• Mauvais document ? Échangez-le gratuitement
  • Rédigé par des étudiants ayant réussi
  • Disponible immédiatement après paiement
  • Lire en ligne ou en PDF
Vendre
Où étudie-tu ?
La langue
Document preview thumbnail
Aperçu 4 sur 222 pages
Resume

Volledige samenvatting formeel strafrecht alle problemen en hoorcolleges en alle jurisprudentie en veel toepassingsopdrachten en stappenplannen (9 gehaald!)

Document preview thumbnail
Aperçu 4 sur 222 pages

Deze samenvatting is uitgebreid en bevat alle stof die je moet weten voor dit tentamen. Probleem 1-8 is volledig uitgewerkt (met de bijbehorende jurisprudentie) en alle hoorcolleges (met de bijbehorende jurisprudentie) ook. Ook zijn veel toepassingsopdrachten en stappenplannen toegevoegd die je zowel helpen bij eventuele onderwijsgroepen als bij het leren voor het tentamen. De stof is echt volledig, je hoeft eigenlijk niet meer in je boeken te kijken en hoorcolleges missen kan ook. Ik had voor dit vak een 9, dus dit is echt een aanrader! Ik doe zelf de studie criminologie maar criminologie en rechten volgen gezamenlijk dit zelfde vak dus deze samenvatting is voor beide studies geschikt!

Aperçu du contenu

Samenvatting Formeel strafrecht

Probleem 1 – Opsporing & verdachte
Leerdoelen:

1. Wat is opsporing/opsporingsonderzoek, wie is/zijn daarmee belast en waarom kennen we een
dergelijke wettelijke taaktoedeling?

2. Wanneer begint en eindigt opsporing?

3. Wanneer kan iemand als verdachte worden aangeduid en wat zijn de rechten van de verdachte tijdens
de opsporing (dit ld is grotendeels herhaling van Inleiding Strafrecht)

Leerdoel 1: Wat is opsporing/opsporingsonderzoek, wie is/zijn
daarmee belast en waarom kennen we een dergelijke wettelijke
taaktoedeling?
B.F. Keulen & G. Knigge, Ons Strafrecht 2 Strafprocesrecht: Hoofdstuk 9 + 2.6.2; 6.1-6.3; 7.1-7.3
H9 Het vooronderzoek

Voorbereidend onderzoek: het onderzoek hetwelk aan de behandeling ter terechtzitting voorafgaat
 art. 132 Sv. Het bestaat uit twee typen onderzoek: opsporingsonderzoek en verkennend
onderzoek. Het voorbereidend onderzoek eindigt bij aanvang behandeling ter terechtzitting,
alhoewel er daarna wel aanvullend onderzoek kan worden gedaan.
Tot het vooronderzoek wordt alle onderzoek gerekend dat voorafgaat aan de beslissing van de OvJ
met betrekking tot de wijze van afdoening van de zaak en de eventueel daaropvolgende zitting. Een
precieze afbakening van het vooronderzoek is niet nodig, behalve bij bestuurlijke sanctionering.
Toezicht is gericht op bestuurlijk ingrijpen, het vooronderzoek is gericht op strafrechtelijke
sanctionering.
Het vooronderzoek kent een brede definitie. Het hoeft niet alleen het onderzoek voorafgaand aan het
onderzoek ter terechtzitting te betekenen, maar kan ook doelen op het afzien van vervolging of dat
een begonnen vervolging niet wordt voortgezet.

Ontwikkelingen in de strafrechtspleging:

- Verschuiving in de verhouding tussen vooronderzoek en eindonderzoek op de zitting.
Tegenwoordig is het uitgangspunt dat de zaak in het vooronderzoek zo veel mogelijk tot
klaarheid moet worden gebracht.
- Gerechtelijk vooronderzoek werd afgeschaft (In Nederland is het gerechtelijk vooronderzoek (GVO) een
formeel strafrechtelijk onderzoek onder leiding van een rechter-commissaris. Dit werd in 2013 grotendeels
afgeschaft en vervangen door het gerechtelijk bevel tot onderzoek, waarbij het Openbaar Ministerie (OM) meer
regie heeft over het opsporingsonderzoek).
- De verbreding van de taak van de opsporingsambtenaar.
- De hoge vlucht die de buitengerechtelijke afdoening heeft genomen.

9.2 De opsporing: taken en verantwoordelijkheden
Wettelijke taaktoedeling
Art. 1 Sv: legaliteitsbeginsel. Strafvordering heeft alleen plaats op de wijze bij de wet voorzien. Dat
algemene beginsel brengt mee dat alle overheidsoptreden dat belastend is voor burgers, direct of
indirect dient te berusten op een wet in formele zin.

Wanneer is er sprake van toereikende grondslag in de wet?

, - Als de wet aanwijst welke personen of instanties met de opsporing zijn belast. Als in de wet is
vastgesteld welke personen mogen opsporen, kunnen (opleiding)eisen worden geformuleerd
waaraan die personen moeten voldoen. Ook kan dan worden geregeld wie voor de
activiteiten van deze opsporingsambtenaren verantwoordelijk is, wie daarover het gezag
uitoefent.


Opsporingsactiviteiten die door of vanwege de overheid worden ondernomen zijn belastend voor
burgers op wie de activiteiten betrekking hebben omdat:
1. Bij opsporing vaak gebruik wordt gemaakt van dwangmiddelen die ingrijpen in de
rechten van burgers (zoals afluistering, doorzoeking en inbeslagneming). Verder kunnen
verdachten ook van vrijheid worden beroofd.
2. Het verzamelen en registreren van gegevens is privacygevoelig.
3. Doel van het onderzoek: Strafrechtelijke sanctionering van wetsovertredingen. Een
onderzoek heeft dus verstrekkende gevolgen voor een burger.

Legaliteitsbeginsel  de opsporing die door of vanwege de overheid wordt verricht om de strafwet te
handhaven, moet steeds berusten op een wet in formele zin (besluit van de regering en de Staten-
Generaal gezamenlijk), dus ook als de opsporingsmethoden zelf geen inbreuk maken op de
(grond)rechten van de burger.

Personen met opsporing belast
Opsporingsonderzoek in Boek II Titel I.
Art. 141 Sv ‘gewoon opsporingsambtenaar’ en art. 142 Sv ‘buitengewoon opsporingsambtenaar’.
- Art. 141 Sv: ‘gewone opsporingsambtenaren’.
o Algemene opsporingstaak (dus niet beperkt tot bepaalde categorieën strafbare
feiten). De politie mag dus alle delicten opsporen, ongeacht of zij strafbaar zijn
gesteld in het Wetboek van Strafrecht of in een bijzondere wet of verordening.
- Art. 142 Sv: ‘buitengewone opsporingsambtenaren’.
o Kunnen hun opsporingsbevoegdheid ontlenen aan een bijzondere wet (lid 1 sub c),
maar ook aan een akte van opsporing die hun is verleend.
o Beperkt tot bepaalde strafbare feiten.
o Ten aanzien van de buitengewoon opsporingsambtenaar ontbreekt organisatorische
wetgeving. Art. 142 bedoelt die leemte enigszins te compenseren.
- De taak van buitengewone opsporingsambtenaren is als regel beperkt tot bepaalde
strafbare feiten. Hierop kunnen wel uitzonderingen op bestaan (lid 2).

