Thema 4: Sociale stratificatie/mobiliteit
1 Inleiding
Ongelijkheid: Enerzijds neutrale betekenis, anderzijds waardegeladen betekenis (=wat betekent het
eigenlijk)
1.1 Sociale stratificatie
= hoe zijn de sociale posities/rollen/status verspreid tussen de individuen
-> gelaagdheid van de samenleving: verticale of horizontale gelaagdheid
CEO - Glazenwasser CEO
Glazenwasser
= Functionele differentiatie = Sociale stratificatie (sociale ongelijkheid)
2 heel vss functies Vind je in elke samenleving
Heel lang niet zo sterk aanwezig In sl: gewaardeerde middelen/diensten/posities
geweest in sl als nu o Dingen die mensen waardevol achten
Arbeidsindeling = opsplitsen van o Bv. geld, diploma’s, school
taken of arbeid o Toegang ongelijk, omdat je tot een
Neutraal bepaalde groep behoort = sociale
stratificatie
Taal van hoger/lager: iedereen deelt een beetje
de gedachte dat de CEO hoger staat dan de
glazenwasser
Discriminatie: zorgen dat een ander geen
toegang kan krijgen tot een andere laag, het
gaat om gewaardeerde middelen, maar de
bovenkant kan er makkelijker aan de onderkant
Dynamisch:
o Een beroep krijgt veel minder aanzien
dan 50 jaar geleden bv. leerkracht
Criteria glazenwasser onderaan, CEO bovenaan:
o Inkomsten
o Verantwoordelijkheid
o Delegerende vanboven, volgende
vanonder
o Status
o Kledij -> straalt meer autoriteit uit ->
zijn niet neutraal verschillend, maar
waardengeladen
o Verschillen wijzen op sociale
stratificatie, sociale ongelijkheid
1
,2 Geschiedenis en soorten sociale stratificatie
2.1 Geschiedenis van de sociale stratificatie
FABEL (=fout verhaaltje):
Nomadische groepen hadden weinig functionele differentiatie: iedereen deelde dezelfde taken (bv.
met grote groep jagen) en weinig sociale stratificatie => DUS: grote gelijkheid binnen sociale groepen:
gelijklopende sociale rollen, inkomen, status, (kans op) gezondheid,… -> Ontstaan landbouw: er
moeten voorraden zijn = START ONGELIJKHEID
FEITEN:
Ontzettend grote verschillen in sociale organisatie doorheen de vroege menselijke geschiedenis
2.2 Soorten stratificatiesystemen
Slavernij, Standenmaatschappij en Klassenmaatschappij
2.2.1 Slavernij
= meest fundamentele sociale stratificatie
Mensen worden bezit van andere mensen (je hebt zelf geen eigen inspraak)
Lang binnen legale orde
Vandaag illegaal
Maar gebeurd nog! -> ook in België
Voorbeelden:
‘Mensenhandel’ (prostitutie, huishoudhulp, bouwsector, textielsector…)
Mensen zonder papieren of die van hun papieren zijn beroofd:
o Dwangslavernij: gevangen gehouden, mogen niet buiten
o Schuldslavernij: mensen hebben heel veel geld in de slaaf gestoken, dus moet wel
blijven
(economische) uitbuiting ≠ slavernij
2.2.2 Standenmaatschappij
= samenleving bestaat uit vast afgebakende groepen
-> je behoort tot een groep door geboorte
Niet mogelijk om van de ene stand naar de andere te gaan
Wettelijk verankerd: privileges (je hebt bepaalde rechten, omdat je tot een bepaalde groep
behoort)
2
, GEDROOMDE AFSCHAFFING STANDENMAATSCHAPPIJ:
1776: 4 juli, 13 Amerikaanse staten beslissen zich onafhankelijk te verklaren van het VK
(=Independence day)
Bezittingslozen: mensen die naar VS zijn getrokken zonder bezit -> kozen ervoor om
standenmaatschappij niet te kopiëren (The land of the free) = allemaal gelijk
o Toch was er slavernij aanwezig
1789: Franse revolutie
Tegen monarchie en standenmaatschappij
“Liberté, égalité et fraternité”
Afschaffing monarchie en standenmaatschappij
Blind voor andere sociale stratificaties, zoals slavernij
Bv. Napoleon heeft na de Franse revolutie toch terug absolute machte
1804: Onafhankelijkheid van Haïti
Het lukt de Fransen buiten te zetten
2.2.3 Klassenmaatschappij
OP PAPIER:
Idee = open samenleving: sociale positie = persoonlijke verdienste = MERITOCRATIE
Er is sociale ongelijkheid -> maar op basis van eigen keuzes (vrnl. hard inzetten/leren/werken)
Klasse
o = groepering die eenzelfde positie inneemt naar maatschappelijk belangrijke
variabelen zoals inkomen/vermogen, beroep, onderwijs en levensstijl
o <-> stratificatie
In theorie:
o sociale mobiliteit perfect mogelijk (the American dream)
o + groter dan in vorige 2 systemen
Daarom: gelijke kansen nodig
Heeft beleidsevolutie ontketent:
o Juridische gelijkwaardigheid
o Ondersteuning bij minder kansen (onderwijs (vb. GOK-middelen)
IN DE FEITEN:
Sociale ongelijkheden:
niet verdwenen
niet (enkel) het resultaat van persoonlijke keuzes
nog steeds (deels) generationeel doorgegeven (= standenmaatschappij)
o Als deze 2 dingen waar zijn => leven we wel nog in een soort van standensamenleving
