Geschiedenis
Inhoud
Grafieken en tabellen uit de ppt’s kunnen gevraagd worden: Verklaar!!!....5
Inleidend hoofdstuk 0...................................................................................5
Waarom een historisch perspectief? Hoe gaat een historicus te werk?....5
Het vertrekpunt: de hedendaagse samenleving.......................................5
Is het verleden gelijk aan de geschiedenis?..............................................6
Geschiedenis als academische reflectie?..................................................8
Nut van de geschiedenis? Waarom een historisch perspectief?.............10
0.2. Inhoud en uitgangspunten?.............................................................11
Het tijdskader: het ontstaan van de moderne samenleving...................11
De ruimte: een wereldgeschiedenis van België......................................12
De historische benadering: een verstrengelde geschiedenis..................12
De achtergrond: geschiedenis als SW-discipline.....................................12
Hoofdstuk 1: Demografische ontwikkeling in historisch perspectief..........13
1. De studie van de demografische ontwikkelingen in het verleden.......14
2. Krijtlijnen van de demografische ontwikkeling voor 1750...................17
3. Demografische ontwikkeling tijdens de lange negentiende eeuw......19
4. Van “Babyboom” tot tweede demografische revolutie tijdens de
twintigste eeuw.......................................................................................21
Besluit.....................................................................................................23
H2: Het staatsvormingsproces en de opkomst van de natiestaat..............24
2.1. Van oude naar nieuwe politieke constellaties..................................24
2.2 De politieke ontrafeling van het feodalisme in de Zuidelijke
Nederlanden...........................................................................................27
2.3. Van soevereine vorst naar soevereine natie....................................30
2.4. De opkomst van de Belgische natiestraat.......................................36
2.5. De opkomst van het Vlaams nationalisme – Gastles Bruno De Wever
................................................................................................................39
Union fait la force. Waarom België desondanks uiteengerafeld is..........39
H5: Wereldhandel, kolonialisme en dekolonialisme: de casus Congo........46
5.1. Imperialisme en de ‘verdeling’ van de wereld.................................46
1
, Het koloniaal systeem voor 1800........................................................47
Het modern imperialisme....................................................................49
Oorzaken van het modern imperialisme..............................................51
5.2. België en Congo...............................................................................53
Oorsprong: historisch toeval................................................................53
Congo Vrijstaat (1885-1908)................................................................54
Belgische Congo (1908-1945)..............................................................55
Een modelkolonie? (1945-1960)..........................................................57
H4: Sociale ongelijkheid en sociaal beleid in historisch perspectief..........58
1. Sociale ongelijkheid in een langetermijnperspectief...........................59
Denken over sociale ongelijkheid........................................................59
Sociale ongelijkheid in de preïndustriële periode................................60
Sociale ongelijkheid in de twintigste eeuw..........................................60
Armoede en sociale zorg vanuit een historisch perspectief....................62
Armoede en kwetsbaarheid: begripsbepaling en oorzaken.................63
Sociaal beleid als uitdrukking van ongelijke machtsverhoudingen......64
3. Informele zorgarrangementen in historisch perspectief.....................65
Familie en verwanten...........................................................................66
Solidariteitsmechanismen in de buurt.................................................66
Allerhande vormen van overlevingsstrategieën..................................66
4. Formele zorgverlening in historisch perspectief.................................67
De lokale organisatie van de armenzorg.............................................67
Een groeiende inmenging vanwege de centrale overheden................68
De uitbouw van de welvaartsstaat: geïnstitutionaliseerde solidariteit 69
Besluit.....................................................................................................73
H3: Democratisering en burgerschap........................................................73
Democratisering, burgerschap en de ontwikkeling van een publieke sfeer
................................................................................................................74
De casus België: Van unionisme naar groeiende tegenstellingen...........76
De periode van democratisering.............................................................80
De periode na de tweede wereldoorlog..................................................84
H6: de economische transitie industrialisering en economische groei......86
Inleiding..................................................................................................86
2
, De eerste industrialisering en de impact op economische ontwikkeling
(1780-1860)............................................................................................89
