Deel 1: basisbegrippen van het recht
H1: het recht
Het begrip recht krijgt vele definities, om tot een werkelijke omschrijving te
komen gaan we kijken naar de oorsprong van het recht.
Die oorsprong ligt in de menselijke conditie, deze wordt gekenmerkt door een
vorm van rechtsbewustzijn (gevoel van rechtvaardigheid) en de mogelijkheid van
opportunisme (machthebbers kunnen bij het maken van beslissingen kiezen voor
eigenbelang i.p.v. het maatschappelijk belang ≠ rechtvaardig).
Ontstaan recht: Overal waar de mens samenleeft op een beperkte ruimte,
bestaat een of andere vorm van recht. Deze afspraken (recht) moeten
mededeelbaar en afdwingbaar zijn. Zodat men personen die de afspraken niet
willen volgen, kunnen dwingen tot naleving.
Recht volgt dus m.a.w. uit een menselijke conditie. Er bestaat een nood
aan een systeem dat toelaat tot een rechtvaardige verdeling van schaarse
goederen te komen. Dit zodat elke persoon zo veel mogelijk zijn
individuele vrijheid kan uitoefenen op zo’n manier dat hij een uniek
persoon wordt. Dat systeem is het recht.
Doel recht: Dit hangt af van de onderliggende normen en waarden. ZO heeft het
Belgische recht als doel het maatschappelijk leven te ordenen, het algemeen
belang te dienen, te streven naar rechtvaardigheid, … In het Belgische systeem
hebben we geen persoonscentrisme (vorstelijk absolutisme = niet alles is gericht
rond 1 persoon) of verwijzing naar een hogere macht (God).
Objectief vs. subjectief recht:
Objectief recht: geheel van algemene gedragsregels opgelegd door een
daartoe bevoegde overheid die de ordening van het maatschappelijk leven
beogen en waarvan de naleving afdwingbaar is. Het is van toepassing op
iedereen.
Rechtsverhouding: de juridische relatie die tussen partijen bestaat en waaraan
dus ook juridische gevolgen zijn gekoppeld
Verbintenis: Een rechtsband op grond waarvan
een schuldeiser van een schuldenaar, indien
nodig in recht, de uitvoering van een prestatie
mag eisen. Deze prestatie kan zijn dat hij iets
moet doen, iets moet geven of iets niet doet.
Onrechtmatige daad: de wet bepaald dat u door uw gedrag een bepaald
verbintenis krijgt bv. schadevergoeding betalen na een verkeersongeval
o Onrechtvaardig ervaren recht is ook recht bv. Reuzegom of een man
die meer erfbelasting moet betalen omdat hij eerst een grond zou
erven die meer waard was maar doordat het nu in
overstromingsgebied ligt is het sterk daalt in waarde maar de
belasting is niet mee gedaald.
, o Rechtszekerheid (zodat iedereen dezelfde beslissingen maakt) =>
rechtvaardige ordening
o Recht is soms ook louter ordenend bv. verkeereregels zoals rechts
rijden hebben niks met rechtvaardigheid te maken
o Afdwingbaarheid: prerogatief van de overheid = overheid moet daar
voor zorgen
o Niet elke rechtsregel is afdwingbaar
o Iedereen wordt geacht de wet te kennen => juridische fictie dus
eigenlijk onmogelijk
Subjectief recht: = Individualisering van de rechtsregel (recht op u als
individu) Aanspraak die een persoon ten aanzien van andere personen aan
het objectief recht ontleent (je kan iets eisen van iemand anders).
We worden omringd door feiten = alles
wat werkelijk is of heeft plaatsgehad is
een feit. Het kan hierbij zowel gaan over
natuurlijke gebeurtenissen als om
menselijke gedragingen. De feiten die
voor het recht relevant zijn, worden de
rechtsfeiten genoemd. Dit zijn alle
omstandigheden waaraan
rechtsgevolgen zijn gekoppeld bv. een geboorte want vanaf dan wordt je een
juridisch persoon. Rechtshandelingen zijn menselijke gedragingen met de
bedoeling om gerechtshandelingen te generen bv het sluiten van een
koopovereenkomst of een arbeidsovereenkomst.
