INHOUDSOPGAVE: ONTWIKKELINGSPSYCHOLOGIE
1 Leeftijden .............................................................................................................................................. 2
2 De babytijd ............................................................................................................................................ 2
2.1 De geboorte en het pasgeboren kind ................................................................................................... 2
2.1.1 Wat een pasgeboren baby allemaal kan ..................................................................................... 2
2.2 Fysieke ontwikkeling............................................................................................................................. 3
2.2.1 Visuele perceptie: de wereld zien ............................................................................................... 3
2.2.2 Auditieve perceptie: de wereld horen ........................................................................................ 3
2.2.3 Geur en smaak ............................................................................................................................ 3
2.2.4 Het somatosensorisch zintuig: tastzin ........................................................................................ 4
2.3 Cognitieve ontwikkeling ....................................................................................................................... 4
2.3.1 De wortels van onze taal............................................................................................................. 4
2.3.2 Het ontstaan van taal.................................................................................................................. 6
2.4 Sociale en persoonlijkheidsontwikkeling .............................................................................................. 6
2.4.1 Emoties in de kindertijd .............................................................................................................. 6
2.4.2 Relaties aangaan ......................................................................................................................... 7
2.4.3 Categorieën van gehechtheid ..................................................................................................... 7
2.4.4 Temperament ............................................................................................................................. 8
3 Freud ...................................................................................................................................................... 8
3.1.1 Sigmund Freud ............................................................................................................................ 8
3.1.2 Gelaagd ontwikkelingsmodel ...................................................................................................... 8
3.1.3 Algemene persoonlijkheidstheorie ............................................................................................. 9
3.1.4 Psychoseksuele ontwikkeling.................................................................................................... 10
4 Peuter- en kleutertijd ........................................................................................................................... 11
4.1 Fysieke ontwikkeling (niets te kennen) ............................................................................................... 11
4.2 Sociale en persoonlijkheidsontwikkeling ............................................................................................ 11
4.2.1 Verzetsperiode-koppigheidsfase .............................................................................................. 11
4.2.2 Het zelfbeeld in de peuter- en kleutertijd ................................................................................ 12
4.2.3 Ontwikkeling gender en geslachtsrolgedrag............................................................................. 12
4.2.4 Spelvormen ............................................................................................................................... 13
4.2.5 Theory of mind ......................................................................................................................... 14
4.2.6 Het ontstaan van moreel besef ................................................................................................ 14
4.2.7 Zelfbeheersing bij peuters en kleuters ..................................................................................... 14
4.3 Cognitieve ontwikkeling ..................................................................................................................... 15
4.3.1 De taalontwikkeling .................................................................................................................. 15
4.3.2 Soorten kinderopvang voor peuters en kleuters ...................................................................... 16
5 Piaget ................................................................................................................................................... 16
,ONTWIKKELINGSPSYCHOLOGIE
1 Leeftijden
Vooral bij baby-, peuter- en kleutertijd van belang
Volgorde van ontwikkelingstaken of –capaciteiten en algemene situering in de levensloop zijn wel
van belang
Bij benadering dus weten welke taak wanneer plaatsvindt. Bijvoorbeeld
- Initiatief versus schuld = peuter en kleuterleeftijd (3 tot 6 jaar)
- Concreet operationeel denken = lagere schoolleeftijd (6 tot 12)
2 De babytijd
2.1 De geboorte en het pasgeboren kind
2.1.1 Wat een pasgeboren baby allemaal kan
Fysiologische vroeggeboorte
Na geboorte weerloos, afhankelijk en aangewezen op goede zorgen en toewijding van anderen.
Herseninhoud slechts een kwart van dat van een volwassene
Mens heeft na geboorte nog een lange leertijd voor de boeg tot hij zelfredzaam is
(elke baby wordt eigenlijk te vroeg geboren)
Toch kan een pasgeborene al heel wat!