Van tweede industrialiseringsgolf naar “sociale revolutie” (1870-1944) 92
Het interbellum en de naoorlogse periode..............................................98
De periode na 1973..............................................................................101
Besluit...................................................................................................102
H7: Levensstandaard en consumptie in historisch perspectief................103
7.1 Het ‘standard of living debate’ of het onderzoek naar de
levensstandaard tijdens de eerste helft van de negentiende eeuw......103
7.1.1 De sociale impact van de industriële revolutie: een verhit debat
onder historici....................................................................................103
7.1.2 De studie van koopkracht en reële lonen.................................104
7.1.3 Alternatieve meetinstrumenten naast het loon........................108
7.2: Van “sociale revolutie” naar welvaartstaat: de periode 1870-1944
..............................................................................................................113
7.2.2. Een algemene verbetering van de koopkracht vanaf c. 1870. 113
7.2.3. Verschuivingen in verbruik......................................................113
7.3: De welvaartmaatschappij en de naoorlogse “consumptierevolutie”:
besluit...................................................................................................114
7.3.1. De definitieve doorbraak van de consumptiemaatschappij.....114
H8: Mobiliteit en migratie in historisch perspectief..................................116
Inleiding................................................................................................116
8.1 Historisch onderzoek naar migratie................................................117
8.1.1 Onderzoekstradities in migratiegeschiedenis...........................117
8.1.2 Begripsafbakening en enkele gangbare concepten..................118
8.2 Mobiliteit en migratie in de pre-industriële periode........................121
8.3 Mobiliteit en migratie tijden de lange negentiende eeuw...............122
8.3.1 Migratie en urbanisatie.............................................................123
8.3.2 Migratiebeleid: van stadomwalling naar staatsgrens...............124
8.3.3 De overzeese migratie..............................................................125
8.4 Migratie tijdens de 20ste eeuw: Van Emigratie naar immigratie.......127
8.4.1 Mobiliteit en gedwongen migratie tijdens de periode 1914-1945
...........................................................................................................127
8.4.3 Buitenlandse arbeidskrachten in het naoorlogse Europa.........128
3
, ...........................................................................................................128
8.4.4 Van gastarbeid naar migratiestop.............................................129
Besluit...................................................................................................131
H9: Verstedelijking van het landschap.....................................................132
8.1 Verstedelijking als mondiaal proces................................................132
8.2 Uitdagingen? Urban Sprawl als verwaarloosd probleem.................134
8.2.1 Stadsversnippering...................................................................134
8.2.2 Maatschappelijke gevolgen.......................................................135
8.3 Naar een historisch verklaringskader: België als ‘man-made’-
landscape..............................................................................................136
8.3.1 Transportbeleid?.......................................................................137
8.3.2 Beleid inzake grondgebruik en woningbouw.............................139
8.3.3 Stedelijk beleid en ruimtelijke ordening....................................140
Grafieken en tabellen uit de ppt’s kunnen
gevraagd worden: Verklaar!!!
Inleidend hoofdstuk 0
Waarom een historisch perspectief? Hoe gaat een
historicus te werk?
Het vertrekpunt: de hedendaagse samenleving
Sociale wetenschappers willen de hedendaagse samenleving beter
begrijpen. Het heden kan je enkel begrijpen door het verleden te
begrijpen.
4
,Maar de historische dimensie wordt vaak:
- Te weinig rekening mee gehouden
- Onjuist toegeëigende voor andere doeleinden
- Of afgeschilderd als ‘slechter’ of juist ‘beter’ dan vandaag
(modernistische vs. Nostalgische reflex)
Modernistische reflex = het heden en de toekomst zullen beter zijn,
socialisten geloven erin dat de samenleving maakbaar is
Nostalgische reflex = vroeger was alles beter
Historici daarentegen willen gewoon het verleden op zich begrijpen.
Het verleden situeert zich in het heden: in films, in beelden, monumenten,
straten, pleinen, gebouwen, musea, lezingen, herdenkingsboeken,
documentaires, consumptiemaatschappij
Soms botsen deze dingen met eigentijdse gevoelens vb.
monumenten die de kolonisatie verheerlijken
Vb. consumptiemaatschappij : Primus verwijst naar anno 1288, dit is een
leugen, een ‘invented tradition’ om het product interessanter te maken
‘Het verleden verkoopt!’
De laatste tijd is veel meer op het web te vinden, dit maakt dat
geschiedenis binnen handbereik ligt.
Belangrijk om ten alle tijden een kritisch wetenschappelijke attitude
te blijven hebben.
Is het verleden gelijk aan de geschiedenis?
Verleden = is wat het is, het is voltooid
Geschiedenis = wordt voortdurend geschreven en herschreven, gebruikt
en misbruikt, het is de wijze waarop we over het verleden nadenken.
