1. SCHOUDER
I. Inspectie
Inspecteer dorsale, laterale en ventrale zijde:
Stand van het hoofd
Stand van de cervicale wervelzuil
Stand van de thoracale wervelzuil (scoliose)
Schouderstand en schoudercontour
schouderhoogte
contouren spieren:
vooraan: m. pectoralis major, m. deltoideus, m. biceps brachi
achteraan: m. deltoideus, pars descendens m. trapezius, m. supra-en infraspinatus, m. latissimus dorsi &
m. tricpes brachii
beenderige structuren: claviculahoogte,
II. Palpatie
De beenderige structuur van de schouder bestaat uit de humerus, de clavicula en de scapula.
Acromioclaviculair gewricht
Acromion
Subacromiale ruimte
Processus coracoïdeus
Tuberculum majus - tuberculum minus - sulcus intertubercularis (met pees caput longum m. bicipitis)
spina scapula + margo medialis scapulae + angulus inferior scap
III. Bewegingsonderzoek
actief
→ vergelijk L-R door patiënt in staande houding de bewegingen tegelijkertijd met beide armen te laten uitvoeren
1. Voorwaartse elevatie (anteflexie)
p. brengt de armen gestrekt naar voor en omhoog
2. Achterwaartse elevatie (retroflexie)
De patiënt brengt de armen gestrekt naar achter
3. Abductieboog:
sta achter de p. om te letten op het scapulohumeraal ritme. De patiënt brengt de armen gestrekt opzij en omhoog
4. Exorotatie
A. Schouder in neutrale stand
De patiënt plaatst de elleboog in 90° flexie tegen de flank en beweegt de handen zijwaarts zo ver mogelijk
naar achter
B. Schouder in 90° abductie met de elleboog in 90° flexie
De patiënt brengt de onderarm naar omhoog
Locomotorisch onderzoek 1
, 5. Endorotatie
A. Schouder in neutrale stand
De patiënt brengt de handen achter de rug met de elleboog in 90°flexie
B. Schouder in 90° abductie met de elleboog in 90° flexie
De patiënt brengt de onderarm naar beneden
passief
→ afhv van de lichaamslengte van onderzoeker en patiënt wordt het onderzoek staand of zittend uitgevoerd.
Onderzoek beide schouders apart. Omvat de schouder met de fixatiehand over het acromioclaviculaire gewricht.
1. Anteflexie
Neem met de onderzoekshand de gestrekte arm van de patiënt bij de pols vast en breng de arm gestrekt naar
voor en omhoog.
2. Retroflexie
Breng de gestrekte arm naar achter.
3. Abductie
Neem met de onderzoekshand de gestrekte arm bij de elleboog vast en breng de arm gestrekt naar opzij en
omhoog.
4. Exorotatie
A. Schouder in neutrale stand (elleboog 90° flexie tegen de flank gedrukt)
Fixeer de elleboog in 90° flexie tegen de flank en beweeg de hand zijwaarts zo ver mogelijk naar achter.
B. Schouder in 90° abductie met de elleboog in 90° flexie
Ondersteun de elleboog en breng de onderarm naar omhoog.
5. Endorotatie
A. Schouder in neutrale stand (elleboog 90° flexie tegen de flank gedrukt)
Breng de hand achter de rug met de elleboog
B. Schouder in 90° abductie met de elleboog in 90° flexie
Ondersteun de elleboog en breng de onderarm naar beneden.
IV. Weerstandstesten
Test op pijn en krachtsverlies. Sta achter de patiënt.
1. Abductie (m. deltoideus en m. supraspinatus)
Fixeer met je handen in V-vorm bilateraal de bovenarmen van de patiënt juist boven de elleboog tegen het
lichaam. Vraag de patiënt om de armen naar opzij te duwen.
2. Exorotatie (m. infraspinatus en m. teres minor)
Breng, met de bovenarmen van de patiënt tegen het lichaam, beide ellebogen in 90° flexie. Fixeer met je handen
in V-vorm bilateraal de onderarmen van de patiënt juist distaal van de pols. Vraag de patiënt om de voorarmen
naar buiten te duwen.
Vraag de patiënt beide armen in 90° abductie te brengen met de voorarmen in 90° exorotatie. Fixeer met je
handen in V-vorm bilateraal de onderarmen van de patiënt juist distaal van de pols. Vraag de patiënt om de
voorarmen naar achter te duwen.
3. Endorotatie (m. subscapularis)
Breng de licht geplooide arm van de patiënt achter de rug weg van het lichaam. Duw met de vingers van je
gestrekte hand tegen de palmaire zijde van de pols van de patiënt en vraag aan de patiënt weerstand te bieden.
Doe hetzelfde met de andere arm.
Locomotorisch onderzoek 2