HC 3,4: fysiologie van het foetaal hartritme
Doelstellingen:
• Kent de fysiologie vh foetaal hartritme durante partum
• Kent de fysiologie van O2 toevoer naar de baby
• Kent de compensatiemechanismen vd foetus
• Kan een risicoselectie uitvoeren bij opname vd a terme zwangere in arbeid
• Weet hoe er interapartum foetale ausculatie uitgevoerd dient te worden. Kent de richtlijnen
• Kan veilig intermittent ausculteren
• Kan de kwaliteit van het intrapartum CTG-tracé beoordelen
• Kan de foetale harttonen bij opname interpreteren en beoordelen of baby ‘fit is for labo’
• Kan het intrapartum CTG interpreteren (basislijn, variabiliteit, cycling, acceleraties, dexeleraties,
contracties) tijdens een fysiologische arbeid
• Kan besluiten of een foetus al dan niet stress ervaart tijdens de arbeid
• Schouldering begrip en kunnen herkennen
• Kent en herkent acceleraties en weet wat dit betekent tijdens de arbeid
• Kent en herkent gevoelsreceptor deceleraties, kent de pathofysiologie en weet welke betekenis dit heeft
tijdens de arbeid
• Kent en herkent baroreceptordeceleraties, kent de pathofysiologie en weet welke betekenis dit heeft tijdens
de arbeid
• Kan contracties tijdens de fysiologische arbeid beoordelen als adequaaat of inadequaat en hun invloed op
de FHT tijdens een fysiologische arbeid.
• Herkent chemoreceptor en langdurige deceleraties als teken van stress
• Kan een management tijdens de fysiologische arbeid opstellen bij een baby die fit is for labor en geen
tekens van stress vertoont.
• Weet wat hypoxie en asfyxie is.
• Weet wat de PH betekent en hoe je deze bepaalt.
• Herkent meconiaal vruchtwater.
1. Het foetale hart
• Foetus overleeft, groeit en ontwikkelt gedurende 9 maanden in een zuurstofarme intra-uteriene omgeving.
• Zuurstofsaturatie/spanning in de foetale circulatie is lager →
nodig om zuurstofuitwisseling van moeder naar foetus ter
hoogte van de placenta te bevorderen. → foetus is volledig
afhankelijk van de moeder
• Lage zuurstofspanning komt door aanwezigheid van 4
circulatoire shunts:
o De placenta
o De ductus venosus
o Het foramen ovale
o Ductus arteriosus
• Delen van de foetale circulatie splitsen zich op en schakelen
parallel → hierdoor kan de foetus de belangrijkste organen van
zuurstofrijk bloed voorzien: de lever, het hart en de nieren.
De foetale circulatie
• Is afhankelijk van maternale circulatie (via placenta en navelstreng)
• Zuurstofrijk bloed komt vanuit de placenta in de foetale circulatie
terecht
• shunts zorgen dat O2-rijk bloed in de grote circulatie terecht komt
, 2. Controle mechanismen van het foetaal hartritme
Autonome zenuwstelsel
= belangrijkste regulatiemechanisme
= autonoom / onwillekeurige zenuwstels
• ORTHO en PARA SYMPATISCHE ZENUWEN
• Controle door autonoom en somatisch zenuwstelsel
• Autonoom zenuwstelsel:
o Sympaticus (FHT stijgt) <-> Parasympaticus (FHT daalt)
o Zorgen samen voor de baseline en een zekere variabiliteit
• Somatisch zenuwstelsel
o Zorgt voor de willekeurige controle van lichaamsbewegingen (via skeletspieren)
o Zorgt voor acceleraties
• Regeling door verschillende types receptoren:
o Gevoelsreceptoren – reactie op pijn
o Thermoreceptoren: temperatuur
o Baroreceptoren
▪ In aortaboog en a. carotis
▪ Stimulatie door verhoogde perifere weerstand & verhoogde foetale BD door afsluiting van de a.
umbilicales
→Hartritme vertragend centrum (PS) geactiveerd → vertraging FHR
→Afremmen van de sympatische stimulering van het hart
Korte & tijdelijke (variabele) deceleraties gelinkt aan contracties uterus
o Chemoreceptoren
▪ In aorta, a. carotis en in de hersenen
▪ Tijdens arbeid → stimulatie chemoreceptoren → stimulatie PS → daling FHT
De graad en de snelheid van de respons van het autonome zenuwstelsel zijn afhankelijk van het type receptor.
Chemo en gevoelsreceptoren stimuleren de PS trager en geleidelijker dan de baroreceptoren die een veel abruptere
respons geven
3. Foetale harttonen luisteren durante partus…de context?
Altijd kijken naar context, niet enkel naar papier uit CTG
• Normaal / abnormaal ?
• Ken achtergrond situatie: hoog/laag risico ?
• Observatie alle parameters en verbind met elkaar.
