Biologische psychologie
1 EVOLUTIE
1.1 DEFINIËREN VAN PERSPECTIEF
1.1.1 Grondvoorwaarden van natuurlijke selectie
Bij natuurlijke selectie hebben we het altijd over groepen en nooit individuen, verder zijn er
3 voorwaarden voor natuurlijke selectie.
1. Overerving: er is sprake van overerfbare eigenschappen
2. Variatie: er is variabiliteit binnen een bepaalde eigenschap (bv blauwe en groene
ogen). Deze komen door mutaties is zijn soms positief waardoor ze meer en meer
gaan voorkomen in volgende generaties
3. Selectie: sommige eigenschappen hangen samen met een groter reproductief
succes. Organismes met deze eigenschap gaan dus meer nakomelingen krijgen
waardoor de eigenschap vaker gaat voorkomen.
Evolutie: ontstaan van genetische verschillen tussen generaties
Natuurlijke selectie leidt dus tot evolutie
1.1.2 Selectie
Dit proces geldt niet voor elke eigenschap maar voor degene die ervoor zorgen dat het
organisme zich het best aanpast aan de omgeving.
De omgeving kan constant veranderen dus wat je nodig hebt om te overleven kan ook
veranderen, wat 10 jaar een goede eigenschap was kan de volgende 10 jaar dus anders zijn.
Het vermogen om te overleven in een omgeving (fitness) heeft een grote impact op het
reproductief succes waardoor deze eigenschap die ervoor zorgt vaker gaat voorkomen.
Vb: peper-en-zout vlinder die niet te zien was op de berken tot de industriële revolutie
Nog eigenschappen die bijdragen tot het reproductief succes van een individu
Overleven: mortaliteitsselectie, hoe langer iets leeft hoe meer nakomelingen het kan
voortbrengen
Aantal nakomelingen: vruchtbaarheidsselectie, organismen die meer nakomelingen
kunnen voortbrengen in 1 keer dan andere van die soort gaan hoger reproductief
succes hebben
Gelegenheid tot voortplanten: seksuele selectie, eigenschappen die ervoor zorgen
dat andere soortgenoten met iemand gaan paren, deze leiden soms niet tot betere
overlevingskansen. (bv pauw met staart)
Tot nu toe hebben we directe fitness besproken persoonlijk reproductief succes
1
,Inclusieve fitness directe fitness + indirecte fitness
Verwantselectie je gaat ervoor zorgen dat degene met jouw genen zich gaan
voortplanten om toch genen achter te laten. Dit gaat gepaard met kosten/baten je gaat dan
kijken hoever je verwant bent in verband met de kosten op je persoonlijk reproductief
succes. (bv je kan je leven geven voor 2 broers)
Selectie gaat dus over genen en niet individuen
1.1.3 Psychologische relevantie
Rechtstreekse erfelijke invloed op lichamelijke kenmerken die een verband hebben
met mentale kenmerken (bv grote brein en IQ)
Gedragsgenetica: leer van overerfbaar gedrag
1.2 PRIMATEN
Dit hele proces van natuurlijke selectie en evolutie leidt tot de splitsing van soorten. We
beginnen allemaal van een eencellig organisme, hierna vertrekken er veel takken waarvan
er sommige verder vertaken en sommige sterven uit (dinos)
Primaten zijn zoogdieren, en generalisten, ze kunnen dus verschillende dingen en zetten zich
in op verschillende vakken. Ze Kunnen allemaal op 2 voeten lopen, hebben een groot brein
en zijn aangepast aan leven in bomen.
Grijphanden en grijpvoeten
Schoudergewricht voor slingeren
Frontale ogen voor dieptezicht om goed te klimmen
Relatief goed zicht en minder ontwikkelde geur (geursporen zijn op de grond)
We stammen niet echt af van de apen
want geen enkel van de apen die er
momenteel zijn, zijn onze voorouders.
We hebben wel een
gemeenschappelijke voorouder.
