Juliet Scales
1
, Inhoudstafel
H1: De sociologische verzuchting 8
1.1 Wat is sociologie? Een poging tot definitie, die gelukkig mislukt 8
1.2 Wat de sociologie ons leert 8
1.3 contingent, maar niet arbitrair 10
1.3.1 Verlichting en tegen-verlichting 12
1.3.2 grondlegger van de sociologie: Auguste Comte 12
1.3.3 debat tussen Habermas en Luhmann 13
1.4 Waarom al die zorgen om orde ? 15
1.5 legitimerende verhalen: natuur, geschiedenis en samenhang 15
1.5.1 natuur 15
1.5.2 geschiedenis 16
1.5.3 samenhang 17
H2: De taak en houding van de socioloog 18
2.1 De taak van de socioloog: cijferaar, mythejager, levenskunstenaar 18
2.1.1 Cijferaar: de empirische-analytische taak 18
2.1.2 Mythejager: de kritische taak 20
2.1.3 levenskunstenaar: de praktische taak 21
2.2 de houding van de socioloog 22
2.2.1 belangstelling voor samenhang 22
2.2.2 afstandelijke betrokkenheid 23
2.2.3 empirisch gezind 23
2.2.4 respectvol 24
Individuele perspectief ⇔ collectivistische perspectief 24
H3: De ontdekking van het sociale: de individuele variant 25
3.1 de voorgeschiedenis: verlichting en tegen-verlichting 25
3.1.1 De opkomst van de sociologie 25
3.1.2 de verankerde mens 28
3.2 de sociologie als satire of het contingente als leidraad 29
3.2.1 Het Mattheüs-effect 30
3.2.2 onbedoelde gevolgen 30
3.3 onbedoelde gevolgen en perverse effecten 31
3.3.1 individuele redelijkheid 31
3.3.2 Het probleem van de collectieve actie: over mee-eters en zwartrijders 32
2
, 3.3.3 Waarom dan toch zo veel collectieve acties? 33
3.3.4 Rationele-keuzetheorie 34
H4: De ontdekking van het sociale: de collectivistische variant 37
4.1 het geheel is altijd meer dan de som van de delen 38
4.2 een wereld op zijn kop: over ziekte & misdaad 39
4.2.1 De ziekterol: ongestraft afwijken 40
4.2.2 La Réalité Surpasse La Fiction 41
4.3 tweemaal het sociale: individualisme en collectivisme 43
H5: Rol en zelf (82-100) 44
5.1. Een tocht door de sociale werkelijkheid 44
5.2. De rol: Persoon noch inhoud telt 44
5.3. Functionalistische verklaring en conflictsociologie 46
5.3.1. Functionalisme 47
5.3.2. Conflictsociologie 50
5.3.3. Marxistische conflictsociologie 52
5.3.4. Macht en functie 53
5.4 Rollentheorie 54
5.4.1 Dramaturgie 54
5.4.2 Van schouwspel naar tweede natuur 56
5.5 De staat binnenin: Van dwang naar drang 57
H6: Verwachten en verklaren 59
6.1 verwachten: de grondstof van het samenleven 59
6.2 verwachten, voorspellen, begrijpen: de sociologische verklaring 60
6.3 begrijpen & hermeneutiek 62
6.4 handeling en cultuur 64
6.4.1 de doelgerichtheid van het handelen 65
6.4.2 de situatie: middelen en condities 65
6.4.3 normen: middel-doelrelaties 65
6.5 cultuur en situatie 65
6.6 communicatief handelen 66
6.6.1 de definitie van de situatie 67
6.6.2 symbolen 67
6.7 cultuur, situatie en de interpretatie van gedrag 68
H7: Socialisatie en methoden van samenleven (zelfstudie) 69
7.1 Praktische en discursieve kennis 69
7.2 Lichaamstaal 70
7.3 Etnomethodologie 71
3
, 7.4 Een grammatica van het samenleven 72
7.5 Al die verschillende sociologische theorieën, een terugblik 74
7.6 De robuustheid van het sociale 76
7.6.1 Humor 77
7.6.2 Tact 77
7.6.3 Afwachten 78
7.6.4 Uitleggen 78