3
1 Inleiding
Ongelijkheid: Enerzijds neutrale betekenis, anderzijds waardegeladen betekenis (=wat betekent het
eigenlijk)
1.1 Sociale stratificatie
= hoe zijn de sociale posities/rollen/status verspreid tussen de individuen
-> gelaagdheid van de samenleving: verticale of horizontale gelaagdheid
CEO - Glazenwasser CEO
Glazenwasser
= Functionele differentiatie = Sociale stratificatie (sociale ongelijkheid)
2 heel vss functies Vind je in elke samenleving
Heel lang niet zo sterk aanwezig In sl: gewaardeerde middelen/diensten/posities
geweest in sl als nu o Dingen die mensen waardevol achten
Arbeidsindeling = opsplitsen van o Bv. geld, diploma’s, school
taken of arbeid o Toegang ongelijk, omdat je tot een
Neutraal bepaalde groep behoort = sociale
stratificatie
Taal van hoger/lager: iedereen deelt een beetje
de gedachte dat de CEO hoger staat dan de
glazenwasser
Discriminatie: zorgen dat een ander geen
toegang kan krijgen tot een andere laag, het
gaat om gewaardeerde middelen, maar de
bovenkant kan er makkelijker aan de onderkant
Dynamisch:
o Een beroep krijgt veel minder aanzien
dan 50 jaar geleden bv. leerkracht
Criteria glazenwasser onderaan, CEO bovenaan:
o Inkomsten
o Verantwoordelijkheid
o Delegerende vanboven, volgende
vanonder
o Status
o Kledij -> straalt meer autoriteit uit ->
zijn niet neutraal verschillend, maar
waardengeladen
o Verschillen wijzen op sociale
stratificatie, sociale ongelijkheid
1
,2 Geschiedenis en soorten sociale stratificatie
2.1 Geschiedenis van de sociale stratificatie
FABEL (=fout verhaaltje):
Nomadische groepen hadden weinig functionele differentiatie: iedereen deelde dezelfde taken (bv.
met grote groep jagen) en weinig sociale stratificatie => DUS: grote gelijkheid binnen sociale groepen:
gelijklopende sociale rollen, inkomen, status, (kans op) gezondheid,… -> Ontstaan landbouw: er
moeten voorraden zijn = START ONGELIJKHEID
FEITEN:
Ontzettend grote verschillen in sociale organisatie doorheen de vroege menselijke geschiedenis
2.2 Soorten stratificatiesystemen
Slavernij, Standenmaatschappij en Klassenmaatschappij
2.2.1 Slavernij
= meest fundamentele sociale stratificatie
Mensen worden bezit van andere mensen (je hebt zelf geen eigen inspraak)
Lang binnen legale orde
Vandaag illegaal
Maar gebeurd nog! -> ook in België
Voorbeelden:
‘Mensenhandel’ (prostitutie, huishoudhulp, bouwsector, textielsector…)
Mensen zonder papieren of die van hun papieren zijn beroofd:
o Dwangslavernij: gevangen gehouden, mogen niet buiten
o Schuldslavernij: mensen hebben heel veel geld in de slaaf gestoken, dus moet wel
blijven
(economische) uitbuiting ≠ slavernij
2.2.2 Standenmaatschappij
= samenleving bestaat uit vast afgebakende groepen
-> je behoort tot een groep door geboorte
Niet mogelijk om van de ene stand naar de andere te gaan
Wettelijk verankerd: privileges (je hebt bepaalde rechten, omdat je tot een bepaalde groep
behoort)
2
, GEDROOMDE AFSCHAFFING STANDENMAATSCHAPPIJ:
1776: 4 juli, 13 Amerikaanse staten beslissen zich onafhankelijk te verklaren van het VK
(=Independence day)
Bezittingslozen: mensen die naar VS zijn getrokken zonder bezit -> kozen ervoor om
standenmaatschappij niet te kopiëren (The land of the free) = allemaal gelijk
o Toch was er slavernij aanwezig
1789: Franse revolutie
Tegen monarchie en standenmaatschappij
“Liberté, égalité et fraternité”
Afschaffing monarchie en standenmaatschappij
Blind voor andere sociale stratificaties, zoals slavernij
Bv. Napoleon heeft na de Franse revolutie toch terug absolute machte
1804: Onafhankelijkheid van Haïti
Het lukt de Fransen buiten te zetten
2.2.3 Klassenmaatschappij
OP PAPIER:
Idee = open samenleving: sociale positie = persoonlijke verdienste = MERITOCRATIE
Er is sociale ongelijkheid -> maar op basis van eigen keuzes (vrnl. hard inzetten/leren/werken)
Klasse
o = groepering die eenzelfde positie inneemt naar maatschappelijk belangrijke
variabelen zoals inkomen/vermogen, beroep, onderwijs en levensstijl
o <-> stratificatie
In theorie:
o sociale mobiliteit perfect mogelijk (the American dream)
o + groter dan in vorige 2 systemen
Daarom: gelijke kansen nodig
Heeft beleidsevolutie ontketent:
o Juridische gelijkwaardigheid
o Ondersteuning bij minder kansen (onderwijs (vb. GOK-middelen)
IN DE FEITEN:
Sociale ongelijkheden:
niet verdwenen
niet (enkel) het resultaat van persoonlijke keuzes
nog steeds (deels) generationeel doorgegeven (= standenmaatschappij)
o Als deze 2 dingen waar zijn => leven we wel nog in een soort van standensamenleving
3