2
,1.3 HOMO SAPIENS SAPIENS
Gedeeld DNA van homo sapiens sapiens met andere soorten
Chimpansee: 98,8%
Neanderthaler: 99,7%
Andere mens: 99,9%
Er zijn natuurlijk ook veel verschillen en deze overlapping van DNA is niet dezelfde als
wanneer we spreken over gedeeld DNA met je familie.
1.3.1 Kenmerken
1. Tweevoeter:
Zorgt voor overzicht tijdens het wandelen van lange afstanden
2 poten zijn vrij om dingen vast te houden en mee te nemen
Heupen en geboortekanaal versmalt hierdoor
2. Groot/exceptioneel brein:
1.3.2 Exceptioneel brein?
Hebben we als homo sapiens sapiens een exceptioneel brein?
Niet in absolute massa: potvis weegt 9kg
Niet grootse relatieve massa tov lichaamsgewicht
Niet meeste neuronen
Niet meest rimpelige hersenen
Grafiek 1: toont aan dat we qua verhouding lichaamsmassa en breinmassa niet anders zijn
dan andere primaten
Grafiek 2: toont aan dat we qua verhouding neuronen en breinmassa niet anders zijn
Grafiek 3: toont aan dat we qua verhouding breinmassa en hoeveelheid cortex niet ander
zijn.
Er is lang gezegd dat we als mens in deze 3 uitblinken maar dit is dus niet het geval.
We zijn dus niet anders dan andere primaten maar primaten scoren in het algemeen het
hoogst op deze parameters, de mens zit bij grootste primaten.
3
, Homo sapiens hebben het meest corticale neuronen van alle dieren, vooral prefrontaal.
Deze zijn bovendien dicht op elkaar en zorgen dus voor snelle communicatie.
We betalen wel een prijs voor het hebben van zo een brein
20% van onze energie gaat naar het brein
Een bekende theorie over hoe we aan onze energie komen is door het koken van
voedsel. We doen zo aan voorverteren en kunnen dan sneller de suikers opnemen
Obstetrisch dilemma-hypothese: we hebben een evolutionaire druk voor zowel
smalle als brede bekken
- Smalle zorgen ervoor dat we op 2 poten kunnen lopen
- Smalle bekken zorgen er ook dat we een te smal geboortekanaal hebben + we
hebben een groot brein = complicaties bij geboorte
- Resultaat: rijpingsvertraging: baby’s worden geboren met een onafgewerkt brein
Rijpingsvertraging: het brein omvat alle neuronen bij geboorte maar moet nog veel meer
groeien dan bij andere primaten. We maken connecties tussen deze neuronen tot de late
adolescentie, we doen ook aan pruning en halen connecties dus weg. Pruning laat toe om
connecties af te stemmen op ervaringen.
1.3.3 Pruning
Wanneer we 2/3 jaar zijn hebben de 50% meer connecties dan volwassenen. We maken “te
veel” connecties aan om dan de beste te behouden. Dit houdt mogelijks een verband in met
ge geheugenverlies van jonge kinderen.
Je gaat door ervaringen zien welke connecties nodig zijn en welke niet.
Dit gebeurt van achteraan in het brein naar vooraan prefrontale cortex is laatst aan de
beurt want deze is belangrijk voor sociale capaciteiten.
1.3.4 Wat levert het op?
1. Sociale brein-hypothese:
Ons complex sociaal leven is de reden achter de grote van ons brein
Hoe groter de groep waar primaten in leven hoe groter het corticaal volume
Paarvormende soorten hebben ook een ingewikkelder brein dan niet-paarvormende
Alternatief is dat hoe groter de groep is hoe groter de kans op overleven en hoe meer kans
je hebt als soort om te ontwikkelen en een groter brein te creëren en onderhouden
2. Vermogen om na te denken en rekening te houden met wat er nu nog niet is: bv
tijdens het jagen strategieën bedenken en dus een toekomst voorspellen
3. Sociaal leren, onderwijs, taal
4
1 EVOLUTIE
1.1 DEFINIËREN VAN PERSPECTIEF
1.1.1 Grondvoorwaarden van natuurlijke selectie
Bij natuurlijke selectie hebben we het altijd over groepen en nooit individuen, verder zijn er
3 voorwaarden voor natuurlijke selectie.
