig veel waardoor de functie van de levercellen
verloren gaat.
- Immunohistochemie: hier zijn er antistoffen mee gemoeid, met deze techniek gaan we
eiwitten aantonen adhv antistoffen in de stalen en coupes. Deze eiwitten kunnen exogeen
zijn zoals een bacterie, virus, prion. Maar kan ook endogeen zijn, bijvoorbeeld een eiwit dat
specifiek zit in de celmembraan van T of B lymfocyten. Hier gaan we ook geen formaldihyde
gebruiken maar crystaat/diepgevroren coupes.
• We hebben dus een coupe met een bepaald antigen. We gaan antistoffen teovoegen
aan het preparaatje en dit gaan we visualiseren door er een stof aan te plakken.
Bijvoorbeeld door een fluorescente merker te gebruiken.
• We moeten een onderscheid maken tussen directe en indirecte histochemie. Bij
indirecte gaan we een extra stof toevoegen en merkers hebben om de gevoeligheid
4
PATHOLOGIE
Yasmina Jongbloet 3De bachelor 2023-2024
1
, INLEIDING
Cursus : slides + lesnotities ,er is geen cursus maar wel een boek ( geen leerstof). Voor
oncologiewel een cursus kopen. Doel van de algemene pathologie —> ISTH fiche.
Defenities en diagnostisch proces
Wat is pathologie? Het is de studie van het lijden, dit komt van het grieks. Dit betekent dat
het de wetenschap is die afwijkingen gaat bestuderen van structuur en vormen. Dit is
belangrijk omdat afwijkingen eigenlijk tot een ziekte leiden. Het is een brede studie.
Wat doet een veternair patholoog? Heeft een belangrijke taak, deze gaat kijken en ziekte of
abnormaliteiten gaan identificeren of in kaart gaan brengen. Dat betekent ook dat de
patholoog heel veel moet weten van verschillende diersoorten maar ook bacterien enz…
omdat er elke dag veel bijgeleerd word i het een uitdaging om alles bij te houden. Een
veternair patholoog is ook de eerste schakel in het opsporen van ziektes, is een soort
detectieve. ( FILMPJE ).
Lijst met defenities in de powerpoint
Methoden
Systematisch altijd openminded blijven en alle organen gaan bekijken. We gaan altijd werken bij een
autopsie met een gestandardiseerd protocol. Je moet ook het verschil maken tussen bevindingen en
interpretaties, dit zijn feiten en beschrijvingen van wat je ziet. Daarop volgt er een interpretatie om
te komen tot een diagnose.
Typische onderzoeken
- Natuurlijk voorkomende ziektes: degene die we vaak gaan zien. We moeten hier daardoor
ook mee vertrouwd zijn.
- Forensisch: vermoeden bij bv diermishandeling. Bij strafrechterlijk onderzoek, hierbij moeten
er fotos en documentatie vereist worden. Veek extra stalen nemen en zoveel mogelijk en
lang gaan bewaren.
- Dood tijdens of na anesthesie : er zijn een paar dieren die verhoogde gevoeligheid hebben
voor anesthesie. Dit zijn dieren met een hartletsel of cardiomyopathien. Daarnaast hebben
we ook de deiren die en brachycefaal syndroom hebben meer gevoeligheid hiervoor, bv de
engelse bulldogs.sommige dierne hebben zeer korte snuiten, dit kan een dikke tong geven en
vernauwde neusopening geven en een te lang zacht gehemelte hebben. Ten slotte ook
dieren met een systemische of infectieuze aandoening horen ook bij deze groepen.
- Experimentele ziekte/ toxicopathologie : hier heeft de patholoog een belangrijke functie ,
deze zal mee doen in het ontwerp van de studie en het een beetje begeleiden. Good labo
practice.
- Telepathologie : kort over zijn , hier gaan we meer en meer van digitalisering van ons beroep.
Coupes inscannen met een hoge resulaotie waardoor we via pc kunnen bekijken.
2
,Macroscopisch onderzoek
Wat we zien met het blote oog. We hebben hier verschillende benaderingen bij. We hebben een
systematische benadering. Dit betekent dat je heel gestandaardiseerd gaat werken in een bepaald
protocol en grondig werken. Dit gebeurd bij plotse sterfte, je weet niets wat er op voorrand was of
gebeurd is. Hierbij heb je snijvaardigheden voor nodig, goed kijken en palperen. Daarna gaan we het
berschrijven , dit is het moeilijkste, omdat je nog niet moet interpreteren maar gewoon moet zeggen
wat je ziet. Morfologische of pathologische diagnose: hier gaan we geen oorzaak geven. Hier gaan we
bijvoorbeeld zeggen dat er een ontsteking is ter hoogte van de nier met nefritis te zeggen. We gaan
ook verschillende termen gebruiken zoals het aard van het letsel… bijkomend kunnen we ook andere
termen erbij zetten zoals pyronifritis ( ontsteking van het nierbekken , vaak door opstijgende
verkking van de urineblaas), embolische nefritis… daarnaast kunnen we ook descriptoren gebruiken
zoals etterig/ suppuratief of knobbelvormig/granulomateus. Hoe gebuert deze diagnose of de
interpretatie? Door een patroonherkenning en hypothetissch deductief werken. Wat is dit nu? Dit is
eigenlijk dat je weet dat het niet normaal is maar dat je het niet echt kan benoemen.