Binnen de geschiedwetenschap zijn er verschillende visies op het
verleden. Geschiedenis is, net zoals de andere wetenschappen, een
wetenschap die verandert. Het is een reflectie op de eigen tijd.
Veelvuldig gebruik/ misbruik van het verleden in historische
toepassingen :
5
, - Verleden om bepaalde, belangrijke herinneringen levend te houden
(vb. een monument om de oorlog te herdenken)
- Verleden gebruiken voor identiteitsopbouw van groepen, bedrijven,
merken…
De doeleinden van het gebruik van de geschiedenis is niet altijd
hetzelfde:
o leerkracht geschiedenis
o vs. Bouwer van een standbeeld (mss bezig met
nationalistische opvattingen)
o vs. De maker van een film (doet het voor het geld, voor het
fotografisch correcte…)
Geschiedenis is selectief, men gaat bepaalde zaken benadrukken en
andere niet. Het toe eigenen van het verleden is dus eigenlijk een
machtsstrijd.
Vb. veel van de geschiedschrijving was kleurenblind: geen aandacht voor
anders gekleurden in de samenleving => het blijft dus belangrijk om
kritisch nr geschiedenis te kijken.
Door het toe-eigenen van het verleden maakt men impliciete
veronderstellingen op basis van het eigen leven, hierin zitten verwijzingen
naar het verleden, maar gekeken vanuit een eigen bril.
Dit probleem kan je bekijken vanuit een politiek-ideologische-sociologische
bril:
Vb. BDW (NVA) en Moureaux (PS = partij sociale), ze hebben beide
geschiedenis gestudeerd aan de UA, maar BDW heeft een meer
nostalgische blik. Je moet oppassen als politici geschiedenis en het heden
een-op-een gebruikt om dingen te verklaren. Het is belangrijk om het
standpunt van de politici ook mee in rekening te brengen.
Ook de Vlaamse overheid heeft bepaalde gebeurtenissen uit het verleden
naar hun hand gezet: Vele politici linken WOI aan de Vlaamse
identiteitsstrijd. Het klopt dat WOI een katalysator was in de Vlaamse
identiteitsvorming, maar om de oorlog te claimen als zijnde ‘Vlaams’ gaat
te ver voor vele historici. de soldaten voelden zich ‘Belg’ en vochten
ook voor het land België, niet voor enkel Vlaanderen.
Invented tradition: bv. De Vlaamse feestdag was eigenlijk een feodale,
klassenstrijd, maar men heeft van de datum van het conflict de datum van
de Nationale feestdag gemaakt.
6
,Bepaalde ideologische doeleinden kunnen verdrongen worden door andere
ideologische doeleinden: zo kan een standbeeld gemaakt worden om
iemand te eren en later gezien worden als een foute gebeurtenis.
De vraag “Hoe kijk je naar het verleden en de toekomst?”: splitst zich uit
in verschillen, afhankelijk van je religie, studieniveau…
Positief tegenover de toekomst:
- landen waarin sterke economische ontwikkeling is
- hoge graad van geleerdheid: je bent meer rationeel en afwegend,
men ziet meer kansen in de toekomst voor zichzelf
- religieuze mensen vb. geloof in het hiernamaals
- jonge mensen: weg van de speelplaats, op naar het echte leven, de
toekomst
slogans van politici: Make America great AGAIN! = verwijzing naar het
verleden (nostalgisch)
Geschiedenis kan ook gezien worden als radicalisering: Trump laat
bijvoorbeeld niet toe dat er les wordt gegeven over the civil right
movement, hij maakt de geschiedenislessen minder genuanceerd.
Hetzelfde geldt bij scholen die niet mogen vertellen over de evolutie
volgend Darwin.
Geschiedenis als academische reflectie?
Wat is de universitaire historicus? Hoe wordt er letterlijk geschiedenis
geschreven?
Een kritische omgang met de sociale werkelijkheid is nodig. Neem
nooit zomaar iets aan!
Het is heel belangrijk om in te zien dat het gaat over de studie, je moet
zelf opzoek gaan naar bronnen, niet zomaar papegaaien van wat er al is
geschreven. Je moet zelf op zoek gaan in naar informatie (heuristiek).
Geschiedenis is geen passieve studie.
Geschiedmethode in drie stappen:
- Fase van de heuristiek
- Fase van de historisch-kritische onderzoeksmethodes
- Fase van de constructie
7
,Belangrijke fout: Feit ≠ historische reconstructie ≠ fictie
Hierbij loopt het vaak al fout: mensen zien films over de oorlog en
denken dat het echt zo is gegaan.