1. Overerving: er is sprake van overerfbare eigenschappen
2. Variatie: er is variabiliteit binnen een bepaalde eigenschap (bv blauwe en groene
ogen). Deze komen door mutaties is zijn soms positief waardoor ze meer en meer
gaan voorkomen in volgende generaties
3. Selectie: sommige eigenschappen hangen samen met een groter reproductief
succes. Organismes met deze eigenschap gaan dus meer nakomelingen krijgen
waardoor de eigenschap vaker gaat voorkomen.
Evolutie: ontstaan van genetische verschillen tussen generaties
Natuurlijke selectie leidt dus tot evolutie
1.1.2 Selectie
Dit proces geldt niet voor elke eigenschap maar voor degene die ervoor zorgen dat het
organisme zich het best aanpast aan de omgeving.
De omgeving kan constant veranderen dus wat je nodig hebt om te overleven kan ook
veranderen, wat 10 jaar een goede eigenschap was kan de volgende 10 jaar dus anders zijn.
Het vermogen om te overleven in een omgeving (fitness) heeft een grote impact op het
reproductief succes waardoor deze eigenschap die ervoor zorgt vaker gaat voorkomen.
Vb: peper-en-zout vlinder die niet te zien was op de berken tot de industriële revolutie
Nog eigenschappen die bijdragen tot het reproductief succes van een individu
Overleven: mortaliteitsselectie, hoe langer iets leeft hoe meer nakomelingen het kan
voortbrengen
Aantal nakomelingen: vruchtbaarheidsselectie, organismen die meer nakomelingen
kunnen voortbrengen in 1 keer dan andere van die soort gaan hoger reproductief
succes hebben
Gelegenheid tot voortplanten: seksuele selectie, eigenschappen die ervoor zorgen
dat andere soortgenoten met iemand gaan paren, deze leiden soms niet tot betere
overlevingskansen. (bv pauw met staart)
Tot nu toe hebben we directe fitness besproken persoonlijk reproductief succes
1
,Inclusieve fitness directe fitness + indirecte fitness
Verwantselectie je gaat ervoor zorgen dat degene met jouw genen zich gaan
voortplanten om toch genen achter te laten. Dit gaat gepaard met kosten/baten je gaat dan
kijken hoever je verwant bent in verband met de kosten op je persoonlijk reproductief
succes. (bv je kan je leven geven voor 2 broers)
Selectie gaat dus over genen en niet individuen
1.1.3 Psychologische relevantie
Rechtstreekse erfelijke invloed op lichamelijke kenmerken die een verband hebben
met mentale kenmerken (bv grote brein en IQ)
Gedragsgenetica: leer van overerfbaar gedrag
1.2 PRIMATEN
Dit hele proces van natuurlijke selectie en evolutie leidt tot de splitsing van soorten. We
beginnen allemaal van een eencellig organisme, hierna vertrekken er veel takken waarvan
er sommige verder vertaken en sommige sterven uit (dinos)
Primaten zijn zoogdieren, en generalisten, ze kunnen dus verschillende dingen en zetten zich
in op verschillende vakken. Ze Kunnen allemaal op 2 voeten lopen, hebben een groot brein
en zijn aangepast aan leven in bomen.
Grijphanden en grijpvoeten
Schoudergewricht voor slingeren
Frontale ogen voor dieptezicht om goed te klimmen
Relatief goed zicht en minder ontwikkelde geur (geursporen zijn op de grond)
We stammen niet echt af van de apen
want geen enkel van de apen die er
momenteel zijn, zijn onze voorouders.
We hebben wel een
gemeenschappelijke voorouder.