7.6.5 Verontschuldigingen aanbieden en vergiffenis vragen 78
H8: Sociale controle 79
8.1 pijn & plezier: van Bentham tot Parsons 79
8.1.1 Hoe natuurlijk zijn natuurlijke behoeftes? 81
8.1.2 overtuigingen en verbondenheid 81
8.1.4 impliciete & opgestapelde sancties 84
8.2 verschuivingen in sanctioneringswijzen: van brandijzer tot therapie 85
8.3 Sanctioneerbaarheid: een ruil fundamenteler dan een sociaal contract 86
H9: De voorwaarden van maatschappelijke schaalvergroting 88
9.1 Belonging & geld: van gebruiks- naar ruilwaarde 88
9.1.1 neveneffecten van de schaalvergroting 89
9.2 Straffen en reguliere macht 90
9.3 veralgemenen en specificeren van vertrouwen en invloed 90
9.3.1 vertrouwen voorstellen 91
9.3.2 waardegetrouwheid voorstellen 91
9.4 vertrouwen verliezen: de politiek als buffer 91
9.4.1 De vertrouwenscrisis 92
9.4.2 Gebrek aan vertrouwen in de politiek als bescherming van andere
instellingen 93
H10: Criminaliteit 94
10.1 Afwijkend gedrag: de zeven gordels van sociale controle 94
10.1.1 Routine 94
10.1.2 Socialisatie en internalisering; het politieagentje binnenin 96
10.1.3 Velden van gesanctioneerde verwachtingen 96
10.1.4 Buffers 96
10.1.5 Uitlaatkleppen 97
10.1.6 Informele sancties 97
10.1.7 Formele sancties: politie en gerecht 97
10.2 Wat heet crimineel? 98
10.2.1 Een grijze zone 98
4
, 10.2.2 Gevoeliger voor geweld 98
10.2.3 Witteboordencriminaliteit 99
10.2.4 Het contingente van criminaliteit 99
10.3 Wie wordt crimineel? 100
10.3.1 Het criminele type 100
10.3.2 De sociale-controle theorie toegepast op criminaliteit 101
10.3.3 Criminaliteit als rationele keuze 103
10.4 Criminaliteit waarnemen 105
10.4.1 Gerechtelijke statistiek 105
10.4.2 Politiestatistiek 105
10.4.3 Slachtofferenquêtes 105
H11: Ongelijkheid 107
11.1 kaste, stand en klasse: de verborgen pijn van gelijkheid 107
11.1.1 Grote verschillen tussen landen 110
11.1.1 kaste en stand 111
11.1.2 Klasse 113
11.2 perverse compensaties 114
11.2.1 ongelijkheid en collectiviteit 114
11.2.3 Etikettering 116
11.2.4 ongelijkheid, status en smaak 117
11.3 De theorie van de nietsdoende klasse 119
11.4 Status, smaak en distinctie ; de theorie van Bourdieu 120
H12: Macht en stratificatie 122
12.1 ongelijkheid en macht 122
12.2 soorten macht 122
12.3 Stratificatie 124
12.3.1 veralgemeenbaarheid van status 124
12.3.2 Een- en meerdimensionale stratificatie 125
12.3.3 Armoede 128
12.3.4 van categorieën naar groepen 129
12.3.5 sociale mobiliteit en culturele macht of cultureel kapitaal 130
12.3.6 Naar een meritocratie? 133
12.3.7 een cognitieve klasse? 135
H13: Macht en de architectuur van de samenleving 136
13.1 concentratie en scheiding van macht 136
13.1.1 de heersende klasse 137
13.1.2 Heersende klasse versus pluralisme 138
5
, 13.1.3 scheiding der machten 140
13.2 Burgerschap: gegarandeerd minimum aan macht 141
13.2.1 De groei van het moderne burgerschap 142
Groei modern burgerschap: etappes van het moderne burgerschap 142
13.2.2 burgerschap en de vier vormen van macht 143
13.2.3 Burgerschap en migratie 144
13.2.4 rechten en plichten van het burgerschap 145
13.3 spelregels, conflicten en breuklijnen 145
13.3.1 waardenconflict (culturele normen en waarden) 147