Historicus (re)construeert een verleden gebeurtenis of feit: men spreekt
liever over fase van constructie dan over de ‘reconstructie’, want het is
nooit echt helemaal zoals het was.
- aan de hand van origineel bronnenmateriaal en bestaande
wetenschappelijke literatuur (voetnoten!)
- volgens een wetenschappelijk, kritische onderzoeksmethode:
plausabiliteit/waarschijnlijkheid staat centraal
- in een narratief (verhaal): beschrijving, zoeken naar betekenis,
samenhang, oorzakelijkheid, verklaring, …
- Vijf W-vragen:
o Wat?
o Wanneer? De chronologie is de basis van de geschiedenis.
Oorzaak en gevolg moet juist gesitueerd kunnen worden.
o Waar?
o Wie?
o Waarom?
Bronnen:
Bron = getuigenis uit het verleden, idealiter proberen we zo dicht mogelijk
bij de bron te komen (heuristiek = studie van de bronnen)
- Schriftelijke stukken
8
, - Niet-geschreven bronnen
o Materiële sporen
o Audiovisuele en digitale sporen
o Mondelinge overlevering
o …
Sommige documenten zijn niet voor publiek toegankelijk, hierdoor lukt het
soms pas achteraf om een volledig beeld te geven over het verleden.
Om op basis van bronnen tot een reconstructie te komen heb je
methodes nodig.
- Kritische omgang met bronnen: => waarde van de bron bepalen
o Externe kritiek: authenticiteit van een bron bepalen (vb. is het
een vervalsing?)
o Interne kritiek: vb. krantencommentaar uit de tijd zelf kan ook
niet correct zijn.
- Beelden: fotoshopping-avant-la-lettre
- Oppassen voor complottheorieën en hoaxes
Reconstructie:
Het is geen passief proces, sommige bronnen zijn ontoereikend
(onvolledig, onbetrouwbaar, eenzijdig, gekleurd…), het is dus de taak van
historici om te selecteren en te interpreteren.
Om een wetenschappelijk correcte tekst te leveren blijft het belangrijk dat
je je eigen visie toelicht, je maakt kenbaar wie je bent en je geeft toe hoe
je te werk bent gegaan.
- Anachronisme: verkeerd in tijd situeren van een gebeurtenis
- Hineininterpretierung /post-factum analyse: interpretaties maken die
voor tijdgenoot niet vanzelfsprekend waren
- Teleologisch-lineaire analyse: interpretaties maken die vooral als
doel hebben een eigentijds standpunt te legitimeren
- Lineair redeneren: alsof de geschiedenis moest lopen zoals het is
gegaan, is niet correct, er konden meerdere dingen gebeuren.
Andere dingen hadden ook werkelijkheid kunnen worden.
Chronologie is de moeder van de geschiedenis! (ook de causaliteit)
Doel van geschiedenis is te begrijpen binnen eigen context, en dat
kader zo goed mogelijk begrijpen
9
, Nut van de geschiedenis? Waarom een historisch
perspectief?
History doesn’t repeat itself – but it rhymes’
Men maakt tegenwoordig veel parallellen met het verleden en de
toekomst, maar men moet ook beseffen dat we kennis uit het verleden
hebben gehaald. Vanuit deze kennis over fouten en successen uit het
verleden, zijn bepaalde keuzes gemaakt.
“How ordinary people lived the big changes” (Charles Tilly)
- Structuren
- Processen
- gebeurtenissen/events
Fernand Braudel – le temps géographiques, le temps sociale et le temps
individuel
Event/ gebeurtenis : grootouders vieren, want ze worden 80 jaar (mogelijk
door de vergrijzing)
le temps sociale: vroeger werd dit niet gedaan, want niemand werd 80 jaar
Les temps individuel als de golfslag van de zee
Les temps sociale = de onderstroom, je ziet het niet vanop het strand, je
voelt het pas als je erin zit (je moet die bestuderen)
Les temps géographique = het zand zelf onder de zee, de
microverschuivingen, op lange termijn veranderen ze (hiervoor moet je
nog langer zoeken en onderzoeken)
The only thing we learn from history is that we learn nothing from history.
Pessimistische visie op de geschiedenis en de menselijkheid; de mens is
gedoemd om keer op keer dezelfde fouten te maken.
