A) ANATOMIE EN BIOMECHANICA
1. INLEIDING BOVENSTELIDMAAT
Examen bestaat uit 40 vragen mpc ( met cesuur = 25/40 = 10/20)
WRM ANATOMIE
- Doelstelling:
Je hebt kennis van en inzicht in de bouw en functie van het gezonde menselijke lichaam, dat je voor je eigen
vakgebied in de gezondheidszorg rekening kan houden met de mogelijkheden en beperkingen van het
menselijke lichaam
- Werken met lichaamelijke, geestelijke en sociale eigenschappen = inzicht
TEREIN VERKENNING
Anatomie = ontleedkunde → geeft geen antw op hoe het menselijke lichaam werkt
Fysiologie = functies van levende organismen
Anatomie + fysiologie = functionele anatomie ( = bouw lichaamsdeel of orgaan hangt samen met de functie daarvan)
- Vorm en bouw bepalend vr functie
- Functie ve orgaan heeft invloed op bouw
- Holistische benadering ( psychomatisch, sociaal en kunstmatig)
INLEIDENDE BEGRIPPEN
A. = arteria ( slagader) L = lumbaal
v. = vena ( ader) S = sacraal
m. = musculus ( spier) n. = nervus ( perifere zenuw, aftak ruggenmerg)
C = cervicaal N. = nervus ( centraal zenuw, hersenzenuw)
Th = thoracaal
2. TOPOGRAFIE
= beschrijft de ligging vd organen; organenstelsels en weefsels t.o.v. elkaar. → samengang van ≠ struct.
ANATOMISCHE HOUDING
- Persoon staat rechtop
- Hoofd rechtop, gezicht nr voren
- Armen gestrekt naast het lichaam
- Handpalmen nr voor gekeerd
- Voeten iets gespreid, voeten nr voren
➔ Beschrijving v structuren moeten via anatomische houding
➔ Referentiekader
LICHAAMSVLAKKEN
= denkbeeldige doorsneden dr het lichaam of delen daarvan
Frontaal vlak
- Frontale doorsnede
- Kenmerken
o Verdeelt lichaam in vr en achter
o ∥ met voorhoofd
Sagitaal vlak
- Sagittale doorsnede
- Kenmerken:
o Lichaam in R en L
o ⊥ op frontale vlakken
- Mediane vlak of mediosagittale vlak
o Door middellijn of mediaan ( neus en navel) + L&R symmetrie
Transversaal vlak
- Transversale doorsnede of dwarsdoorsnede
- Kenmerken:
o Verdeelt het lichaam in een bovenste en onderste gedeelte
o Loodrecht op de lengteas van het lichaam
o Evenwijdig aan het vloeroppervlak
,SNIJVLAKKEN DOOR BIJSVORMIGE ORGANEN
1. Transversaal (dwars)
o Ontstaan cirkelvormige uiteinden
o Ontstaan lumen (holte)
2. Longitudinaal
o Ontstaan van gootje
STATISCHE RICHTING - OF PLAATSAANDUIDEING
➔ Vanuit ana houdeing, terminologia anatomica,
1. Mediaal = dicht naar de middellijn toe 10. Profundus = diepe ligging
2. Lateraal = van de middellijn weg 11. Centraal = midden
3. Intermediair = tsn lat en med 12. Perifeer = uiteinden
4. Proximaal = dicht bij de romp 13. Craniaal = meer nr de schedel
5. Distaal = ver van de rom^p 14. Caudaal = meer nr staartbeen
6. Sinister = Links 15. Anterior = voorzijde
7. Dexter = rechts 16. Posterior = achterzijde
8. Internus en externus = meer nr binnen of 17. Superior = boven
buiten 18. Inferior = onder
9. Superficialis = oppervlakkig
DYNAMISCHE RICHTINGAANDUIDINGEN
➔ Bewegen vindt plaats rondom een as
➔ Beweggingsassen = denkbeeldige assen t.o.v. waarvan de
bewegingen plaatsvinden
- Transversale as
o Syn: horizontale as of latero-laterale as
o Links nr recht
o Bewegingen:
▪ Flexie en extensie ( ook dorsi, palmair,
plantair) ( buigen & strekken)
▪ Anteflexie en retroflexie ( voorwaarts/
achterwaarts bewegen)
▪ Anteversie en retroversie ( heupen) (