13.3.2 economische conflicten 148
13.3.3 De verzorgings- of welvaartsstaat 150
13.3.4 Breuklijnen (besluit) 151
H14: Modernisering 153
14.1 Een beschavingsproject 153
14.2 De moderne beschaving 154
14.2.1 vierhonderd jaar modernisering 155
14.2.2 De polysemie van het verleden 156
14.3 De aanloop tot de moderniteit 156
14.3.1 Moderne staatsvorming: van absolute naar penetrerende macht 156
14.3.2 De dynamiek van het kapitalisme: van Venetië naar Londen 159
14.3.3 Wetenschap en technologie 160
14.3.4 puritanisme, rationalisering en Verlichting 161
14.4 situatie of cultuur 162
14.5 De geest van het kapitalisme en de protestantse ethiek 163
14.5.1 De geest van het kapitalisme 164
14.5.2 de protestantse ethiek 165
H15: De transformatie 166
15.1 Voor de transformatie 166
15.2 na de transformatie 167
15.3 De verspreiding of de reis rond de wereld in 80 jaar 168
15.3.1 De timing van de modernisering en de kansen op democratie 170
15.3.2 Late en afhankelijke ontwikkeling 171
15.3.3 endogene en exogene verklaringen van economische groei 172
15.4 een tussenstand 175
15.4.1 Demografische transitie en bevolkingsexplosie 175
15.4.2 vergrijzing en vergroening 177
15.4.3 Een stabiel patroon van ongelijkheid 178
6
, 15.4.4 Migratie 181
15.4.5. Klimaatverandering 182
H16: Zelfstudie (les) 184
De transformatie van de interactiekaders 184
H16: De transformatie van interactiekaders (zelfstudie) 186
16.1 Bindingen 186
16.2 Interactiekaders: netwerken van verwachtingen 187
16.2.1 Primaire relaties 188
16.2.2 Persoonlijke en onpersoonlijke relaties 188
16.2.3 Sterke en zwakke banden 190
16.3 Differentiatie 191
16.3.1 Traditioneel en modern gezin 193
16.3.2 Liefde en het romantisch huwelijk 193
16.3.3 De betekenis van kinderen 195
7
, H1: De sociologische verzuchting
1.1 Wat is sociologie? Een poging tot definitie, die gelukkig
mislukt
definities
= sociologie is een recente discipline, steeds vernieuwende wetenschap die zich onder
invloed van haar eigen bevindingen en inzichten geregeld vernieuwd, waar de nadruk ligt
op het begrijpen
→ definiëren handig om verschijnselen vast te leggen (vb: contract met voorwaardes), niet
te definiëren
! geen vaste definitie
→ 7 definities in boek pag 4
= Diepverdeelde wetenschap waarvan verschillende theorieën verdeeld worden →
paradigma
paradigma = een samenhangend stelsel van modellen en theorieën waarbinnen de
werkelijkheid beschreven wordt. m.a.w.: het is de manier waarop wij de werkelijkheid
ervaren
vb paradigma: Darwin → evolutietheorie (sociaal-darwinisme)
Max Weber (1864-1920) definitie: de wetenschappelijke poging om het sociale handelen te
begrijpen, met de bedoeling op die manier tot een causale verklaring van het verloop en de
effecten van dat handelen te komen.
→ 2 opmerkingen bij deze definiëring:
1. De taak die weber bij sociologie plaatst, ook deze van psychologie, antropologie
en politicologie
2. de sociologische verklaringen moeten causaal of oorzakelijk zijn: verklaren
neemt de vorm van oorzaak-gevolg relaties (niet alle sociologen zijn het eens)
1.2 Wat de sociologie ons leert
de belangrijkste les:
‘Alles is contingent (1), maar daarom niet arbitrair (2).’