De geschiedschrijving laat toe de waan van de dag te overstijgen
Positivistische visie op de geschiedenis: vanuit de diep-contextualiseren
kunnen we zaken beter begrijpen
10
Inhoud
Grafieken en tabellen uit de ppt’s kunnen gevraagd worden: Verklaar!!!....5
Inleidend hoofdstuk 0...................................................................................5
Waarom een historisch perspectief? Hoe gaat een historicus te werk?....5
Het vertrekpunt: de hedendaagse samenleving.......................................5
Is het verleden gelijk aan de geschiedenis?..............................................6
Geschiedenis als academische reflectie?..................................................8
Nut van de geschiedenis? Waarom een historisch perspectief?.............10
0.2. Inhoud en uitgangspunten?.............................................................11
Het tijdskader: het ontstaan van de moderne samenleving...................11
De ruimte: een wereldgeschiedenis van België......................................12
De historische benadering: een verstrengelde geschiedenis..................12
De achtergrond: geschiedenis als SW-discipline.....................................12
Hoofdstuk 1: Demografische ontwikkeling in historisch perspectief..........13
1. De studie van de demografische ontwikkelingen in het verleden.......14
2. Krijtlijnen van de demografische ontwikkeling voor 1750...................17
3. Demografische ontwikkeling tijdens de lange negentiende eeuw......19
4. Van “Babyboom” tot tweede demografische revolutie tijdens de
twintigste eeuw.......................................................................................21
Besluit.....................................................................................................23
H2: Het staatsvormingsproces en de opkomst van de natiestaat..............24
2.1. Van oude naar nieuwe politieke constellaties..................................24
2.2 De politieke ontrafeling van het feodalisme in de Zuidelijke
Nederlanden...........................................................................................27
2.3. Van soevereine vorst naar soevereine natie....................................30
2.4. De opkomst van de Belgische natiestraat.......................................36
2.5. De opkomst van het Vlaams nationalisme – Gastles Bruno De Wever
................................................................................................................39
Union fait la force. Waarom België desondanks uiteengerafeld is..........39
H5: Wereldhandel, kolonialisme en dekolonialisme: de casus Congo........46
5.1. Imperialisme en de ‘verdeling’ van de wereld.................................46
1
, Het koloniaal systeem voor 1800........................................................47
Het modern imperialisme....................................................................49
Oorzaken van het modern imperialisme..............................................51
5.2. België en Congo...............................................................................53
Oorsprong: historisch toeval................................................................53
Congo Vrijstaat (1885-1908)................................................................54
Belgische Congo (1908-1945)..............................................................55
Een modelkolonie? (1945-1960)..........................................................57
H4: Sociale ongelijkheid en sociaal beleid in historisch perspectief..........58
1. Sociale ongelijkheid in een langetermijnperspectief...........................59
Denken over sociale ongelijkheid........................................................59
Sociale ongelijkheid in de preïndustriële periode................................60
Sociale ongelijkheid in de twintigste eeuw..........................................60
Armoede en sociale zorg vanuit een historisch perspectief....................62
Armoede en kwetsbaarheid: begripsbepaling en oorzaken.................63
Sociaal beleid als uitdrukking van ongelijke machtsverhoudingen......64
3. Informele zorgarrangementen in historisch perspectief.....................65
Familie en verwanten...........................................................................66
Solidariteitsmechanismen in de buurt.................................................66
Allerhande vormen van overlevingsstrategieën..................................66
4. Formele zorgverlening in historisch perspectief.................................67
De lokale organisatie van de armenzorg.............................................67
Een groeiende inmenging vanwege de centrale overheden................68
De uitbouw van de welvaartsstaat: geïnstitutionaliseerde solidariteit 69
Besluit.....................................................................................................73
H3: Democratisering en burgerschap........................................................73
Democratisering, burgerschap en de ontwikkeling van een publieke sfeer
................................................................................................................74
De casus België: Van unionisme naar groeiende tegenstellingen...........76
De periode van democratisering.............................................................80
De periode na de tweede wereldoorlog..................................................84
H6: de economische transitie industrialisering en economische groei......86
Inleiding..................................................................................................86
2
, De eerste industrialisering en de impact op economische ontwikkeling