voorwaarts/ achterwaartse kanteling bekken)
- Verticale as
o Syn: longitudinale as of cephalo-caudale as of
craniocoudale as
o Loodrecht op de grond
o Beweginegen:
▪ Abductie ( uitelkaar) en adductie ( nr elkaar)
▪ Latroflexie ( hoofd nr oor)
▪
- Sagittale as
o Syn: ventro-dorsale as
o Van achter nr voor
o Bewegingen
▪ Endorotatie en exorotatie ( nr buiten of binnen draaien)
▪ Laterorotatie en mediorotatie ( nee-knikken)
BIJZONDERE BEWEGINGEN
1. Pronatie ( handpalm nr achter) en supinatie (anatomische houding hand)
2. Inversie ( sup, add, plantairflexie) & eversie ( pron, abd, dorsiflexi)
3. Opponeren ( duim nr vingers) & reponeren ( duim nrm)
4. Circumductie = cirkelbeweging maken met ledemaat ( flexie, extensie , add en abd )
,3. OSTEOLOGIE
INLEIDING
➔ Bewegingsapparaat: passief
➔ Functies
➔ Stevigheid en tegenwicht aan zwaartekracht
➔ Bew dr aanhechting spieren
➔ Bescherming interne vitale organen
➔ Aanmaakplaats bloedweefsel
➔ Reservoir mineralen
BOUW VAN HET BOT
- Metafysairschijf = epifysairschijf → groeischijf zorgt voor
lengtegroei v/e botstuk
- Medulla ossium= beenmerg
o Gele beenmerg
▪ Vooral uit vet
▪ Mergholte vn pijpbeenderen
o Rode beenmerg
▪ Belangrijke bloedvormende orgaan
▪ In spleten van substantia spongiosa
STRUCTUUR
- Afhankelijk vn
omgevende
weefsel
- Invloed v
krachten die er op
uitgeoefend
worden
, BOTTEN IN SOORTEN EN MATEN
Lange pijpbeenderen: lang en dun
- Bouw:
o Diafyse: schacht, middengedeelte, compact been rondom mergholte, gevuld met geel beenmerg
o Epifyse: bredere uiteinden, sponsachtig been
o Vb. humerus, ulna, radius, femur, tibia, fibula
Korte pijpbeenderen: kort, vaak in alle richtingen even groot
- Bouw:
o Sponsachtig been binnenin met dunne laag compact been aan de buitenzijde
o Vb. carpalia, tarsalia
Platte beenderen: plat en vaak breed
- Bouw:
o Buitenste en binnenste laag compact been met ertussen sponsachtig been
o Vb. costae, sternum, schedelbeenderen, scapulae, ossa coxae
Onregelmatige beenderen: geen specifieke vorm of structuur
- Bouw:
o Sponsachtig been binnenin met dunne laag compact been aan de buitenzijde
o Vb. vertebrae, maxilla, mandibula, os hyoideum, schedelbasisbeenderen
PATHOLOGIE
- Fractuur = breuk
- Periostitis = vliesonsteking
- Osteoporose = vermindering van bot ( sneller breken, gaten worden groter)
4. INLEIDING ARTHROLOGIE
BOTBERBINDINGEN
- Bondweefselverbindingen ( junctura fibrosa)
o Niet beweegbare botverbindingen
o Vb: tanden en kiezen verbonden met kraakbeen
- Kraakbeenverbindingen ( junctura cartilaginea)
o Geringe bewegelijkheid
o Vb: kraakbeen tsn costae en sternum
- Synoviale verbindin: gewricht ( articulatio)
o Grote bew
o Bouw:
▪ Kop en kom
▪ Gewrichtspleet met gewrichtssmeer
▪ Gewrichtskapsel houdt kop en kom bij elkaar => gewrichtspleet is luchtdicht
▪ Gewrichtsbanden: lig ( zit een vlies rond)
▪ Bijzonder kraakbeenstructuren
ARTICULATIO: ALGEMENE BOUW
Gewrichtsopp
- Convex: gewrichtskop ( caput)
- Concaaf: gewrichtskom ( cavum)
- Meestal bedekt met kraakbeen ( cartilago articularis)
Gewrichtskapsel
- 2 lagen
- Membrana synovialis ( binnenste laag)
o Veel bloedvaten en zenuwen
o Produceert gewrichtssmeer
- Membrana fibrosa ( buitenste laag)
o Wisselend van dikte
o Lig: plaatselijke versterking