 Belangrijk verschil hiertussen: opsporingstaak van gewone opsporingsambtenaar is ‘algemeen’,
dus niet beperkt tot bepaalde categorieën strafbare feiten. Taak van buitengewoon
opsporingsambtenaren is wel beperkt tot bepaalde strafbare feiten

o Art. 142 lid 1 sub c Sv over personen die krachtens bijzondere wetten bevoegdheid hebben: ‘de
opsporing van de daarin bedoelde strafbare feiten’ en ‘voor zover het die feiten betreft’
o Art. 142 lid 2 Sv over opsporingsbevoegdheid door akte alleen ‘de in de akte of aanwijzing
aangeduide strafbare feiten’
o OvJ kan door art. 142 lid 3 Sv de beperkte opsporingsbevoegdheid van art. 142 lid 1 sub c Sv
uitbreiden

 Ander verschil: voor de gewone opsporingsambtenaren is in de wet voorzien in gezag,

2

,toezicht, benoemingsvereisten, etc. Bij buitengewone opsporingsambtenaren mist deze
organisatorische wetgeving. Art. 142 Sv probeert dit gat een beetje te compenseren. Als
overheid opsporing zou mogen opdragen aan andere personen dan die uit art. 141 en 142 Sv,
kunnen de waarborgen die in de wet staan (zoals toezicht, bekwaamheid, etc.) makkelijk worden
omzeild.

Art. 127 Sv definieert opsporingsambtenaren als ‘alle personen met de opsporing van het strafbare
feit belast’ dus zowel gewone als buitengewone opsporingsambtenaren worden in Sv
opsporingsambtenaar genoemd.

Leiding en verantwoordelijkheid
Art. 132a Sv: opsporing is onder gezag OvJ. OvJ neemt centrale plaats in de regeling van het
opsporingsonderzoek  in opsomming art. 141 Sv wordt OvJ als eerste genoemd.

Art. 148 Sv omschrijft opsporingstaak OvJ nader. Vooral art. 148 lid 2 Sv  namelijk het geven van
bevelen aan de overige personen die met opsporing zijn belast. OvJ heeft zeggenschap en is daardoor
ook verantwoordelijk voor alle opsporingsactiviteiten.

Redenen waarom OvJ met leiding van opsporingsonderzoek is belast:
1. Het bewaken van de juridische kwaliteit van het onderzoek.
2. Opsporingsbeleid moet worden afgestemd op vervolgingsbeleid  uiteindelijk OvJ
die bepaalt waar prioriteiten liggen, dus van welke feiten wel of geen werk wordt gemaakt.
Daarnaast krijgt het gezag van de OvJ op dit punt gestalte d.m.v. algemene aanwijzingen en
afspraken (convenanten).
3. Bewaken van de rechtmatigheid of de rechtsstatelijkheid van het
opsporingsonderzoek  OvJ moet erop toezien dat opsporingsambtenaar niet buiten zijn
boekje gaat. Deze waarborgfunctie heeft nadere uitwerking in regeling van de
dwangmiddelen en bijzondere opsporingsbevoegdheden  bijv. art. 54 lid 1 Sv: politie mag
verdachten bij buiten heterdaad in beginsel alleen aanhouden op grond van arrestatiebevel
OvJ.
OvJ is deel van OM. De officier van justitie maakt als lid van het OM deel uit van een hiërarchische
organisatie, die is geregeld in de RO. Boven OvJ staat hoofdofficier die bevoegd is tot het geven van
algemene en bijzondere aanwijzingen (art. 136 lid 3 RO). Hoofd van het OM is het College van
procureurs-generaal, die ook algemene en bijzondere aanwijzingen kan geven (art. 130 RO). Deze
bevoegdheid van het college staat ook in art. 140 Sv maar dan in de vorm van een opdracht: ‘richtige
opsporing’ ("Richtige opsporing" betekent dat opsporingsinstanties hun taken op een juiste,
doelmatige en rechtmatige manier uitvoeren). Omdat de OvJ deel uitmaakt van een hiërarchisch
georganiseerde landelijke organisatie compenseert het enigszins voor de versnipperde organisatie
van opsporing enige eenheid in de opsporing via OM.
Het gezag van de officier van justitie over de opsporing is ook in de Politiewet 2012 vastgelegd (art. 3
jo art. 11 e.v. Politiewet). Art. 3 Politiewet 2012 geeft taak van de politie. Uitwerking van
‘ondergeschiktheid aan het bevoegde gezag’ in art. 11 e.v. Politiewet 2012. In die artikelen wordt
onderscheid gemaakt naar de verschillende componenten van de politietaak. De ‘daadwerkelijke
handhaving van de rechtsorde’ wordt gesplitst in:
- De ‘handhaving van de openbare orde’  art. 11 Politiewet 2012: politie staat hierbij onder
gezag van de burgemeester
- De ‘strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde’  art. 12 lid 1 Politiewet 2012: politie
staat hierbij onder gezag van OvJ
o Hieronder valt ook opsporing strafbare feiten  dubbele verankering gezag OvJ voor


3

, opsporing (Sv én Politiewet 2012)

Inschakeling van burgers
Ook inschakeling van particulieren moet op een wettelijke regel berusten. Bijv. art. 53 Sv (aanhouding
bij heterdaad)  ‘ieder’, dus ook gewone burger. En art. 142 Sv ‘personen’ (buitengewone
opsporingsambtenaren). Ook kan een burger in uitzonderlijke gevallen optreden als infiltrant in een
criminele organisatie (art. 126w en 126x Sv).