(1780-1860)............................................................................................89
Van tweede industrialiseringsgolf naar “sociale revolutie” (1870-1944) 92
Het interbellum en de naoorlogse periode..............................................98
De periode na 1973..............................................................................101
Besluit...................................................................................................102
H7: Levensstandaard en consumptie in historisch perspectief................103
7.1 Het ‘standard of living debate’ of het onderzoek naar de
levensstandaard tijdens de eerste helft van de negentiende eeuw......103
7.1.1 De sociale impact van de industriële revolutie: een verhit debat
onder historici....................................................................................103
7.1.2 De studie van koopkracht en reële lonen.................................104
7.1.3 Alternatieve meetinstrumenten naast het loon........................108
7.2: Van “sociale revolutie” naar welvaartstaat: de periode 1870-1944
..............................................................................................................113
7.2.2. Een algemene verbetering van de koopkracht vanaf c. 1870. 113
7.2.3. Verschuivingen in verbruik......................................................113
7.3: De welvaartmaatschappij en de naoorlogse “consumptierevolutie”:
besluit...................................................................................................114
7.3.1. De definitieve doorbraak van de consumptiemaatschappij.....114
H8: Mobiliteit en migratie in historisch perspectief..................................116
Inleiding................................................................................................116
8.1 Historisch onderzoek naar migratie................................................117
8.1.1 Onderzoekstradities in migratiegeschiedenis...........................117
8.1.2 Begripsafbakening en enkele gangbare concepten..................118
8.2 Mobiliteit en migratie in de pre-industriële periode........................121
8.3 Mobiliteit en migratie tijden de lange negentiende eeuw...............122
8.3.1 Migratie en urbanisatie.............................................................123
8.3.2 Migratiebeleid: van stadomwalling naar staatsgrens...............124
8.3.3 De overzeese migratie..............................................................125
8.4 Migratie tijdens de 20ste eeuw: Van Emigratie naar immigratie.......127
8.4.1 Mobiliteit en gedwongen migratie tijdens de periode 1914-1945
...........................................................................................................127
8.4.3 Buitenlandse arbeidskrachten in het naoorlogse Europa.........128
3
, ...........................................................................................................128
8.4.4 Van gastarbeid naar migratiestop.............................................129
Besluit...................................................................................................131
H9: Verstedelijking van het landschap.....................................................132
8.1 Verstedelijking als mondiaal proces................................................132
8.2 Uitdagingen? Urban Sprawl als verwaarloosd probleem.................134
8.2.1 Stadsversnippering...................................................................134
8.2.2 Maatschappelijke gevolgen.......................................................135
8.3 Naar een historisch verklaringskader: België als ‘man-made’-
landscape..............................................................................................136
8.3.1 Transportbeleid?.......................................................................137
8.3.2 Beleid inzake grondgebruik en woningbouw.............................139
8.3.3 Stedelijk beleid en ruimtelijke ordening....................................140
Grafieken en tabellen uit de ppt’s kunnen
gevraagd worden: Verklaar!!!
Inleidend hoofdstuk 0
Waarom een historisch perspectief? Hoe gaat een
historicus te werk?
Het vertrekpunt: de hedendaagse samenleving
Sociale wetenschappers willen de hedendaagse samenleving beter
begrijpen. Het heden kan je enkel begrijpen door het verleden te
begrijpen.
4
,Maar de historische dimensie wordt vaak:
- Te weinig rekening mee gehouden
- Onjuist toegeëigende voor andere doeleinden
- Of afgeschilderd als ‘slechter’ of juist ‘beter’ dan vandaag
(modernistische vs. Nostalgische reflex)
Modernistische reflex = het heden en de toekomst zullen beter zijn,
socialisten geloven erin dat de samenleving maakbaar is
Nostalgische reflex = vroeger was alles beter
Historici daarentegen willen gewoon het verleden op zich begrijpen.
Het verleden situeert zich in het heden: in films, in beelden, monumenten,
straten, pleinen, gebouwen, musea, lezingen, herdenkingsboeken,
documentaires, consumptiemaatschappij
Soms botsen deze dingen met eigentijdse gevoelens vb.
monumenten die de kolonisatie verheerlijken
Vb. consumptiemaatschappij : Primus verwijst naar anno 1288, dit is een
leugen, een ‘invented tradition’ om het product interessanter te maken
‘Het verleden verkoopt!’
De laatste tijd is veel meer op het web te vinden, dit maakt dat
geschiedenis binnen handbereik ligt.
Belangrijk om ten alle tijden een kritisch wetenschappelijke attitude
te blijven hebben.
Is het verleden gelijk aan de geschiedenis?
Verleden = is wat het is, het is voltooid
Geschiedenis = wordt voortdurend geschreven en herschreven, gebruikt
en misbruikt, het is de wijze waarop we over het verleden nadenken.