• FHT actieve fase: elke 15’/na elke perswee + rapporteer in het dossier
Elk uur: verbind alles ! Of vroeger bij verslechterende FHT
• Gebruik juiste terminologie/ beschrijf
• Inzicht in fysiologische / pathologische processen
Doelstellingen:
• Kent de fysiologie vh foetaal hartritme durante partum
• Kent de fysiologie van O2 toevoer naar de baby
• Kent de compensatiemechanismen vd foetus
• Kan een risicoselectie uitvoeren bij opname vd a terme zwangere in arbeid
• Weet hoe er interapartum foetale ausculatie uitgevoerd dient te worden. Kent de richtlijnen
• Kan veilig intermittent ausculteren
• Kan de kwaliteit van het intrapartum CTG-tracé beoordelen
• Kan de foetale harttonen bij opname interpreteren en beoordelen of baby ‘fit is for labo’
• Kan het intrapartum CTG interpreteren (basislijn, variabiliteit, cycling, acceleraties, dexeleraties,
contracties) tijdens een fysiologische arbeid
• Kan besluiten of een foetus al dan niet stress ervaart tijdens de arbeid
• Schouldering begrip en kunnen herkennen
• Kent en herkent acceleraties en weet wat dit betekent tijdens de arbeid
• Kent en herkent gevoelsreceptor deceleraties, kent de pathofysiologie en weet welke betekenis dit heeft
tijdens de arbeid
• Kent en herkent baroreceptordeceleraties, kent de pathofysiologie en weet welke betekenis dit heeft tijdens
de arbeid
• Kan contracties tijdens de fysiologische arbeid beoordelen als adequaaat of inadequaat en hun invloed op
de FHT tijdens een fysiologische arbeid.
• Herkent chemoreceptor en langdurige deceleraties als teken van stress
• Kan een management tijdens de fysiologische arbeid opstellen bij een baby die fit is for labor en geen
tekens van stress vertoont.
• Weet wat hypoxie en asfyxie is.
• Weet wat de PH betekent en hoe je deze bepaalt.
• Herkent meconiaal vruchtwater.
1. Het foetale hart
• Foetus overleeft, groeit en ontwikkelt gedurende 9 maanden in een zuurstofarme intra-uteriene omgeving.
• Zuurstofsaturatie/spanning in de foetale circulatie is lager →
nodig om zuurstofuitwisseling van moeder naar foetus ter
hoogte van de placenta te bevorderen. → foetus is volledig
afhankelijk van de moeder
• Lage zuurstofspanning komt door aanwezigheid van 4
circulatoire shunts:
o De placenta
o De ductus venosus
o Het foramen ovale
o Ductus arteriosus
• Delen van de foetale circulatie splitsen zich op en schakelen
parallel → hierdoor kan de foetus de belangrijkste organen van
zuurstofrijk bloed voorzien: de lever, het hart en de nieren.
De foetale circulatie
• Is afhankelijk van maternale circulatie (via placenta en navelstreng)
• Zuurstofrijk bloed komt vanuit de placenta in de foetale circulatie
terecht
• shunts zorgen dat O2-rijk bloed in de grote circulatie terecht komt
, 2. Controle mechanismen van het foetaal hartritme
Autonome zenuwstelsel
= belangrijkste regulatiemechanisme
= autonoom / onwillekeurige zenuwstels
• ORTHO en PARA SYMPATISCHE ZENUWEN
• Controle door autonoom en somatisch zenuwstelsel
• Autonoom zenuwstelsel:
o Sympaticus (FHT stijgt) <-> Parasympaticus (FHT daalt)
o Zorgen samen voor de baseline en een zekere variabiliteit
• Somatisch zenuwstelsel
o Zorgt voor de willekeurige controle van lichaamsbewegingen (via skeletspieren)
o Zorgt voor acceleraties
• Regeling door verschillende types receptoren:
o Gevoelsreceptoren – reactie op pijn
o Thermoreceptoren: temperatuur
o Baroreceptoren
▪ In aortaboog en a. carotis
▪ Stimulatie door verhoogde perifere weerstand & verhoogde foetale BD door afsluiting van de a.
umbilicales
→Hartritme vertragend centrum (PS) geactiveerd → vertraging FHR
→Afremmen van de sympatische stimulering van het hart
Korte & tijdelijke (variabele) deceleraties gelinkt aan contracties uterus
o Chemoreceptoren
▪ In aorta, a. carotis en in de hersenen
▪ Tijdens arbeid → stimulatie chemoreceptoren → stimulatie PS → daling FHT
De graad en de snelheid van de respons van het autonome zenuwstelsel zijn afhankelijk van het type receptor.
Chemo en gevoelsreceptoren stimuleren de PS trager en geleidelijker dan de baroreceptoren die een veel abruptere
respons geven
3. Foetale harttonen luisteren durante partus…de context?
Altijd kijken naar context, niet enkel naar papier uit CTG
• Normaal / abnormaal ?
• Ken achtergrond situatie: hoog/laag risico ?
• Observatie alle parameters en verbind met elkaar.
• FHT actieve fase: elke 15’/na elke perswee + rapporteer in het dossier
Elk uur: verbind alles ! Of vroeger bij verslechterende FHT
• Gebruik juiste terminologie/ beschrijf
• Inzicht in fysiologische / pathologische processen