§ Fysieke vaardigheden
§ Zintuiglijke ontwikkeling
§ Leervermogen
§ Sociale vaardigheden
Fysieke vaardigheden
Zelfstandig ademhalen
Reflexen
- = niet-aangeleerde, onvrijwillige responsen die automatisch optreden in aanwezigheid van
bepaalde stimuli
Zintuigelijke ontwikkeling
Pasgeborene kan al iets zien:
- Scherpe contrasten, onderscheiden van kleur en voorkeur voor kleur (eerst zien ze in
zwart/wit)
§ Rood (vooral hun voorkeur)
§ groen, geel en blauw (felle kleuren)
Pasgeborene kan horen: schrikreactie bij hard, plotseling lawaai
Tast: gevoelig voor aanraking (warmte laten voelen, bij u nemen,…)
Reuk en smaak: pepermunt (J), zuur (L)
Leervermogen
Een pasgeborene kan leren (via principes van klassieke en operante conditionering: associaties)
Habituatie
§ Afname aandacht, na herhaalde presentatie
§ Kan stimuli herkennen en van elkaar onderscheiden
§ Herkennen van een stimulus werd afgeleid uit het verminderen van de tijd die een
kind besteedt aan het bekijken van een stimulus
(zie module 1
,Eerst zal ze er lang naar kijken, de volgende keer zal het minder lang zijn)
Sociale vaardigheden
Pasgeboren baby’s kunnen het gedrag van anderen imiteren
(Je moet het traag voordoen en ze zullen het imiteren
Het geeft geen zin dat je direct met je tong uit voor haar staat
Tot 24 uur kan ze weten dat je de persoon was die een bepaald gelaat deed)
2.2 Fysieke ontwikkeling
2.2.1 Visuele perceptie: de wereld zien
Maand na de bevruchting: ogen
Weinig visuele prikkels in baarmoeder
Brandpuntsafstand 20 – 30 cm: scherp zien
14e week: dieptezicht
Diepteperceptie: visuele klif (Gibson & Walk)
(in begin zien ze super wazig)
Pasgeborenen geven de voorkeur aan bepaalde stimuli
- Kromme lijnen
- Driedimensionale figuren
- Vlakken met bepaald patroon
- Menselijk gelaat en afbeeldingen die daarop lijken
- Bewegende voorwerpen
Paar uur na geboorte herkennen ze gezicht van mama (en de geur)
Vanaf 6 à 9 maand: verschillende gezichten onderscheiden
2.2.2 Auditieve perceptie: de wereld horen
Geluiden in de baarmoeder (patroon spraak)
Onderscheid tussen twee op elkaar lijkende klanken
Vanaf 5 maanden taaleigen klanken onderscheiden
Oriëntatiereactie (Wertheimer 1961)
- 10 minuten oude baby is in staat ogen in richting auditieve stimulus te wenden
= Afstemming auditief en visueel vermogen
Gevoelig voor ritmes
(7 maand: ze gaan luisteren naar spraak, tot 9 weken kunnen ze geluiden horen van de baarmoeder)
2.2.3 Geur en smaak
12 tot 18 dagen: herkennen moeder op basis van geur (borstvoeding)
Ontwikkelen voorkeuren op basis van wat moeder dronk tijdens zwangerschap (vb. Wortelsap).
Voorkeur via gelaatsuitdrukkingen
Ze gaan hun voorkeuren laten zien
, 2.2.4 Het somatosensorisch zintuig: tastzin
Meest geavanceerd zintuig bij pasgeborenen
Ontwikkelt als eerste zintuig
Pasgeborene: tactiel waarnemen
- Vb. knuffelen met mama
- Vb. inwikkelen van onderste ledematen
- Vb. lage frequentie zachtjes op baby ‘kloppen’ = geruststellend
- Vb. hoge frequentie op baby ‘kloppen’ = activerend
(Belangrijk om baby’s vast te houden, knuffelen
Inbakeren; inwikkelen in doeken)
Vroeger: “baby’s voelen geen pijn”
Nu: pijn leidt tot (vertraagde) agitatie
- Snellere hartslag
- Zweten
- Bepaalde gezichtsuitdrukkingen
- Of huilen
Reacties op pijn worden sterker naarmate kinderen ouder worden
Multimodale perceptie
Niet enkel op individuele zintuigen richten
Hoe werken zintuigen samen?
= multimodale benadering van perceptie
Twee visies
- Zintuigen werken eerst afzonderlijk, daarna geïntegreerd
- Werken van bij begin geïntegreerd, maar op laag niveau.