Binnen de geschiedwetenschap zijn er verschillende visies op het
verleden. Geschiedenis is, net zoals de andere wetenschappen, een
wetenschap die verandert. Het is een reflectie op de eigen tijd.
Veelvuldig gebruik/ misbruik van het verleden in historische
toepassingen :
5
, - Verleden om bepaalde, belangrijke herinneringen levend te houden
(vb. een monument om de oorlog te herdenken)
- Verleden gebruiken voor identiteitsopbouw van groepen, bedrijven,
merken…
De doeleinden van het gebruik van de geschiedenis is niet altijd
hetzelfde:
o leerkracht geschiedenis
o vs. Bouwer van een standbeeld (mss bezig met
nationalistische opvattingen)
o vs. De maker van een film (doet het voor het geld, voor het
fotografisch correcte…)
Geschiedenis is selectief, men gaat bepaalde zaken benadrukken en
andere niet. Het toe eigenen van het verleden is dus eigenlijk een
machtsstrijd.
Vb. veel van de geschiedschrijving was kleurenblind: geen aandacht voor
anders gekleurden in de samenleving => het blijft dus belangrijk om
kritisch nr geschiedenis te kijken.
Door het toe-eigenen van het verleden maakt men impliciete
veronderstellingen op basis van het eigen leven, hierin zitten verwijzingen
naar het verleden, maar gekeken vanuit een eigen bril.
Dit probleem kan je bekijken vanuit een politiek-ideologische-sociologische
bril:
Vb. BDW (NVA) en Moureaux (PS = partij sociale), ze hebben beide
geschiedenis gestudeerd aan de UA, maar BDW heeft een meer
nostalgische blik. Je moet oppassen als politici geschiedenis en het heden
een-op-een gebruikt om dingen te verklaren. Het is belangrijk om het
standpunt van de politici ook mee in rekening te brengen.
Ook de Vlaamse overheid heeft bepaalde gebeurtenissen uit het verleden
naar hun hand gezet: Vele politici linken WOI aan de Vlaamse
identiteitsstrijd. Het klopt dat WOI een katalysator was in de Vlaamse
identiteitsvorming, maar om de oorlog te claimen als zijnde ‘Vlaams’ gaat
te ver voor vele historici. de soldaten voelden zich ‘Belg’ en vochten
ook voor het land België, niet voor enkel Vlaanderen.
Invented tradition: bv. De Vlaamse feestdag was eigenlijk een feodale,
klassenstrijd, maar men heeft van de datum van het conflict de datum van
de Nationale feestdag gemaakt.
6
,Bepaalde ideologische doeleinden kunnen verdrongen worden door andere
ideologische doeleinden: zo kan een standbeeld gemaakt worden om
iemand te eren en later gezien worden als een foute gebeurtenis.
De vraag “Hoe kijk je naar het verleden en de toekomst?”: splitst zich uit
in verschillen, afhankelijk van je religie, studieniveau…
Positief tegenover de toekomst:
- landen waarin sterke economische ontwikkeling is
- hoge graad van geleerdheid: je bent meer rationeel en afwegend,
men ziet meer kansen in de toekomst voor zichzelf
- religieuze mensen vb. geloof in het hiernamaals
- jonge mensen: weg van de speelplaats, op naar het echte leven, de
toekomst
slogans van politici: Make America great AGAIN! = verwijzing naar het
verleden (nostalgisch)
Geschiedenis kan ook gezien worden als radicalisering: Trump laat
bijvoorbeeld niet toe dat er les wordt gegeven over the civil right
movement, hij maakt de geschiedenislessen minder genuanceerd.
Hetzelfde geldt bij scholen die niet mogen vertellen over de evolutie
volgend Darwin.
Geschiedenis als academische reflectie?
Wat is de universitaire historicus? Hoe wordt er letterlijk geschiedenis
geschreven?
Een kritische omgang met de sociale werkelijkheid is nodig. Neem
nooit zomaar iets aan!
Het is heel belangrijk om in te zien dat het gaat over de studie, je moet
zelf opzoek gaan naar bronnen, niet zomaar papegaaien van wat er al is
geschreven. Je moet zelf op zoek gaan in naar informatie (heuristiek).
Geschiedenis is geen passieve studie.
Geschiedmethode in drie stappen:
- Fase van de heuristiek
- Fase van de historisch-kritische onderzoeksmethodes
- Fase van de constructie
7
,Belangrijke fout: Feit ≠ historische reconstructie ≠ fictie
Hierbij loopt het vaak al fout: mensen zien films over de oorlog en
denken dat het echt zo is gegaan.