2
,1.3 HOMO SAPIENS SAPIENS
Gedeeld DNA van homo sapiens sapiens met andere soorten
Chimpansee: 98,8%
Neanderthaler: 99,7%
Andere mens: 99,9%
Er zijn natuurlijk ook veel verschillen en deze overlapping van DNA is niet dezelfde als
wanneer we spreken over gedeeld DNA met je familie.
1.3.1 Kenmerken
1. Tweevoeter:
Zorgt voor overzicht tijdens het wandelen van lange afstanden
2 poten zijn vrij om dingen vast te houden en mee te nemen
Heupen en geboortekanaal versmalt hierdoor
2. Groot/exceptioneel brein:
1.3.2 Exceptioneel brein?
Hebben we als homo sapiens sapiens een exceptioneel brein?
Niet in absolute massa: potvis weegt 9kg
Niet grootse relatieve massa tov lichaamsgewicht
Niet meeste neuronen
Niet meest rimpelige hersenen
Grafiek 1: toont aan dat we qua verhouding lichaamsmassa en breinmassa niet anders zijn
dan andere primaten
Grafiek 2: toont aan dat we qua verhouding neuronen en breinmassa niet anders zijn
Grafiek 3: toont aan dat we qua verhouding breinmassa en hoeveelheid cortex niet ander
zijn.
Er is lang gezegd dat we als mens in deze 3 uitblinken maar dit is dus niet het geval.
We zijn dus niet anders dan andere primaten maar primaten scoren in het algemeen het
hoogst op deze parameters, de mens zit bij grootste primaten.
3
, Homo sapiens hebben het meest corticale neuronen van alle dieren, vooral prefrontaal.
Deze zijn bovendien dicht op elkaar en zorgen dus voor snelle communicatie.
We betalen wel een prijs voor het hebben van zo een brein
20% van onze energie gaat naar het brein
Een bekende theorie over hoe we aan onze energie komen is door het koken van
voedsel. We doen zo aan voorverteren en kunnen dan sneller de suikers opnemen
Obstetrisch dilemma-hypothese: we hebben een evolutionaire druk voor zowel
smalle als brede bekken
- Smalle zorgen ervoor dat we op 2 poten kunnen lopen
- Smalle bekken zorgen er ook dat we een te smal geboortekanaal hebben + we
hebben een groot brein = complicaties bij geboorte
- Resultaat: rijpingsvertraging: baby’s worden geboren met een onafgewerkt brein
Rijpingsvertraging: het brein omvat alle neuronen bij geboorte maar moet nog veel meer
groeien dan bij andere primaten. We maken connecties tussen deze neuronen tot de late
adolescentie, we doen ook aan pruning en halen connecties dus weg. Pruning laat toe om
connecties af te stemmen op ervaringen.
1.3.3 Pruning
Wanneer we 2/3 jaar zijn hebben de 50% meer connecties dan volwassenen. We maken “te
veel” connecties aan om dan de beste te behouden. Dit houdt mogelijks een verband in met
ge geheugenverlies van jonge kinderen.
Je gaat door ervaringen zien welke connecties nodig zijn en welke niet.
Dit gebeurt van achteraan in het brein naar vooraan prefrontale cortex is laatst aan de
beurt want deze is belangrijk voor sociale capaciteiten.
1.3.4 Wat levert het op?
1. Sociale brein-hypothese:
Ons complex sociaal leven is de reden achter de grote van ons brein
Hoe groter de groep waar primaten in leven hoe groter het corticaal volume
Paarvormende soorten hebben ook een ingewikkelder brein dan niet-paarvormende
Alternatief is dat hoe groter de groep is hoe groter de kans op overleven en hoe meer kans
je hebt als soort om te ontwikkelen en een groter brein te creëren en onderhouden
2. Vermogen om na te denken en rekening te houden met wat er nu nog niet is: bv
tijdens het jagen strategieën bedenken en dus een toekomst voorspellen
3. Sociaal leren, onderwijs, taal
4