9.3 Afbakening van de opsporingstaak (opsporingsbegrip)
Vijf typen opsporingsonderzoek (opsporing  132a Sv)
1. De klassieke opsporing: type opsporing dat wetgever aanvankelijk voor ogen heeft
gestaan. Uitgangspunt van het onderzoek is hier een vermoedelijk gepleegd strafbaar feit. Er
wordt bijvoorbeeld aangifte gedaan van inbraak of er wordt een lijk aangetroffen waarbij
alles wijst op een gewelddadige dood. Het onderzoek van de politie is er dan op gericht om
dat vermoedelijk gepleegde feit op te helderen. Het onderzoek gaat dus juist om de
verdachte te vinden. Kenmerkend hierbij is:
a. Dat het plaats vindt naar aanleiding van een vermoedelijk gepleegd strafbaar
feit
b. Dat het gericht is op de opheldering van dat feit
Ander bijkomend doel: mogelijk maken van executie van eventueel op te leggen sancties
(bijv. voorkomen dat verdachte vlucht).
2. De repressieve controle: zoeken naar mogelijk gepleegde strafbare feiten.
- Kenmerkende verschil met klassiek is dat er nog geen sprake is van een redelijk vermoeden
dat een sf is gepleegd  bvb alcoholverkeerscontrole.
- Belangrijk kenmerk repressieve controle: is gericht op de strafrechtelijke handhaving van de
wet. Doel onderzoek is evt. vervolging en berechting van de ‘opgespoorde’ feiten  daarom
moet repressieve controle ook tot opsporing worden gerekend.
- Hierbij ook verschil met de preventieve controle, die niet onder opsporing valt: die gaat om
toezicht dat geheel bestuursrechtelijk van aard is. Doel daarvan is primair het voorkomen van
verdere wetsovertredingen door het geven van voorlichting, adviezen en waarschuwingen.
Daarnaast kan het doel van bestuursrechtelijke toezicht zijn het zo nodig opleggen van
bestuursrechtelijke sancties.
3. De proactieve opsporing: gaat om opsporing van toekomstige feiten, maar in praktijk
gaat het vooral om personen die ervan verdacht worden zich bezig te houden met ernstige
criminaliteit.
- Klassieke opsporing is juist reactief  reageert op strafbare feiten die al gepleegd zijn.
Verschil tussen klassiek en proactief: bij proactief is onderzoek niet alleen gericht op
opheldering van de reeds gepleegde feiten. Om het ‘harde’ bewijs te leveren dat een
bepaalde groepering zich met drugshandel bezighoudt, moeten de bendeleden liefst op
heterdaad worden betrapt  onderzoek concentreert zich op een sf dat in de toekomst zal
worden gepleegd. Werkelijke verschil met klassiek is dus vooral het doel van het onderzoek.
In praktijk lopen de twee door elkaar.
4. Het inlichtingenwerk: Van elk politiekorps (organisatie van politieagenten die samen
werken in een bepaald gebied om de wet te handhaven en de orde te bewaken) maakt een
Criminele Inlichtingen Eenheid (CIE) deel uit. De kern van het werk van die CIE bestaat uit het
‘runnen’ (begeleiden, aansturen en beschermen) van informanten. Dit zijn voor merendeel
verklikkers uit het criminele milieu zelf. Door geheimhouding van de informanten is info van
de CIE geen bruikbaar bewijsmateriaal, maar kan wel aanleiding geven om een
opsporingsonderzoek in te stellen.


4

Table des matières

  1. 01 Probleem 1 – Opsporing & verdachte 1
    1. 1. Wat is opsporing/opsporingsonderzoek, wie is/zijn daarmee belast en waarom kennen we een dergelijke wettelijke taaktoedeling? 1
    2. 2. Wanneer begint en eindigt opsporing? 1
    3. 3. Wanneer kan iemand als verdachte worden aangeduid en wat zijn de rechten van de verdachte tijdens de opsporing (dit ld is grotendeels herhaling van Inleiding Strafrecht) 1
    4. Leerdoel 1: Wat is opsporing/opsporingsonderzoek, wie is/zijn daarmee belast en waarom kennen we een dergelijke wettelijke taaktoedeling? B.F. Keulen & G. Knigge, Ons Strafrecht 2 Strafprocesrecht: Hoofdstuk 9 + 2.6.2; 6.1-6.3; 7.1-7.3 1
    5. Leerdoel 2: Wanneer begint en eindigt opsporing? 12
    6. Leerdoel 3: Wanneer kan iemand als verdachte worden aangeduid en wat zijn de rechten van de verdachte tijdens de opsporing (dit ld is grotendeels herhaling van Inleiding Strafrecht) 13
  2. 02 Probleem 2 – Raadsman, woning & telefoon 16
    1. 1. Is bijstand door een raadsman voorafgaand aan de zitting in eerste aanleg verplicht en wat is de taak en positie van de raadsman voorafgaand aan het onderzoek ter terechtzitting overeenkomstig het Nederlandse strafprocesrecht? 17
    2. 2. Wanneer mag je een woning betreden en wat voor type bevoegdheid is dit? 17
    3. 3. Wanneer mag je een woning doorzoeken en wat voor type bevoegdheid is dit? 17
    4. 4. Mag een telefoon in beslag worden genomen en worden doorzocht? 17
    5. Leerdoel 1: Is bijstand door een raadsman voorafgaand aan de zitting in eerste aanleg verplicht en wat is de taak en positie van de raadsman voorafgaand aan het onderzoek ter terechtzitting overeenkomstig het Nederlandse strafprocesrecht? B.F. Keulen & G. Knigge, Ons Strafrecht 2 Strafprocesrecht, Hoofdstuk 7.4-7.6.1; 10 17
    6. Leerdoel 2: Wanneer mag je een woning betreden en wat voor type bevoegdheid is dit? B.F. Keulen & G. Knigge, Ons Strafrecht 2 Strafprocesrecht, Hoofdstuk 7.4-7.6.1; 10 22
    7. Leerdoel 3: Wanneer mag je een woning doorzoeken en wat voor type bevoegdheid is dit? B.F. Keulen & G. Knigge, Ons Strafrecht 2 Strafprocesrecht, Hoofdstuk 7.4-7.6.1; 10 23
    8. Leerdoel 4: Mag een telefoon in beslag worden genomen en worden doorzocht? B.F. Keulen & G. Knigge, Ons Strafrecht 2 Strafprocesrecht, Hoofdstuk 7.4-7.6.1; 10 24
  3. 03 Probleem 3 – Vervolging 30
    1. 1. Wat is vervolging en welke rechtsbescherming biedt het strafprocesrecht de verdachte en rechtstreeks belanghebbende rond de verschillende vervolgingsbeslissingen? 30
    2. 2. Wat is een strafbeschikking en wanneer kan die worden uitgevaardigd? 30
    3. 3. Van welke rechten moet de verdachte op de hoogte worden gesteld voorafgaand aan het onderzoek ter terechtzitting, hoe gaat dat in zijn werk en welke rechten kan hij voorafgaand aan de zitting uitoefenen? 30
    4. 4. Mag correspondentie tussen raadsman en cliënt in beslag worden genomen en onderdeel uit (gaan) maken van het dossier? 30
    5. Leerdoel 1: Wat is vervolging en welke rechtsbescherming biedt het strafprocesrecht de verdachte en rechtstreeks belanghebbende rond de verschillende vervolgingsbeslissingen? B.F. Keulen & G. Knigge, Ons Strafrecht 2 Strafprocesrecht, Hoofdstuk 5.4; 7.7; 6.4-6.10, 10.5, 12; 13.6 30
    6. Leerdoel 2: Wat is een strafbeschikking en wanneer kan die worden uitgevaardigd? B.F. Keulen & G. Knigge, Ons Strafrecht 2 Strafprocesrecht, Hoofdstuk 5.4; 7.7; 6.4-6.10, 10.5, 12; 13.6 36
    7. Leerdoel 3: Van welke rechten moet de verdachte op de hoogte worden gesteld voorafgaand aan het onderzoek ter terechtzitting, hoe gaat dat in zijn werk en welke rechten kan hij voorafgaand aan de zitting uitoefenen? B.F. Keulen & G. Knigge, Ons Strafrecht 2 Strafprocesrecht, Hoofdstuk 5.4; 7.7; 6.4-6.10, 10.5, 12; 13.6 39
    8. F.A.J. Koopmans, Het beslissingsmodel van 348/350 Sv, hoofdstuk 2 43
    9. Arrest Overzicht getuigen (HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441 m.nt. Borgers) 47
    10. Leerdoel 4: Mag correspondentie tussen raadsman en cliënt in beslag worden genomen en onderdeel uit (gaan) maken van het dossier? L. Stevens & M. Galic, 'Bescherming van het professionele verschoningsrecht in geval van doorzoeking van een smartphone: het EHRM eist een concrete basis en een praktische procedurele regeling in het recht', AA 2021/0845 49
  4. 04 Probleem 4 – Onderzoek ter terechtzitting 53
    1. 1. Hoe wordt het onderzoek ter terechtzitting genormeerd? 53
    2. 2. Is verschijning en verdediging in eerste aanleg verplicht en wat is de taak en positie van de raadsman op het onderzoek ter terechtzitting volgens het Nederlandse strafprocesrecht? 53
    3. 3. Op welke manier worden door de rechter getuigen en deskundigen geselecteerd en waarvoor kunnen zij worden gehoord? 53
    4. 4. Waarom heeft het slachtoffer ook een rol tijdens het onderzoek ter terechtzitting en wat houdt die rol precies in? 53
    5. Leerdoel 1: Hoe wordt het onderzoek ter terechtzitting genormeerd? B.F. Keulen & G. Knigge, Ons Strafrecht 2 Strafprocesrecht, Hoofdstuk 7.4-7.7, 8, 13.1-13.4 en 13.6-13.8 53
    6. Leerdoel 2: Is verschijning en verdediging in eerste aanleg verplicht en wat is de taak en positie van de raadsman op het onderzoek ter terechtzitting volgens het Nederlandse strafprocesrecht? B.F. Keulen & G. Knigge, Ons Strafrecht 2 Strafprocesrecht, Hoofdstuk 7.4-7.7, 8, 13.1-13.4 en 13.6-13.8 54
    7. Leerdoel 3: Op welke manier worden door de rechter getuigen en deskundigen geselecteerd en waarvoor kunnen zij worden gehoord? B.F. Keulen & G. Knigge, Ons Strafrecht 2 Strafprocesrecht, Hoofdstuk 7.4-7.7, 8, 13.1-13.4 en 13.6-13.8 13.6 De selectie van getuigen 58
    8. Nadat de verdachte is ondervraagd, stelt de voorzitter vast welke personen als getuige ter terechtzitting zijn verschenen ex art. 287 lid 1 Sv. De officier van justitie is bevoegd om getuigen schriftelijk ter terechtzitting te doen oproepen ex art. 260 Sv. De verdachte kan getuigen in persoon opgeven, op het parket van de officier van justitie, of schriftelijk ex art. 263 lid 3 Sv. Ook de voorzitter kan de officier van justitie bevelen om getuigen en deskundigen ter terechtzitting te doen oproepen ex art. 263 lid 4 Sv en hij kan ze hiertoe zelfs verplichten ex art. 258 lid 2 Sv. De officier van justitie mag getuigenoproepen van de rechtbank en de verdachte weigeren ex art. 264 lid 1 en 2 Sv. De weigering is echter niet meer dan een voorlopig oordeel nu de rechter beslist over het al dan niet oproepen van getuigen ex artt. 287 en 288 Sv. 58
    9. Het komt dikwijls voor dat de rechtbank een verzoek om getuigen op te roepen, toewijst in de vorm van horen door de rechter-commissaris ex art. 316 lid 2 Sv. Strikt genomen wordt het verzoek om getuigen voor de zitting op te roepen dan niet gehonoreerd. Dat is doorgaans gebaseerd op de instemming van de procespartijen. 58
    10. De verdachte en zijn raadsman kunnen de rechtbank verzoeken om toepassing van de bevoegdheid in art. 315 Sv (noodzakelijk verhoor nieuwe getuigen) t.a.v. bevel tot medebrenging ex art. 328 en 331 Sv. Een verzoek om het horen van getuigen dat voor het eerst ter terechtzitting wordt gedaan, wordt daarentegen alleen ingewilligd als de rechtbank het verhoor noodzakelijk vindt. 58
    11. 13.7 De selectie van deskundigen, schriftelijke bescheiden en andere informatiebronnen 58
    12. Alle bepalingen t.a.v. getuigen zijn in beginsel ook van toepassing op deskundigen en hun verklaringen ex art. 299 Sv. Indien tijdens het onderzoek ter terechtzitting de noodzakelijkheid blijkt van het verhoor van op de terechtzitting nog niet gehoorde deskundigen, beveelt de rechtbank hun schriftelijke oproeping ex art. 315 Sv. Deze regels gelden echter enkel voor het oproepen en horen ter terechtzitting van deskundigen. Dikwijls zal de rechter meer behoefte hebben aan een opgesteld deskundigenverslag dan aan een deskundigenverhoor tijdens de terechtzitting. Dat kan de rechter realiseren via art. 316 Sv. 58
    13. 13.8 Het horen van getuigen en deskundigen 58
    14. De voorzitter bepaalt in welke volgorde hij de verschenen getuigen, deskundigen en het slachtoffer of de nabestaande zal verhoren ex art. 288a Sv; vgl. ook art. 289 lid 4 Sv. Getuigen zullen één voor één worden gehoord waarna zij de zittingszaal moeten verlaten om elkaars verklaringen niet te kunnen beïnvloeden ex art. 289 lid 1 en 3 Sv. 58
    15. De rechter wil van getuigen horen wat zij zelf hebben waargenomen en ondervonden ex art. 291 Sv. Voordat de getuige wordt verhoord, moet hij de eed of belofte afleggen ex art. 290 lid 4 Sv. Indien onvoldoende duidelijk wordt of een getuige heeft kunnen waarnemen wat hij stelt te hebben waargenomen, kan nader onderzoek soms een uitkomst bieden. Vb. zijn een schouw (Een schouw is hier een onderzoek ter plaatse van het incident door de rechter of andere betrokkenen om te beoordelen of wat een getuige of partij heeft verklaard, overeenkomt met de situatie op de locatie van het incident) of gehoortest. 58
    16. Als de terechtzitting plaatsvindt, is het gewoonlijk al lang geleden dat het strafbare feit heeft plaatsgevonden. De herinnering aan het gebeurde kan vervagen en zelfs veranderen. Het accent zal in veel gevallen vooral liggen op vragen over eerdere verklaringen die de getuige heeft afgelegd, en mogelijke tegenstrijdigheden daarin. 59
    17. Net als bij de verdachte stelt de voorzitter ook bij de getuige zijn identiteit vast ex art. 290 lid 1 Sv zo nodig d.m.v. een identiteitsbewijs ex art. 27a lid 1 Sv. 59
    18. Getuigen met een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van geestvermogens of getuigen die de leeftijd van zestien jaren nog niet hebben bereikt worden niet beëdigd maar aangemaand (Aangemaand betekent dat de getuige gewaarschuwd wordt om de waarheid te vertellen. Het is een formele oproep om eerlijk en volledig te antwoorden, zonder een officiële beëdiging) de gehele waarheid en niets anders dan de waarheid te zeggen ex art. 290 lid 4 jo. 216a lid 2 Sv. 59
    19. Net als bij de verdachte, verhoort in beginsel eerst de voorzitter, dan de andere rechters en de officier van justitie waarna de verdachte en diens raadsman ex art. 331 Sv vragen kunnen stellen ex art. 292 Sv. 59
    20. De getuige is, behoudens in het geval de voorzitter dat belet (=tegenhouden/verhinderen), in beginsel verplicht op een gestelde vraag te beantwoorden ex art. 294 lid 1 Sv. Daarop bestaat echter een uitzondering in het geval de getuige een verschoningsgerechtigde is ex art. 217 jo. 218 jo. 219 jo. 290 lid 5 Sv. 59
    21. Als de getuige buiten deze gevallen weigert een gestelde vraag te beantwoorden, of weigert om de gevorderde eed of belofte af te leggen, beveelt de rechtbank, indien dit voor het onderzoek dringend noodzakelijk is, dat de getuige in gijzeling zal worden gesteld ex art. 294 lid 1 Sv. Het bevel tot gijzeling is niet langer dan dertig dagen geldig. Tegen het bevel staat geen rechtsmiddel open ex art. 294 lid 3 Sv. 59
    22. Indien een getuige ervan verdacht wordt zich op de terechtzitting aan het misdrijf meineed schuldig te hebben gemaakt, kan de rechtbank dienaangaande onderzoek bevelen ex art. 295 Sv. 59
    23. Na het afleggen van zijn getuigenverklaring blijft de getuige doorgaans in de zittingszaal ex art. 296 lid 1 Sv. De voorzitter kan echter vertrek bevelen ex art. 297 lid 2 Sv. 59
    24. Art. 51m lid 2 Sv bepaalt dat de deskundige bij zijn verhoor op de terechtzitting wordt beëdigd dat hij naar waarheid en zijn geweten zal verklaren. Van de deskundige wordt verwacht dat hij vertelt over wat zijn wetenschap en kennis hem leren omtrent datgene wat aan zijn oordeel onderworpen is. De artt. 343 en 344 Sv bepalen dat expliciet t.a.v. verklaringen van deskundigen die als bewijsmiddel worden gebruikt. Verklaringen kunnen echter ook voor strafoplegging van belang zijn. Expliciet vereist is in art. 51l Sv dat de verslagen van deskundigen met redenen zijn omkleed. Gijzeling van deskundigen is niet toegestaan ex art. 51m lid 3 Sv. Dit heeft te maken met dat deskundigen in principe vervangbaar zijn. Getuigen zijn niet vervangbaar. 59
    25. Arrest Overzicht getuigen (HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441 m.nt. Borgers) 60
    26. Leerdoel 4: Waarom heeft het slachtoffer ook een rol tijdens het onderzoek ter terechtzitting en wat houdt die rol precies in? B.F. Keulen & G. Knigge, Ons Strafrecht 2 Strafprocesrecht, Hoofdstuk 7.4-7.7, 8, 13.1-13.4 en 13.6-13.8 62
  5. 05 Probleem 5 – Het bewijsstelsel 68
    1. 1. Wat zijn de belangrijkste kenmerken van het Nederlands wettelijk bewijsstelsel (wbs)? 68
    2. 2. Wat is het onmiddellijkheidsbeginsel? 68
    3. 3. Welke wettige bewijsmiddelen kent het bewijsstelsel? 68
    4. 4. Welke bewijsminimumregels kent het bewijsstelsel? 68
    5. Leerdoel 1: Wat zijn de belangrijkste kenmerken van het Nederlands wettelijk bewijsstelsel (wbs)? B.F. Keulen & G. Knigge, Ons Strafrecht 2 Strafprocesrecht, Hoofdstuk 14 68
    6. Leerdoel 2: Wat is het onmiddellijkheidsbeginsel? B.F. Keulen & G. Knigge, Ons Strafrecht 2 Strafprocesrecht, Hoofdstuk 14 72
    7. Leerdoel 3: Welke wettige bewijsmiddelen kent het bewijsstelsel? B.F. Keulen & G. Knigge, Ons Strafrecht 2 Strafprocesrecht, Hoofdstuk 14 73
    8. Leerdoel 4: Welke bewijsminimumregels kent het bewijsstelsel? B.F. Keulen & G. Knigge, Ons Strafrecht 2 Strafprocesrecht, Hoofdstuk 14 76
  6. 06 Probleem 6 – Vormverzuim 81
    1. 1. In hoeverre kunnen aan onrechtmatig handelen van de overheid in het voorbereidend onderzoek consequenties worden verbonden? 81
    2. Leerdoel 1: In hoeverre kunnen aan onrechtmatig handelen van de overheid in het voorbereidend onderzoek consequenties worden verbonden? B.F. Keulen & G. Knigge, Ons Strafrecht 2 Strafprocesrecht, Hoofdstuk 15 81
  7. 07 Probleem 7 – Vonnis 99
    1. 1. Wat moet in het vonnis worden opgenomen? (ofwel: waarover moet de rechter beslissen?) 99
    2. 2. Wat moet in het vonnis worden gemotiveerd? (ofwel: in welke gevallen moet een beslissing van de rechtbank worden gemotiveerd?) 99
    3. Leerdoel 1: Wat moet in het vonnis worden opgenomen? (ofwel: waarover moet de rechter beslissen?) F.A.J. Koopmans, Het beslissingsmodel van 348/350 Sv, Deventer: Wolters Kluwer 2022, Hoofdstuk 6 en 7. 99
    4. H6 De artikelen 358 en 359 Sv 6.1 Wettelijk kader: artikelen 358 en 359: beslissen en motiveren 99
    5. Leerdoel 2: Wat moet in het vonnis worden gemotiveerd? (ofwel: in welke gevallen moet een beslissing van de rechtbank worden gemotiveerd?) & Leerdoel 3: Wat is de functie van motiveren? (ofwel: waarom moet er worden gemotiveerd in sommige gevallen?) F.A.J. Koopmans, Het beslissingsmodel van 348/350 Sv, Deventer: Wolters Kluwer 2022, Hoofdstuk 6 en 7. 106
    6. H6 De artikelen 358 en 359 Sv 6.1 Wettelijk kader: artikelen 358 en 359: beslissen en motiveren 106
    7. B.F. Keulen & G. Knigge, Ons Strafrecht 2 Strafprocesrecht: Hoofdstuk 16 109
    8. Toepassingsopdracht P7 122
    9. Hoorcollege 1.1 inhoud; overzicht 126
    10. Hoorcollege 1.2 Actoren Actoren: de verdachte en zijn raadsman, de politie/opsporingsambtenaren (waaronder de OvJ), het OM en de vervolging, de rechter, het slachtoffer, de getuige, de deskundige. 134
    11. Algemeen: opstelling Van belang is hun opstelling t.o.v. elkaar (K&K par 2.6 het strafproces in fasen) 134
    12. Algemeen: ieder zijn eigen titel?? 134
    13. Inhoudsopgave WvSv bestaand en bevestigd in wetvoorstel 36 327: Boek 1 Titel II: De verdachte Boek 1 Titel III: De raadsman Boek 1 Titel IIIa: Het slachtoffer/de benadeelde partij (art 51f Sv voeging bij vordering schadevergoeding) Boek 1 Titel IIIc: de deskundige Boek 2 Titel II: de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken Boek 1 Titel 1 zesde afdeling: (behandeling door) de raadkamer (kamer in de rechtbank waar de rechters, vaak zonder aanwezigheid van publiek, beraadslagen over bepaalde juridische kwesties zoals voorlopige hechtenis, verlof, en andere voorlopige maatregelen) 134
    14. Hoorcollege 2.1 voorbereidend onderzoek 141
    15. Hoorcollege 2.2 Het Europese perspectief van EVRM/EHRM en EU 150
    16. Hoorcollege 3.1 Onderzoek ter terechtzitting 160
    17. Hoorcollege 4.1 Bewijs 186
    18. Hoorcollege 5.1 Beslissen en motiveren 209
    19. Beslissen & motiveren Na afloop ottz; beraadslaging rechtbank over beslissingen die naar aanleiding van ottz dienen te worden genomen Uitkomst beraadslaging: (schriftelijk) vonnis Uitspraak in het openbaar 209
    20. Wat is de functie en doelstelling van motiveren? 209
    21. Explicatiefunctie (explicatie= Uitleg of toelichting geven, iets helder maken voor anderen) dit houdt verband met de procedurele rechtvaardigheid. De rechter moet betrokkenen en het publiek duidelijke uitleg geven over zijn oordeel. Door te motiveren legt de rechter zijn beslissing uit aan de verdachte en de OvJ, aan het slachtoffer en aan de samenleving. Dit komt het vertrouwen ten goede en hiermee legitimeert hij zijn beslissing 209
    22. Controlefunctie  dit verzekert de correcte toepassing van het (materiele) strafrecht. Formele regels die de bewijsbeslissing betreffen moeten worden nageleefd. De hogere rechter toets het oordeel aan de hand van de motivering. Een verplichting om beslissingen uit te leggen maakt dus controle door anderen mogelijk, zoals de samenleving of een hogere rechter. 209
    23. Inscherpingsfunctie (Inscherping= Iets krachtig en nadrukkelijk duidelijk maken, zodat het goed blijft hangen. De motiveringsplicht dwingt de rechter tot zelfreflectie en precisie – het scherpt zijn oordeel aan, vandaar inscherpingsfunctie) Een verplichting om beslissingen uit te leggen bevordert ook de zelfcontrole door de rechter. Als de beslissing niet goed is uit te leggen, is een andere beslissing wellicht beter. 209
    24. De verantwoording die dient te worden afgelegd voor de genomen beslissingen maakt controle mogelijk door een hogere rechter (controlefunctie), licht procesdeelnemers, slachtoffer en samenleving in over de gronden van de beslissing (explicatiefunctie) en dwingt de rechter zichzelf rekenschap te geven van zijn beweegredenen (inscherpingsfunctie). 209
    25. Beslissingsmodel van 348/350 Sv 209
    26. Artikel 348 Sv Artikel 349 lid 1 Sv 209
    27. Is de dagvaarding geldig? Zo niet: de dagvaarding is nietig 209
    28. Is de rechter bevoegd? Zo niet: de rechter is onbevoegd 209
    29. Is de ovj ontvankelijk? Zo niet: de ovj is niet-ontvankelijk 209
    30. Zijn er redenen voor schorsing van Zo ja: de vervolging wordt geschorst 209
    31. de vervolging? 209
    32. Artikel 350 Sv Artikel 352 Sv 209
    33. Is het tll feit bewezen? Zo niet: vrijspraak 209
    34. Is het bewezen verklaarde strafbaar? Zo niet: OVAR 209
    35. Is de verdachte strafbaar? Zo niet: OVAR 209
    36. Welke sanctie wordt opgelegd? Straf/maatregel (art. 351 Sv) 209
    37. Verwerking in het vonnis via art. 358 lid 2 en 3 en 359 lid 2, eerste volzin Sv 209
    38. Beslissen & motiveren Wat moet er in het vonnis worden opgenomen? 210
    39. Wettelijk kader: artikelen 358 en 359 Sv 210
    40. Art. 358 Sv: beslissen 210
    41. Art. 359 Sv: motiveren 210
    42. Deze twee artikelen zijn onlosmakelijk verbonden 210
    43. Art. 358 Sv 210
    44. Vonnis bevat beslissingen die de rechter op grond van het beslissingsmodel moet nemen 210
    45. Antwoord op vragen 348 Sv niet, tenzij.. 210
    46. Dagvaarding nietig, rechter onbevoegd, ovj niet-ontvankelijk, vervolging schorsen (art. 349 lid 1 Sv): art. 358 lid 1 Sv 210
    47. Rechter verwerpt uitdrukkelijk aangedragen verweer verdachte (art. 358 lid 3, eerste deel Sv) 210
    48. Geen formele einduitspraak? 210
    49. Antwoord op vragen 350 Sv (art. 358 lid 2 Sv) 210
    50. Nader over verweren als bedoeld in art. 358 lid 3 Sv: 210
    51. Drietal verweren: 210
    52. 1. Verweer dat een formele einduitspraak zou moeten volgen 210
    53. 2. Een verweer dat betoogt dat het bewezene geen strafbaar feit oplevert (kwalificatieverweer  een kwalificatieverweer is een verweer waarbij de verdediging betwist dat de feiten, zoals gepresenteerd door de aanklager, voldoen aan de wettelijke definitie van het ten laste gelegde delict. Dus zowel kwalificatieverweer als ze zeggen dat het om een ander (minder erg) strafbaar feit gaat als dat ze zeggen dat het helemaal geen strafbaar feit is) 210
    54. 3. Een verweer dat betoogt dat er een bepaalde strafverminderings- of strafuitsluitingsgrond aanwezig is 210
    55. Verweer is uitdrukkelijk ter terechtzitting voorgedragen 210
    56. Door of namens de verdachte 210
    57. (Motiveringseis van art. 359 lid 2, eerste volzin) 210
    58. Motiveren 210
    59. Art. 359 Sv 210
    60. Lid 2  twee volzinnen 210
    61. 1. ‘De beslissingen vermeld in de artikelen 349, eerste lid, en 358, tweede en derde lid, zijn met redenen omkleed.’ 210
    62. 2. ‘Het vonnis geeft, indien de beslissing afwijkt van door de verdachte dan wel door de officier van justitie uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, in het bijzonder de redenen op die daartoe hebben geleid.’ 210
    63. Wat moet in het vonnis worden gemotiveerd (art. 359 Sv)? 210
    64. Eerste volzin art. 359 lid 2 Sv: 210
    65. ‘De beslissingen vermeld in de artikelen 349, eerste lid, en 358, tweede en derde lid, zijn met redenen omkleed.’ 210
    66. - Als de rechtbank een formele einduitspraak doet (art. 349 lid 1 Sv) dan wordt die beslissing in het vonnis opgenomen (art. 358 lid 1 Sv) en gemotiveerd (art. 359 lid 2 eerste volzin jo art. 358 lid 1 Sv) 210
    67. - Beslissingen op de hoofdvragen van art. 350 worden in het vonnis opgenomen (art. 358 lid 2 Sv) en gemotiveerd (art. 359 lid 2 eerste volzin jo 358 lid 2 Sv) 210
    68. - Wordt in strijd met een uitdrukkelijk voorgedragen verweer artikel 349 lid 1 Sv niet toegepast of aangenomen dat het bewezen verklaarde een strafbaar feit oplevert of dat een bepaalde strafverminderings- of strafuitsluitingsgrond niet aanwezig is, dan wordt die beslissing in het vonnis opgenomen (art. 358 lid 3 Sv) en gemotiveerd (art. 359 lid 2 eerste volzin jo. art. 358 lid 3 Sv). 211
    69. Bewijsverweren: door bewijsmiddelen opgevangen (?) (Het vraagteken geeft aan dat er twijfel is over de vraag of die bewijsmiddelen altijd het verweer volledig weerleggen. Daarom motivering rechter belangrijk) 211
    70. Per 1 januari 2005 algemene motiveringseis uitdrukkelijk onderbouwde standpunten van verdachte en OM 211
    71. Tweede volzin art. 359 lid 2 Sv: 211
    72. Het vonnis geeft, indien de beslissing afwijkt van door de verdachte dan wel door de officier van justitie uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, in het bijzonder de redenen op die daartoe hebben geleid.’ 211
    73. Kortom: bewijsverweer UOS (=uitdrukkelijk onderbouwd standpunt)-> responsieplicht 211
    74. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393, m.nt. Buruma (Reikwijdte motivering) 211
    75. 3.6 Het systeem van de wet komt na de invoering van het huidige art. 359, tweede lid, Sv op het volgende neer. Omtrent de verwerping van een verweer met betrekking tot de zogenoemde voorvragen van art. 348 Sv en de kwalificatie van het bewezenverklaarde alsmede omtrent een beroep op een wettelijke strafverminderings- of strafuitsluitingsgrond moet op grond van art. 358, derde lid, Sv in het vonnis uitdrukkelijk worden beslist. Die beslissing moest ook voorheen reeds — op grond van art. 359, tweede lid (oud (toen alleen nog eerste volzin bestond)), Sv — zijn gemotiveerd.’ 211
    76. 3.6 (vervolg) ‘Nu is daar bij gekomen dat indien het openbaar ministerie ter zake van die onderwerpen (de voorvragen, de kwalificatie en de strafbaarheid van feit en dader) 'uitdrukkelijk onderbouwde standpunten' heeft ingenomen en de rechter daarvan afwijkt, de beslissing dienaangaande nader moet zijn gemotiveerd. Voorts moeten nu ook de bewijsbeslissing en de beslissing over de oplegging van straf en/of maatregel nader worden gemotiveerd, indien de rechter daarbij afwijkt van door of namens de verdachte dan wel door het openbaar ministerie 'uitdrukkelijk onderbouwde standpunten'. Opmerking verdient dat het hier gaat om een 'nadere' motivering, omdat voorheen en nu op grond van de voorschriften van de art. 359, tweede lid (oud, respectievelijk nieuw eerste zin), alsmede het derde, vierde, vijfde, zesde, zevende (nieuw) en achtste (oud) lid en 359a, derde lid, Sv reeds algemene motiveringseisen golden onderscheidenlijk gelden.’ 211
    77. Strenge eisen aan UOS  3.7.1. ‘voor een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is vereist dat het standpunt ‘duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie’ ten overstaan van de feitenrechter naar voren is gebracht (…) De steller van het UOS dient er daarnaast zorg voor te dragen dat zijn standpunt op schrift wordt gesteld’ 211
    78. Van een UOS is minder snel sprake dan van een verweer dat onder art. 358 lid 3 Sv valt 211
    79. Die motiveringsplicht geldt wanneer een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ter terechtzitting niet wordt aanvaard. 211
    80. De motiveringsplicht reikt niet zo ver dat op ‘ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan’ (Reikwijdte motivering, r.o. 3.8.1. e.v.) 211
    81. Bij Dakdekker– en Meer en Vaart-verweren kan volgens de HR betrekkelijk snel voldaan zijn aan de eis dat het desbetreffende standpunt uitdrukkelijk moet zijn onderbouwd (HR 8 april 2008, NJ 2008/231) 211
    82. Dakdekker- verweer: 212
    83. Bewijsverweer waarvan de reden van weerlegging niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Niet alleen feitelijk van aard, maar ook rechtsvraag betreffende de juridische uitleg van een term die uit de delictsomschrijving in de tll is overgenomen. 212
    84. Voorbeeld: 212
    85. Verordening verbiedt het kappen van bomen zonder vergunning 212
    86. Iemand heeft zonder vergunning een struik omvergehaald 212
    87. Tll: verdachte heeft een boom zonder vergunning gekapt 212
    88. Verweer verdachte: geen boom maar struik gekapt 212
    89. Is een struik een boom in de zin van de verordening? 212
    90. Meer en Vaart-verweer: 212
    91. Alternatief scenario aangedragen door verdachte. Niet onverenigbaar met bewijsmiddelen, maar uit alternatieve lezing kan geen bewezenverklaring volgen. ‘Gat’ in bewezenverklaring 212
    92. Voorbeeld: diefstal bewezenverklaard. Bewijsmiddelen: 212
    93. 1 verklaring van de eigenaar van auto dat de bij verdachte aangetroffen auto van hem is, en dat hij deze auto sinds een bepaald moment mist; 212
    94. 2 verklaring van getuige dat hij de hem bekende verdachte in de nacht waarin volgens de eigenaar de auto is verdwenen, bij het woonhuis van de eigenaar, waar de auto stond, heeft zien rondlopen; 212
    95. 3. verklaring van een verbalisant dat hij bij een schuur van de verdachte de auto waar het om gaat heeft aangetroffen. 212
    96. Stel: Verdachte bevestigt dat hij in die nacht bij het woonhuis was, maar dat hij de auto onlangs van een hem onbekend persoon heeft gekocht 212
    97. HR 16 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3359, NJ 2010/314, m.nt. Y. Buruma (Weerlegging alternatief scenario/Venrayse arrest) 212
    98. 2.5. ‘Als uitgangspunt heeft te gelden dat ingeval een verdachte het hem tenlastegelegde bestrijdt met een alternatieve lezing van de gebeurtenissen, die niet met een bewezenverklaring zou stroken, de rechter — indien hij tot een bewezenverklaring komt — die aangedragen alternatieve gang van zaken zal moeten weerleggen. 212
    99. Dat kan geschieden door opneming van bewijsmiddelen of vermelding, al dan niet in een nadere bewijsoverweging, van aan wettige bewijsmiddelen te ontlenen feiten en omstandigheden die de alternatieve lezing van de verdachte uitsluiten. Een dergelijke weerlegging is echter niet steeds vereist. In voorkomende gevallen zal de rechter ter weerlegging kunnen oordelen dat de door de verdachte gestelde alternatieve toedracht niet aannemelijk is geworden dan wel dat de lezing van de verdachte als ongeloofwaardig terzijde moet worden gesteld. Ten slotte kunnen zich gevallen voordoen waarin de lezing van de verdachte zo onwaarschijnlijk is, dat zij geen uitdrukkelijke weerlegging behoeft’ 212
    100. Rechter blijft bij voorvraag steken (art. 349 lid 1 Sv), beslissing wordt in uitspraak opgenomen en gemotiveerd (art. 358 lid 1 jo 359 lid 2, eerste volzin Sv) 212
    101. → bevestigende antwoord hoeft niet in het vonnis te worden opgenomen 212
    102. → afgewezen uitdrukkelijk voorgedragen verweer t.a.v. alle vier de voorvragen via art. 358 lid 3 jo 359 lid 2, eerste volzin Sv 212
    103. Beslissingen op hoofdvragen worden in uitspraak opgenomen en gemotiveerd (art. 358 lid 2 jo 359 lid 2, eerste volzin Sv) 212
    104. → afwijking uitdrukkelijk onderbouwd standpunt (UOS) t.a.v. bewijsvraag en strafmaat via art. 359 lid 2, tweede volzin Sv 212
    105. → afgewezen uitdrukkelijk voorgedragen verweer t.a.v. strafbaarheid feit en strafbaarheid verdachte via art. 358 lid 3 jo 359 lid 2, eerste volzin Sv 213
    106. * Een verweer dat stelt dat er een strafuitsluitingsgrond (zoals noodweer of ontoerekeningsvatbaarheid) of strafverminderingsgrond is, gaat over de vraag of de verdachte (volledig) strafbaar is. Dit raakt aan de kern van de strafbaarheid en valt onder de eerste volzin van artikel 359 lid 2 Sv en art. 358 lid 3 Sv. Een standpunt over de hoogte of aard van de straf (strafmaat  gaat dus om het soort straf, de duur of de hoogte ervan) is géén verweer in de zin van art. 358 lid 3 Sv. Maar als dat standpunt uitdrukkelijk onderbouwd is door de verdachte of het OM, en de rechter wijkt ervan af, dan geldt de tweede volzin van art. 359 lid 2 Sv → extra motiveringsplicht. 213
    107. Nader over art. 359 lid 3 Sv: 213
    108. Beslissing dat het feit door de verdachte is begaan, moet steunen op de inhoud van de in het vonnis opgenomen bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden 213
    109. Mogelijkheid verkort vonnis (art. 138b Sv) zolang geen gewoon rechtsmiddel (hoger beroep & cassatie) is aangewend (365a lid 1 Sv) 213
    110. Opgave van bewijsmiddelen volstaat bij bekentenis verdachte, tenzij vrijspraak is bepleit (zie art. 359 lid 3 tweede volzin Sv) 213
    111. Casus De 24-jarige Richard B. wordt ervan verdacht dat hij via de chat berichten met een seksuele inhoud heeft gedeeld met Lisa W., een minderjarig meisje. Het gesprek zou zijn gevoerd vanaf de Ipad van Richard B. Daarbij is gebruik gemaakt van het email-adres virgin@icloud.com. De gebruikersnaam die is gekoppeld aan dit emailadres is ‘ViRgIn’. Op de Ipad van Richard is een opgeslagen bestand aangetroffen, met daarin onder meer de tekst van de chatsessie. 213
    112. Richard B. wordt sexchatting (art. 251 Sr) ten laste gelegd. 213
    113. Stel dat de raadsman van Richard B. op het onderzoek ter terechtzitting het volgende verweer voert: 213
    114. “Richard B. erkent weliswaar dat het e-mailadres virgin@icloud.com op zijn Ipad staat, maar het is volgens Richard niet zijn e-mailadres. Richard ontkent tevens dat hij onder de naam ‘ViRgIn’ chat-gesprekken met Lisa heeft gevoerd. De Ipad van Richard wordt door diverse huisgenoten van hem gebruikt en het moet iemand anders zijn geweest die op zijn Ipad met Lisa heeft gechat.” 213
    115. Hoe dient de rechter op dit verweer te reageren in het vonnis als hij het verweer niet volgt? 213
    116. Bewijsverweer, 1e vraag 350 Sv, in het bijzonder een Meer en Vaart-verweer 213
    117. Verweer moet gemotiveerd weerlegd worden ogv 359 lid 2, tweede volzin Sv 213
    118. UOS, betreft een duidelijk standpunt, is geschraagd van argumenten en is voorzien van een ondubbelzinnige conclusie: Reikwijdte motivering-arrest 213
    119. Bij Meer en Vaart-verweer is volgens de HR betrekkelijk snel voldaan aan de eis dat het desbetreffende standpunt uitdrukkelijk moet zijn onderbouwd 213
    120. Hoorcollege 5.2 Rechtsmiddelen: hoger beroep, cassatie en herziening 214

Livre connecté
 image
B.F. Keulen, G. Knigge Ons strafrecht 2 - Strafprocesrecht
Éditeur: augustus 2016 ISBN: 9789013121797 Édition: 13

Infos sur le Document

Cours
Livre entier ?
Oui
Publié le
18 mai 2025
Nombre de pages
222
Écrit en
2024/2025
Type
Resume
€9,46

Mauvais document ? Échangez-le gratuitement Dans les 14 jours suivant votre achat et avant le téléchargement, vous pouvez choisir un autre document. Vous pouvez simplement dépenser le montant à nouveau.
Rédigé par des étudiants ayant réussi
Disponible immédiatement après paiement
Lire en ligne ou en PDF

Seller avatar
Les scores de réputation sont basés sur le nombre de documents qu'un vendeur a vendus contre paiement ainsi que sur les avis qu'il a reçu pour ces documents. Il y a trois niveaux: Bronze, Argent et Or. Plus la réputation est bonne, plus vous pouvez faire confiance sur la qualité du travail des vendeurs.
brittvzx
4,4
(46)
Vendu
142
Abonnés
11
Éléments
21
Dernière vente
2 semaines de cela


Avis d'acheteurs vérifiés




Pourquoi les étudiants choisissent Stuvia

Créé par d'autres étudiants, vérifié par les avis

Une qualité sur laquelle compter : rédigé par des étudiants qui ont réussi et évalué par d'autres qui ont utilisé ce document.

Le document ne convient pas ? Choisis un autre document

Aucun souci ! Tu peux sélectionner directement un autre document qui correspond mieux à ce que tu cherches.

Paye comme tu veux, apprends aussitôt

Aucun abonnement, aucun engagement. Paye selon tes habitudes par carte de crédit et télécharge ton document PDF instantanément.

Student with book image

“Acheté, téléchargé et réussi. C'est aussi simple que ça.”

Alisha Student

Foire aux questions