Probleem georrienteerd werken : dit is eigenlijk dat we weten dat er een probleem is. Hier gaan we
ook een categorisatie van ziekte syndromen doen, bv stalen enz nemen van een bepaald deel. Dit
kunnen we toepassen als er voldoende anamnese is, ook bij wetenschappelijk onderoek( aanwezige
kennis die ze hebben).
Ouderdomsgerelateerde veranderingen : cholesteatomas, dit zijn knobbelvormige dingen gevuld met
cholestrol en is ter hoogte in de choroid plexus. Komt bij 20 procent van de paaren voor. We hebben
ook osteopenie, degeneratieve joint disease ( arthrose ), skeletspieratrofie, cerebrocorticale atrofie…
Postmortemveranderingen: dit is belangrijk en ga je vaak zien, hangt ook af hoe het dier bewaard is
geweest, als het lang op de wei bijvoorbeeld heeft gelegen dan zullen er meer post mortaal
vervallingen zijn. Premortem scheur : rond de randingen bleodingen , postmortem scheur heb je dat
niet.
Staalname en bewaring: de goeie staalname is zeer belangrijk want dit zal zorgen voor de diagnose,
daarom ook posmortem verval zo goed mogelijk vermijden. Ook goed weten waarvoor je stalen
neemt.
Histologisch onderzoek
a) Klassieke histologie : aan de hand van lichtmicroscopie.
Als we stalen nemen gaan we deze stalen fixeren met formaldyhide. Omdat we bestaat willen
bewaren in oorspronkelijke toestand. Dit zal protolyse en bacteriele groei tegen gaan. We gaan dus
eigenlijk fixatie doen om het weefsel sterk te maken en dus postmortaal verval tegen te gaan.
Autolyse = verval van weefsel door eigen verteringsenzymes die vanuit lysosomen vrij komen.
Rotting is iets anders dan autolyse , deze twee samen zullen
postmortaal verval vormen. Een voorbeeld te zien in de slide van een
lever van de hond. Hoe gaan we stalen nemen? Gebeurt altijd op de
overgang tussen normaal en het ziek weefsel. Hier gaan we 10 %
geneutraliseerde gebufferde formol gebruiken. Formol gaat binden
op aminozuren van eiwitten waardoor een bruggen gebouwd
worden en de conformatie van het eiwit veranderd word en inactief
word. Formol verhinderd zo het postmortaal verval! We gebruiken
formol als fixatief omdat het goedkoop, makkelijk is om te maken en
3
, om retrospectief te kijken. De nadelen aan formol is dat het toxisch is en de
immunoreactiviteit(maskeert epitopen) laat dalen.
Je moet hiervoor ook altijd kleine stukjes nemen, omdat het formol vrij langzaam penetreert, als het
stukje veel te groot is gaat het centrum niet goed door de formol zijn gegaan waardoor er rotting kan
komen.
Hierna gaan we dus eigenlijk het stukje verwerken of PROCESSEN. Hierbij gaan we drie stappen
volgen: dehydratatie —>Inbedding parafiene : eerst in alcohol steken en de water eruit halen omdat
parafiene niet kan reageren met water. Daarna gaan we Xylene gebruiken, dit is goed mengbaar met
parafiene. Daarna xylene vervangen door parafiene en zo gebeurd dan de inbedding.—>secties van 5
micrometer om hiervan coupes te maken, op een draagglaasje zetten en daarna gaan we kleuren.
b) Histochemie
- Enzymhistochemie : we willen hier de enzymes acief houden dus gaan we het niet met
formol doen. Hier gaan we fixatie vermijde. We werken met diepgevroren preparaten/
vriescoupes.
- Voor specifieke substanties: de ijzerkleuring, deze komt vaak terug. Er kunnen letsels zijn met
een overmatige ijzeropstapeling. Bijvoorbeeld bij de lever van de hond, hier gebruiken we de
pruisische blauwkleur, deze laat de ijzercellen blauw kleuren. Hier gaat er ijzergestapeld zijn
in de vormvan hemosidorine. Er zijn er zodanig veel waardoor de functie van de levercellen
verloren gaat.
- Immunohistochemie: hier zijn er antistoffen mee gemoeid, met deze techniek gaan we
eiwitten aantonen adhv antistoffen in de stalen en coupes. Deze eiwitten kunnen exogeen
zijn zoals een bacterie, virus, prion. Maar kan ook endogeen zijn, bijvoorbeeld een eiwit dat
specifiek zit in de celmembraan van T of B lymfocyten. Hier gaan we ook geen formaldihyde
gebruiken maar crystaat/diepgevroren coupes.
• We hebben dus een coupe met een bepaald antigen. We gaan antistoffen teovoegen
aan het preparaatje en dit gaan we visualiseren door er een stof aan te plakken.
Bijvoorbeeld door een fluorescente merker te gebruiken.
• We moeten een onderscheid maken tussen directe en indirecte histochemie. Bij
indirecte gaan we een extra stof toevoegen en merkers hebben om de gevoeligheid
4