Historicus (re)construeert een verleden gebeurtenis of feit: men spreekt
liever over fase van constructie dan over de ‘reconstructie’, want het is
nooit echt helemaal zoals het was.
- aan de hand van origineel bronnenmateriaal en bestaande
wetenschappelijke literatuur (voetnoten!)
- volgens een wetenschappelijk, kritische onderzoeksmethode:
plausabiliteit/waarschijnlijkheid staat centraal
- in een narratief (verhaal): beschrijving, zoeken naar betekenis,
samenhang, oorzakelijkheid, verklaring, …
- Vijf W-vragen:
o Wat?
o Wanneer? De chronologie is de basis van de geschiedenis.
Oorzaak en gevolg moet juist gesitueerd kunnen worden.
o Waar?
o Wie?
o Waarom?
Bronnen:
Bron = getuigenis uit het verleden, idealiter proberen we zo dicht mogelijk
bij de bron te komen (heuristiek = studie van de bronnen)
- Schriftelijke stukken
8
, - Niet-geschreven bronnen
o Materiële sporen
o Audiovisuele en digitale sporen
o Mondelinge overlevering
o …
Sommige documenten zijn niet voor publiek toegankelijk, hierdoor lukt het
soms pas achteraf om een volledig beeld te geven over het verleden.
Om op basis van bronnen tot een reconstructie te komen heb je
methodes nodig.
- Kritische omgang met bronnen: => waarde van de bron bepalen
o Externe kritiek: authenticiteit van een bron bepalen (vb. is het
een vervalsing?)
o Interne kritiek: vb. krantencommentaar uit de tijd zelf kan ook
niet correct zijn.
- Beelden: fotoshopping-avant-la-lettre
- Oppassen voor complottheorieën en hoaxes
Reconstructie:
Het is geen passief proces, sommige bronnen zijn ontoereikend
(onvolledig, onbetrouwbaar, eenzijdig, gekleurd…), het is dus de taak van
historici om te selecteren en te interpreteren.
Om een wetenschappelijk correcte tekst te leveren blijft het belangrijk dat
je je eigen visie toelicht, je maakt kenbaar wie je bent en je geeft toe hoe
je te werk bent gegaan.
- Anachronisme: verkeerd in tijd situeren van een gebeurtenis
- Hineininterpretierung /post-factum analyse: interpretaties maken die
voor tijdgenoot niet vanzelfsprekend waren
- Teleologisch-lineaire analyse: interpretaties maken die vooral als
doel hebben een eigentijds standpunt te legitimeren
- Lineair redeneren: alsof de geschiedenis moest lopen zoals het is
gegaan, is niet correct, er konden meerdere dingen gebeuren.
Andere dingen hadden ook werkelijkheid kunnen worden.
Chronologie is de moeder van de geschiedenis! (ook de causaliteit)
Doel van geschiedenis is te begrijpen binnen eigen context, en dat
kader zo goed mogelijk begrijpen
9
, Nut van de geschiedenis? Waarom een historisch
perspectief?
History doesn’t repeat itself – but it rhymes’
Men maakt tegenwoordig veel parallellen met het verleden en de
toekomst, maar men moet ook beseffen dat we kennis uit het verleden
hebben gehaald. Vanuit deze kennis over fouten en successen uit het
verleden, zijn bepaalde keuzes gemaakt.
“How ordinary people lived the big changes” (Charles Tilly)
- Structuren
- Processen
- gebeurtenissen/events
Fernand Braudel – le temps géographiques, le temps sociale et le temps
individuel
Event/ gebeurtenis : grootouders vieren, want ze worden 80 jaar (mogelijk
door de vergrijzing)
le temps sociale: vroeger werd dit niet gedaan, want niemand werd 80 jaar
Les temps individuel als de golfslag van de zee
Les temps sociale = de onderstroom, je ziet het niet vanop het strand, je
voelt het pas als je erin zit (je moet die bestuderen)
Les temps géographique = het zand zelf onder de zee, de
microverschuivingen, op lange termijn veranderen ze (hiervoor moet je
nog langer zoeken en onderzoeken)
The only thing we learn from history is that we learn nothing from history.
Pessimistische visie op de geschiedenis en de menselijkheid; de mens is
gedoemd om keer op keer dezelfde fouten te maken.
De geschiedschrijving laat toe de waan van de dag te overstijgen
Positivistische visie op de geschiedenis: vanuit de diep-contextualiseren
kunnen we zaken beter begrijpen
10