HC 2: Sociologie
Leerdoelen:
• Cultuur: normen, waarden en instituties
• ‘Kwetsbare gezinnen’ in de maatschappij
• Diversiteit met betrekking tot opvatting over relaties en seksualiteit, fertitiliteit, zwangerschap, arbeid,
bevalling en kraambed
• Globaliseringsprocessen en gevolgen voor samenleving
• Wijze waarop armoede beleving van ZS, arbeid, bevalling, kraambed en ouderschap beïnvloedt
1. Sociologie
= Wetenschap die zich bezighoudt met analyseren, beschrijven en verklaren van gedrag tussen mensen voor zover dat
beïnvloed wordt door feit dat ze in bepaalde verhoudingen tot elkaar staan en daaruit voortkomende min of meer vaste
gedragspatronen, structuren en bindende opvattingen in hun ontstaan, voortbestaan en veranderen
• Onderzoek naar gedrag tussen mensen en gevolg van dit gedrag
• Verklaring van:
o Patronen van sociaal gedrag
o Groepsvorming
o Maatschappelijke organisatie.
• Voorbeeld: gedrag tussen mensen dat beïnvloed wordt door hun verhouding tot elkaar
o Partners kussen op mond terwijl collega’s hand geven
• Interactie wordt beïnvloed door verschillende aspecten
o Structuur: baas – werknemer
o Cultuur: gebruik van cultuur
o Geografische omgeving: koud – warm
▪ Mensen op het platteland kennen elkaar allemaal
▪ Mensen in stad zijn wat meer op zichzelf
o Menselijke eigenschappen: introvert – extravert
Referentiekader
= Sociale bril, filter waar je door kijkt
= Geheel van kennis, verklaringen en oordelen met betrekking tot onze sociale omgeving
• Komt tot stand door sociale situaties zoals
o Groeperingen en netwerken
o Milieu
o Werk
o Opvoeding en onderwijs
➔ Verandert gedurende leven
• Bedoeling is om juist oogkleppen af te zetten om kennis te vergroten en vooroordelen te verminderen
Selectiviteit
Waarneming is selectief
• Iedereen kijkt vanuit een ander gezichtspunt
• We zien alles wat we willen zien (filteren)
• Verschillende kijk op de omgeving
• Soms verlies je je overzicht en ga je over tot vooroordeel
• Zakelijke werkelijkheid (objectief) versus beleefde werkelijkheid (subjectief)
• Voorbeeld:
o Arm zijn en zich arm voelen vallen niet altijd samen
o Jezelf sexy voelen en voor andere sexy zijn is niet altijd hetzelfde
2. Waarden en normen
Waarde: betekenisgevend ideaal (eigen ideaal)
• Overtuiging over wat nagestreefd wordt of zou moeten worden
o Abstracte voorstellingen die we belangrijk vinden: iedereen vult dit zelf in
o Vb. vrijheid, gelijkheid, solidariteit, respect, tolerantie, …
• Voorbeeld: vroedvrouwen willen vaak kost wat kost borstvoeding geven en liefst zo lang mogelijk = Ideaal
Normen: bindende verwachtingen
• Gedragsregels of sociale verplichtingen
o Staat vast en kan je voor gestraft worden
o Kan door cultuur beïnvloed worden
Leerdoelen:
• Cultuur: normen, waarden en instituties
• ‘Kwetsbare gezinnen’ in de maatschappij
• Diversiteit met betrekking tot opvatting over relaties en seksualiteit, fertitiliteit, zwangerschap, arbeid,
bevalling en kraambed
• Globaliseringsprocessen en gevolgen voor samenleving
• Wijze waarop armoede beleving van ZS, arbeid, bevalling, kraambed en ouderschap beïnvloedt
1. Sociologie
= Wetenschap die zich bezighoudt met analyseren, beschrijven en verklaren van gedrag tussen mensen voor zover dat
beïnvloed wordt door feit dat ze in bepaalde verhoudingen tot elkaar staan en daaruit voortkomende min of meer vaste
gedragspatronen, structuren en bindende opvattingen in hun ontstaan, voortbestaan en veranderen
• Onderzoek naar gedrag tussen mensen en gevolg van dit gedrag
• Verklaring van:
o Patronen van sociaal gedrag
o Groepsvorming
o Maatschappelijke organisatie.
• Voorbeeld: gedrag tussen mensen dat beïnvloed wordt door hun verhouding tot elkaar
o Partners kussen op mond terwijl collega’s hand geven
• Interactie wordt beïnvloed door verschillende aspecten
o Structuur: baas – werknemer
o Cultuur: gebruik van cultuur
o Geografische omgeving: koud – warm
▪ Mensen op het platteland kennen elkaar allemaal
▪ Mensen in stad zijn wat meer op zichzelf
o Menselijke eigenschappen: introvert – extravert
Referentiekader
= Sociale bril, filter waar je door kijkt
= Geheel van kennis, verklaringen en oordelen met betrekking tot onze sociale omgeving
• Komt tot stand door sociale situaties zoals
o Groeperingen en netwerken
o Milieu
o Werk
o Opvoeding en onderwijs
➔ Verandert gedurende leven
• Bedoeling is om juist oogkleppen af te zetten om kennis te vergroten en vooroordelen te verminderen
Selectiviteit
Waarneming is selectief
• Iedereen kijkt vanuit een ander gezichtspunt
• We zien alles wat we willen zien (filteren)
• Verschillende kijk op de omgeving
• Soms verlies je je overzicht en ga je over tot vooroordeel
• Zakelijke werkelijkheid (objectief) versus beleefde werkelijkheid (subjectief)
• Voorbeeld:
o Arm zijn en zich arm voelen vallen niet altijd samen
o Jezelf sexy voelen en voor andere sexy zijn is niet altijd hetzelfde
2. Waarden en normen
Waarde: betekenisgevend ideaal (eigen ideaal)
• Overtuiging over wat nagestreefd wordt of zou moeten worden
o Abstracte voorstellingen die we belangrijk vinden: iedereen vult dit zelf in
o Vb. vrijheid, gelijkheid, solidariteit, respect, tolerantie, …
• Voorbeeld: vroedvrouwen willen vaak kost wat kost borstvoeding geven en liefst zo lang mogelijk = Ideaal
Normen: bindende verwachtingen
• Gedragsregels of sociale verplichtingen
o Staat vast en kan je voor gestraft worden
o Kan door cultuur beïnvloed worden