Indeling van het recht:
Bij privaat
recht zult u
,zelf actie ondernemen als de persoon waarmee u een verbintenis heeft deze niet
nakomt.
Verdeling in rechtstakken:
Grondwettelijk
recht: regels die
de staatsvorm,
de inrichting en
werking van de
staatsmachten,
hun onderlinge
relaties, alsook
de grondwetten
van de burgers
bepalen.
Administratief
recht: hoe moet
onze uitvoerende macht in elkaar zitten
Gerechtelijk recht: alle regels rond hoe de gerechtelijke macht moet
werken
Strafrecht: het feit of iets strafbaar is en welke straf daar bijhoort
Fiscaalrecht: belastingen, tarieven, …
Sociaal recht: Arbeidsrecht en sociale zekerheidsrecht
Economisch recht: de economische verhoudingen op de markt regelen bv.
prijzenwetgeving
Ondernemingsrecht: vennootschappen en verenigingen
Burgerrecht: rechten tussen burgers onderling
- Zakenrecht: eigendom (huizen en percelen), vruchtgebruik (het recht
om andermans (deel van een) vermogen te gebruiken en hierbij 'van de
vruchten te genieten'), erfdienstbaarheden (een recht dat iemand heeft
om iets te doen op het stuk grond van een ander bv. als jouw buren een
pad over jouw grond mogen gebruiken om bij hun huis te komen)
- Verbintenissen recht: gaat over afspraken tussen mensen of bedrijven,
zoals contracten. Het regelt wie wat moet doen en wat er gebeurt als
iemand zich niet aan de afspraak houdt.
- Bijzondere overeenkomsten: koop (contracten) en huur
- Familiaal vermogensrecht: erfenissen, schenkingen
- Personen en familierecht: huwelijk, echtscheiding, afstamming, adoptie,
…
, Persoon of voorwerp:
Soorten personen in België:
Natuurlijke personen:
alle levende mensen
zonder onderscheid
Vreemdeling: iedereen
die niet de Belgische
nationaliteit heeft. Hun
rechten worden
bepaald door diverse
wetgevingen
Zogenaamde illegalen:
vreemdelingen die op
het Belgische grondgebied verblijven zonder toestemming
Rechtspersonen: een organisatie die, net als een mens, rechten en
plichten heeft. een rechtspersoon is een door de wet (wettelijke basis)
bedacht ‘persoon’ die zelfstandig kan handelen en eigen
verantwoordelijkheden heeft, met bestuurders die namens de
rechtspersoon optreden.
Rechtsbekwaamheid = drager zijn van subjectieve rechten en plichten
alle natuurlijke personen: meerderjarigen, minderjarigen, wilsonbekwamen
(verstandelijk gehandicapten, dementerenden)
alle rechtspersonen (specialiteitsbeginsel = hebben enkel de rechten die
met rechtspersoonlijkheid te maken hebben en die noodzakelijk zijn om
hun statutair doel te realiseren)
beperkingen: categorieën (bv. vreemdelingen, veroordeelden) of punctueel
(bv. huwelijksverboden, ontzetting uit openbaar of ouderlijk gezag)
Handelingsbekwaamheid = vermogen om zelf en zelfstandig de
rechtshandelingen te stellen die nodig of nuttig zijn voor de uitoefening van zijn
subjectieve rechten en plichten
Handelingsonbekwaamheid = uitzondering :
- Algemeen of gedeeltelijk
- Volledig of beperkt
- Bv. minderjarigen, wilsonbekwamen (comapatiënt, psychiatrische
aandoening, enz.)
H2: de bronnen van het recht
1. Materiële bronnen (verklaren de inhoud van het recht en hoe komen we tot
zo’n wetgeving) (geven een idee waarom een bepaald wet bestaat bv.
opiniestukken)
- Wordt gestuurd door: ideologie, politieke opvattingen en
wettenschappelijke inzichten. En ze kunnen door wisselwerking en
omstandigheden (zoals religie, klimaat, demografische samenstelling van
samenleving, …) worden bijgestuurd
- Handelt over de legitimiteit (inhoud)
2. Formele bronnen van het recht (duiden op de vindplaats van het recht)
- Bindende formele bronnen: