WERKVELDVERKENNING
Leerpad 1: sociaal-cultureel sociaal werk
1. HISTORIEK
Verschuivingen die voorkomen:
1. Van privaat/ particulier initiatief richting publiek/ gesubsidieerd initiatief (en terug)
2. Van autonomie richting overheidssturing (en terug).
Spanningsvelden die we terugzien:
1. Controle (i.h.k.v. activering etc.) versus emancipatie;
2. Bottom-up initiatief versus nood aan (h)erkenning en institutionalisering;
3. Autonomie werkveld versus toenemende regulering en kwaliteitsbewaking (zie
kwaliteitslabels etc. van de overheid);
4. Functionele/ methodische benadering (i.h.k.v. professionalisering)
versus politiserende en emancipatorisch werk.
E
1.1 19 EEUW
e
19 eeuw: industriële revolutie of industrialisering van de samenleving
- Fabrieken kwamen op in België en West-Europa
- Zorgde voor rijkdom, maar ook voor sociale kloof (steden: Gent, Antwerpen…)
- Rijkdom geconcentreerd in de burgerij, die ook stemrecht hadden (cijnskiesrecht
- Veel mensen van platteland trokken naar stad om te werken in de fabrieken => arbeidersklassen
Cijnskiesrecht= stemrecht op basis van betalen van belastingen
VOLKOPVOEDING EN VOLKSVERHEFFING
e
Midden 19 eeuw: België in haar kinderschoen
- Burgers hebben weinig toegang tot (voortgezet) onderwijs en cultuur
Cultuurfondsen
- Willen een werking ontwikkelen waardoor mensen toegang krijgen tot cultuur in de brede betekenis
van het woord: literatuur, koren, uitstappen, toneelkringen, …
- Eerste vorm van democratisering van cultuur in Vlaanderen
, - Verdienste ligt in de oprichting van de volksbibliotheken, de voorlopers van onze openbare
bibliotheken.
1851
Willemsfonds (Jan Frans Willem)
- Pionierswerking binnen het Sociaal-cultuur volwassenwerk
- Opgericht in Gent
- Vanuit privaat en liberaal initiatief
- Stond voor Vlaamse ontvoogding en belang van geletterdheid
- Bibliotheken opgericht wat belangrijk was voor de latere openbare bibliotheken
- Geen sprake van Nederlands cultuurbeleid
- Frans was dominante, officiële taal in België
- Pleidooi voor Vlaamse cultuur binnen een sterke natiestaat
- Verschillend met de naoorlogse Vlaamse beweging impliceerde dit een versterking van de nationale
identiteit
1875
Davidsfonds (Jean Baptist David)
- Antwoord vanuit de katholieke hoek
- Opgericht in Leuven
- Motto: voor godsdienst taal en volk
- Eerste redacteur van het Nederlandstalig woordenboek en organiseerde het Davidsfonds in teken van
het Vlaamse ontvoogding en geletterdheid
COÖPERATIE VOORUIT
1881
COÖPERATIE VOORUIT
- Coöperatieve maatschappij vooruit of samenwerkende maatschappij vooruit
- Coöperatie: door mensen gedreven onderneming die ernaar streeft te voorzien in de
gemeenschappelijke behoeften van haar leden en/of de behoeften van haar gemeenschap in
plaats van streven naar winstmaximalisatie
- Door bakkerij, supermarkt, apotheek te openen en later inzetten op kunst en cultuur
- De gedachtengoed past binnen de socialistische ideologie
- zie de bloei van coöperatieven rond mobiliteit, zoals Dégage (autodelen), commons
en (kunst)collectieven die opgericht worden.
,AMATEURSKUNSTEN EN VOLKSONTWIKKELINGSWERK
Parallel ontstaan er heel wat sociaal-culturele organisaties die zich schaarden onder de noemer van
liefhebberscultuur, vandaag amateurkunsten
- nadruk op culturele ontwikkeling van het volk en de expressie van creativiteit in koren, toneelkringen,
fanfares, harmonies als kunsten- en cultuurverheffing
klein uitstapje naar het buitenland
1884: Toynbee Hall wordt opgericht in Londen als ‘university extension’. Dit was pionierswerk op het vlak van
volksontwikkeling, als verlengstuk van opleidingen sociale wetenschappen aan de universiteit. Het vormde
wereldwijd een grote inspiratie van het latere buurtopbouwwerk en de volkshogescholen
1889: naar het voorbeeld van Toynbee Hall wordt Hull House opgericht door
(nobelprijswinnares) Jane Adams en Ellen Gates Starr in Chicago. De focus lag op sociale
en culturele ontplooiing en ontvoogding, met veel aandacht voor kinderen- en
volwassenvorming en kunst- en cultuureducatie. Ook brachten ze armoede en sociale
ongelijkheid in kaart met behulp van participatieve mapping methoden. Ze oefenden een
grote invloed uit op de latere Chicago school: (cultuur)sociologie-onderzoek, met pioniers
zoals John Dewey (zie zijn filosofie rond democratisch leren, ‘leren door te doen’ en 'art as
experience'), met grote invloed op kunst- en cultuureducatie wereldwijd (tot op vandaag).
TWEEDE GOLG SOCIAAL-CULTURELE ORGANISATIES
Eind 19de eeuw zetten de toenemende verstedelijking en de opkomst van het socialisme
de maatschappelijke orde onder druk.
De belangrijkste ideologische stromen (het katholicisme, het socialisme en het vrijzinnig-
liberalisme, zie al bij de cultuurfondsen) stellen zich de vraag hoe ze de massa aan zich
kunnen binden.
De verzuiling die zo haar intrede doet ('verzuiling' betekent verdeling in scherp
gescheiden groeperingen in de samenleving) is niet alleen gebonden aan ideologie, maar
ook aan maatschappelijke posities. Denk aan: boeren, arbeiders, middenstand, ouderen,
mannen, vrouwen. Ze geven de kans aan mensen om zich van ‘wieg tot graf’ te verenigen
met gelijkgezinden.
De sociaal-culturele organisaties die in deze periode het levenslicht zien, zorgen niet
alleen voor een structurering van de massa. We zien ook het ontstaan van een
sterk maatschappelijk middenveld waarin mensen een stem krijgen en kunnen wegen
op de maatschappelijke orde.
+ samenvatting leerpad
STE
1.2 20 EEUW
Werd getekend door 2 wereldoorlogen met interbellum als sociale en culturele tijdsperiode tussenin als ‘tijd van
hoop en wanhoop’
Ook ideologische stromingen zoals nationalisme, fascisme en communisme die dominant
worden.
, De jaren 1920 werden de ‘Roaring twenties' genoemd, met invloedrijke kunststromingen
zoals expressionisme en surrealisme (met vele Belgische pioniers). Het ervaringsgericht
leren zal grote invloed uitoefenen op opvoeding en educatie in ruime zin
OPENBARE BIBLIOTHEKEN, VORMINGSWERK EN AMATEURSKUNSTEN
1911
• Ontstaan KVLV (Katholiek Vormingswerk van Landelijke Vrouwen; nu: FERM)
• Vrouwenafdeling binnen de Belgische Boerenbond
• Het bekende ‘Ons kookboek’ (eerste editie 1927) is een product van KVLV, wat verwijst naar een
bepaalde maatschappelijke rol voor de vrouw (‘de vrouw aan de haard’) en belang van gezonde voeding
(‘gezonde maaltijden voor het hele gezin’).
• Dit werd omarmd door niet alleen door de landelijke vrouwen maar ook door ruimere arbeidersklasse en
middenklasse en ging gepaard met educatie-initiatieven (kook- en voedingslessen) en andere vormen
van sociale en culturele ontplooiing en vrijetijdsbesteding
1921
• lanceerde de toenmalige minister van Wetenschappen en Kunsten, Jules Destrée toelagen voor openbare
bibliotheken en naschoolse werken: hieronder vielen volkshogescholen, vormingswerk en
amateurkunsten.
• Dit gebeurde volgens het principe van gesubsidieerde vrijheid: de staat financierde, maar mengde zich niet
met het werk zelf.
• Ook het principe van subsidiariteit speelde hier: de overheid neemt geen initiatieven daar waar sociaal-
cultureel werk al actief is.
• We kunnen dit zien als een ontwikkeling richting institutionalisering: waar deze opgericht werden als
private initiatieven, worden ze geleidelijk aan gesubsidieerd en geïnstitutionaliseerd, maar zo ook
publieke instellingen, toegankelijk voor zoveel mogelijk mensen.
• Onder invloed van het zogenaamde ‘vrijetijdsprobleem’, na de invoering van de leerplicht (in 1914), de
achturendag en de 48-urenweek (1921), ontstond er debat rond het aanwenden van middelen om de
volksopvoeding te bevorderen en een beter gebruik van de vrijetijd van arbeiders.
• Dit zorgde voor een enorme boost van socioculturele initiatieven, met ook veel jeugdgerichte initiatieven
(sportinitiatieven, initiatieven met het oog op onderwijs en opvoeding van arbeiders, vakantiehuizen,
…)
• de ideologische lijnen van de drie zuilen: katholiek, socialistische en liberaal.
• Het sociaal-cultureel werk schakelde zich hierin in die zijn dat sociaal-cultureel werkers de
gemeenschapszin dienden te bevorderen (tot op vandaag werkt dit door: zie gemeenschapsvormende
functie). Geleidelijk evolueerde het idee van volksverheffing en vorming richting ontmoeting en
gezelschap (zie De Droogh, 2011).
Klein uitstapje naar het buitenland
Frankrijk vanaf 1937: ‘Centres d'Entraînement aux Méthodes d'Education Active’ of kortweg CEMEA
- als prille initiatieven van kunst- en cultuureducatie, met inzet van participatieve en actieve
leervormen.
- vanaf 1940 voet aan de grond in België
- in 1946 aan Vlaamse kant een werkcentrum voor actieve opvoedmethodes onder toedoen van August
J. Bal (pionier van kunsteducatie in België: leer door te doen, met een nadruk op zelfexpressie als
vorm van zelfontplooiing. Sterk gekleurd door de tijdsgeest en link met artistieke stromingen zoals
expressionisme, maar ook invloed psychoanalyse).
- Hieruit ontstaan jeugdateliers zoals 'Athoely' in Sint-Denijs Westrem door August J. Bal en
'Windekind' in Sint-Lambrechts Woluwe door Jos De Maegd.
Leerpad 1: sociaal-cultureel sociaal werk
1. HISTORIEK
Verschuivingen die voorkomen:
1. Van privaat/ particulier initiatief richting publiek/ gesubsidieerd initiatief (en terug)
2. Van autonomie richting overheidssturing (en terug).
Spanningsvelden die we terugzien:
1. Controle (i.h.k.v. activering etc.) versus emancipatie;
2. Bottom-up initiatief versus nood aan (h)erkenning en institutionalisering;
3. Autonomie werkveld versus toenemende regulering en kwaliteitsbewaking (zie
kwaliteitslabels etc. van de overheid);
4. Functionele/ methodische benadering (i.h.k.v. professionalisering)
versus politiserende en emancipatorisch werk.
E
1.1 19 EEUW
e
19 eeuw: industriële revolutie of industrialisering van de samenleving
- Fabrieken kwamen op in België en West-Europa
- Zorgde voor rijkdom, maar ook voor sociale kloof (steden: Gent, Antwerpen…)
- Rijkdom geconcentreerd in de burgerij, die ook stemrecht hadden (cijnskiesrecht
- Veel mensen van platteland trokken naar stad om te werken in de fabrieken => arbeidersklassen
Cijnskiesrecht= stemrecht op basis van betalen van belastingen
VOLKOPVOEDING EN VOLKSVERHEFFING
e
Midden 19 eeuw: België in haar kinderschoen
- Burgers hebben weinig toegang tot (voortgezet) onderwijs en cultuur
Cultuurfondsen
- Willen een werking ontwikkelen waardoor mensen toegang krijgen tot cultuur in de brede betekenis
van het woord: literatuur, koren, uitstappen, toneelkringen, …
- Eerste vorm van democratisering van cultuur in Vlaanderen
, - Verdienste ligt in de oprichting van de volksbibliotheken, de voorlopers van onze openbare
bibliotheken.
1851
Willemsfonds (Jan Frans Willem)
- Pionierswerking binnen het Sociaal-cultuur volwassenwerk
- Opgericht in Gent
- Vanuit privaat en liberaal initiatief
- Stond voor Vlaamse ontvoogding en belang van geletterdheid
- Bibliotheken opgericht wat belangrijk was voor de latere openbare bibliotheken
- Geen sprake van Nederlands cultuurbeleid
- Frans was dominante, officiële taal in België
- Pleidooi voor Vlaamse cultuur binnen een sterke natiestaat
- Verschillend met de naoorlogse Vlaamse beweging impliceerde dit een versterking van de nationale
identiteit
1875
Davidsfonds (Jean Baptist David)
- Antwoord vanuit de katholieke hoek
- Opgericht in Leuven
- Motto: voor godsdienst taal en volk
- Eerste redacteur van het Nederlandstalig woordenboek en organiseerde het Davidsfonds in teken van
het Vlaamse ontvoogding en geletterdheid
COÖPERATIE VOORUIT
1881
COÖPERATIE VOORUIT
- Coöperatieve maatschappij vooruit of samenwerkende maatschappij vooruit
- Coöperatie: door mensen gedreven onderneming die ernaar streeft te voorzien in de
gemeenschappelijke behoeften van haar leden en/of de behoeften van haar gemeenschap in
plaats van streven naar winstmaximalisatie
- Door bakkerij, supermarkt, apotheek te openen en later inzetten op kunst en cultuur
- De gedachtengoed past binnen de socialistische ideologie
- zie de bloei van coöperatieven rond mobiliteit, zoals Dégage (autodelen), commons
en (kunst)collectieven die opgericht worden.
,AMATEURSKUNSTEN EN VOLKSONTWIKKELINGSWERK
Parallel ontstaan er heel wat sociaal-culturele organisaties die zich schaarden onder de noemer van
liefhebberscultuur, vandaag amateurkunsten
- nadruk op culturele ontwikkeling van het volk en de expressie van creativiteit in koren, toneelkringen,
fanfares, harmonies als kunsten- en cultuurverheffing
klein uitstapje naar het buitenland
1884: Toynbee Hall wordt opgericht in Londen als ‘university extension’. Dit was pionierswerk op het vlak van
volksontwikkeling, als verlengstuk van opleidingen sociale wetenschappen aan de universiteit. Het vormde
wereldwijd een grote inspiratie van het latere buurtopbouwwerk en de volkshogescholen
1889: naar het voorbeeld van Toynbee Hall wordt Hull House opgericht door
(nobelprijswinnares) Jane Adams en Ellen Gates Starr in Chicago. De focus lag op sociale
en culturele ontplooiing en ontvoogding, met veel aandacht voor kinderen- en
volwassenvorming en kunst- en cultuureducatie. Ook brachten ze armoede en sociale
ongelijkheid in kaart met behulp van participatieve mapping methoden. Ze oefenden een
grote invloed uit op de latere Chicago school: (cultuur)sociologie-onderzoek, met pioniers
zoals John Dewey (zie zijn filosofie rond democratisch leren, ‘leren door te doen’ en 'art as
experience'), met grote invloed op kunst- en cultuureducatie wereldwijd (tot op vandaag).
TWEEDE GOLG SOCIAAL-CULTURELE ORGANISATIES
Eind 19de eeuw zetten de toenemende verstedelijking en de opkomst van het socialisme
de maatschappelijke orde onder druk.
De belangrijkste ideologische stromen (het katholicisme, het socialisme en het vrijzinnig-
liberalisme, zie al bij de cultuurfondsen) stellen zich de vraag hoe ze de massa aan zich
kunnen binden.
De verzuiling die zo haar intrede doet ('verzuiling' betekent verdeling in scherp
gescheiden groeperingen in de samenleving) is niet alleen gebonden aan ideologie, maar
ook aan maatschappelijke posities. Denk aan: boeren, arbeiders, middenstand, ouderen,
mannen, vrouwen. Ze geven de kans aan mensen om zich van ‘wieg tot graf’ te verenigen
met gelijkgezinden.
De sociaal-culturele organisaties die in deze periode het levenslicht zien, zorgen niet
alleen voor een structurering van de massa. We zien ook het ontstaan van een
sterk maatschappelijk middenveld waarin mensen een stem krijgen en kunnen wegen
op de maatschappelijke orde.
+ samenvatting leerpad
STE
1.2 20 EEUW
Werd getekend door 2 wereldoorlogen met interbellum als sociale en culturele tijdsperiode tussenin als ‘tijd van
hoop en wanhoop’
Ook ideologische stromingen zoals nationalisme, fascisme en communisme die dominant
worden.
, De jaren 1920 werden de ‘Roaring twenties' genoemd, met invloedrijke kunststromingen
zoals expressionisme en surrealisme (met vele Belgische pioniers). Het ervaringsgericht
leren zal grote invloed uitoefenen op opvoeding en educatie in ruime zin
OPENBARE BIBLIOTHEKEN, VORMINGSWERK EN AMATEURSKUNSTEN
1911
• Ontstaan KVLV (Katholiek Vormingswerk van Landelijke Vrouwen; nu: FERM)
• Vrouwenafdeling binnen de Belgische Boerenbond
• Het bekende ‘Ons kookboek’ (eerste editie 1927) is een product van KVLV, wat verwijst naar een
bepaalde maatschappelijke rol voor de vrouw (‘de vrouw aan de haard’) en belang van gezonde voeding
(‘gezonde maaltijden voor het hele gezin’).
• Dit werd omarmd door niet alleen door de landelijke vrouwen maar ook door ruimere arbeidersklasse en
middenklasse en ging gepaard met educatie-initiatieven (kook- en voedingslessen) en andere vormen
van sociale en culturele ontplooiing en vrijetijdsbesteding
1921
• lanceerde de toenmalige minister van Wetenschappen en Kunsten, Jules Destrée toelagen voor openbare
bibliotheken en naschoolse werken: hieronder vielen volkshogescholen, vormingswerk en
amateurkunsten.
• Dit gebeurde volgens het principe van gesubsidieerde vrijheid: de staat financierde, maar mengde zich niet
met het werk zelf.
• Ook het principe van subsidiariteit speelde hier: de overheid neemt geen initiatieven daar waar sociaal-
cultureel werk al actief is.
• We kunnen dit zien als een ontwikkeling richting institutionalisering: waar deze opgericht werden als
private initiatieven, worden ze geleidelijk aan gesubsidieerd en geïnstitutionaliseerd, maar zo ook
publieke instellingen, toegankelijk voor zoveel mogelijk mensen.
• Onder invloed van het zogenaamde ‘vrijetijdsprobleem’, na de invoering van de leerplicht (in 1914), de
achturendag en de 48-urenweek (1921), ontstond er debat rond het aanwenden van middelen om de
volksopvoeding te bevorderen en een beter gebruik van de vrijetijd van arbeiders.
• Dit zorgde voor een enorme boost van socioculturele initiatieven, met ook veel jeugdgerichte initiatieven
(sportinitiatieven, initiatieven met het oog op onderwijs en opvoeding van arbeiders, vakantiehuizen,
…)
• de ideologische lijnen van de drie zuilen: katholiek, socialistische en liberaal.
• Het sociaal-cultureel werk schakelde zich hierin in die zijn dat sociaal-cultureel werkers de
gemeenschapszin dienden te bevorderen (tot op vandaag werkt dit door: zie gemeenschapsvormende
functie). Geleidelijk evolueerde het idee van volksverheffing en vorming richting ontmoeting en
gezelschap (zie De Droogh, 2011).
Klein uitstapje naar het buitenland
Frankrijk vanaf 1937: ‘Centres d'Entraînement aux Méthodes d'Education Active’ of kortweg CEMEA
- als prille initiatieven van kunst- en cultuureducatie, met inzet van participatieve en actieve
leervormen.
- vanaf 1940 voet aan de grond in België
- in 1946 aan Vlaamse kant een werkcentrum voor actieve opvoedmethodes onder toedoen van August
J. Bal (pionier van kunsteducatie in België: leer door te doen, met een nadruk op zelfexpressie als
vorm van zelfontplooiing. Sterk gekleurd door de tijdsgeest en link met artistieke stromingen zoals
expressionisme, maar ook invloed psychoanalyse).
- Hieruit ontstaan jeugdateliers zoals 'Athoely' in Sint-Denijs Westrem door August J. Bal en
'Windekind' in Sint-Lambrechts Woluwe door Jos De Maegd.