8
,1. contingent = noch noodzakelijk noch onmogelijk
→ alles (regels, tradities, normen, handelen...) hadden ook anders kunnen zijn
→ loop van de geschiedenis had ook anders kunnen ontwikkelen
-Maar daarom niet arbitrair: maar het is niet louter toevallig; probabiliteit, kansen (tss 0 en
1)
→ bijgedragen aan verspreiding van bewustwording van contingentie: bewust dat het
anders had kunnen zijn, en op andere plaats/ ander moment ook waarschijnlijk anders is
2. arbitrair = willekeurig, toeval
→ het is niet omdat het anders had kunnen zijn, dat de vorm van de samenleving
daarom toevallig of willekeurig is samengesteld
→ niet omdat het in een andere cultuur en andere vorm aanneemt, dat er geen goede
redenen bestaan voor de vorm die bij ons heeft aangenomen; probabiliteit, kansen
(tussen 0 en 1)
vb. huwelijksvormen in de Murdock-files (George Murdock (19e eeuw))
→ sociologie is nauw verbonden met de antropologie (= een wetenschap die de mens in al
zijn aspecten, zowel fysiek als cultureel bestudeert):
antropoloog Murdock: wou alle culturen bestuderen voor een aantal eigenschappen
(verwantschapssysteem) om hen zo te kunnen vergelijken
→ 565 verdwenen en steeds bestaande culturen als steekproef
- monogame huwelijksstelsel: onze hedendaagse westerse samenleving: altijd
een verbintenis tussen 2 personen, monogamie (meestal van verschillende
geslacht, soms van hetzelfde geslacht) → exclusiviteit
- polygame huwelijksstelsel: andere samenlevingen: ook verbintenis tussen
meer dan 2 personen
→ 4 culturen: polyandrie: 1 vrouw mag meerde manner huwen
→ hangt vaak samen met het erfrecht
1) contingente: bij ons monogamie, in andere culturen polygamie
2) niet arbitrair: vaststelling dat er een zeker patroon aanwezig is, het is niet arbitrair,
willekeurig
→nml. onder economische tegenspoed/slechte omstandigheden kan huwelijk een andere
vorm aannemen
> conclusie: huwelijk betekent op verschillende plaatsen iets anders (1)contingente,
9
, huwelijken over de hele wereld hebben wel dezelfde patronen (2) arbitraire
Vanaf wanneer besef contingentie?
- vanaf de ontdekkingsreizen: ontdekking van diversiteit en andere culturen
Gevolg:
Van wetten en reglementen opgelegd door God/natuur → Naar wetten en reglementen
gemaakt door mensen
⟹ zeer verontrustende les, want waarom zouden we deze regels respecteren?
⇒ zie verder: Rousseau (18e E): civiele religie (Le contrat Social)
Probleem:
→ verspreidingsproces contingentie moeilijk: ook ontkenning van contingentie, die nu
nog steeds aan de gang is
redenering: sommige culturen verschillen van europese culturen, maar enkel tijdelijk,
omdat deze gewoonlijk minder ontwikkeld zijn. Ze zullen dus doorheen de tijd
convergeren als de occidentale culturen
→ egocentrisch, etnocentrisch
vb. migratie
→ argument dat bepaalde groepen tijd nodig hebben om te integreren
→ op deze manier ontkent men het contingente (men gaat ervan uit dat er geen variatie is
en dat ze zich vroeg of laat gaan integreren, men ontkent het feit dat ze zich niet op
dezelfde manier ontwikkelen)
Blaise Pascal (17e E): “Wat geldt als de waarheid aan de ene kant van de
pyreneeën, is dwaasheid aan de andere kant”
Howard Becker: afwijkend gedrag wordt door de samenleving geproduceerd; van sociale
oorsprong
→ is dus afhankelijk van de w&n van deze samenleving zelf
-sociologen met betrekking tot afwijkend gedrag hebben een dubbele taak:
1. verklaren waarom bepaalde individuen tot afwijkend gedrag komen
2. verklaren waarom bepaalde gedragingen in bepaalde samenlevingen als
afwijkend gezien worden en in anderen niet.
→ Outsiders (1963)!
1.3 contingent, maar niet arbitrair
-Jean-jacques Rousseau (18e E)
→ vroeg zich af hoe mensen regels zullen respecteren eenmaal ze doorhebben dat ze
deze zelf hebben gemaakt
10