2.3 Cognitieve ontwikkeling
Cognitieve ontwikkeling volgens Piaget -> later in lessen aanbod
2.3.1 De wortels van onze taal
Taalbegrip
- Begrijpen wat er gezegd wordt
- Ontstaan eerder dan taalproductie
- Tempo: 22 nieuwe woorden per maand
Taalproductie
- Gebruik van taal om te communiceren
- Tempo: 9 nieuwe woorden per maand
(Ontwikkelt in het eerste levensjaar, taalbegrip gaat sneller dan taalproductie)
1 Leeftijden .............................................................................................................................................. 2
2 De babytijd ............................................................................................................................................ 2
2.1 De geboorte en het pasgeboren kind ................................................................................................... 2
2.1.1 Wat een pasgeboren baby allemaal kan ..................................................................................... 2
2.2 Fysieke ontwikkeling............................................................................................................................. 3
2.2.1 Visuele perceptie: de wereld zien ............................................................................................... 3
2.2.2 Auditieve perceptie: de wereld horen ........................................................................................ 3
2.2.3 Geur en smaak ............................................................................................................................ 3
2.2.4 Het somatosensorisch zintuig: tastzin ........................................................................................ 4
2.3 Cognitieve ontwikkeling ....................................................................................................................... 4
2.3.1 De wortels van onze taal............................................................................................................. 4
2.3.2 Het ontstaan van taal.................................................................................................................. 6
2.4 Sociale en persoonlijkheidsontwikkeling .............................................................................................. 6
2.4.1 Emoties in de kindertijd .............................................................................................................. 6
2.4.2 Relaties aangaan ......................................................................................................................... 7
2.4.3 Categorieën van gehechtheid ..................................................................................................... 7
2.4.4 Temperament ............................................................................................................................. 8
3 Freud ...................................................................................................................................................... 8
3.1.1 Sigmund Freud ............................................................................................................................ 8
3.1.2 Gelaagd ontwikkelingsmodel ...................................................................................................... 8
3.1.3 Algemene persoonlijkheidstheorie ............................................................................................. 9
3.1.4 Psychoseksuele ontwikkeling.................................................................................................... 10
4 Peuter- en kleutertijd ........................................................................................................................... 11
4.1 Fysieke ontwikkeling (niets te kennen) ............................................................................................... 11
4.2 Sociale en persoonlijkheidsontwikkeling ............................................................................................ 11
4.2.1 Verzetsperiode-koppigheidsfase .............................................................................................. 11
4.2.2 Het zelfbeeld in de peuter- en kleutertijd ................................................................................ 12
4.2.3 Ontwikkeling gender en geslachtsrolgedrag............................................................................. 12
4.2.4 Spelvormen ............................................................................................................................... 13
4.2.5 Theory of mind ......................................................................................................................... 14
4.2.6 Het ontstaan van moreel besef ................................................................................................ 14
4.2.7 Zelfbeheersing bij peuters en kleuters ..................................................................................... 14
4.3 Cognitieve ontwikkeling ..................................................................................................................... 15
4.3.1 De taalontwikkeling .................................................................................................................. 15
4.3.2 Soorten kinderopvang voor peuters en kleuters ...................................................................... 16
5 Piaget ................................................................................................................................................... 16
,ONTWIKKELINGSPSYCHOLOGIE
1 Leeftijden
Vooral bij baby-, peuter- en kleutertijd van belang
Volgorde van ontwikkelingstaken of –capaciteiten en algemene situering in de levensloop zijn wel
van belang
Bij benadering dus weten welke taak wanneer plaatsvindt. Bijvoorbeeld
- Initiatief versus schuld = peuter en kleuterleeftijd (3 tot 6 jaar)
- Concreet operationeel denken = lagere schoolleeftijd (6 tot 12)
2 De babytijd
2.1 De geboorte en het pasgeboren kind
2.1.1 Wat een pasgeboren baby allemaal kan
Fysiologische vroeggeboorte
Na geboorte weerloos, afhankelijk en aangewezen op goede zorgen en toewijding van anderen.
Herseninhoud slechts een kwart van dat van een volwassene
Mens heeft na geboorte nog een lange leertijd voor de boeg tot hij zelfredzaam is
(elke baby wordt eigenlijk te vroeg geboren)
Toch kan een pasgeborene al heel wat!
§ Fysieke vaardigheden
§ Zintuiglijke ontwikkeling
§ Leervermogen
§ Sociale vaardigheden
Fysieke vaardigheden
Zelfstandig ademhalen
Reflexen
- = niet-aangeleerde, onvrijwillige responsen die automatisch optreden in aanwezigheid van
bepaalde stimuli
Zintuigelijke ontwikkeling
Pasgeborene kan al iets zien:
- Scherpe contrasten, onderscheiden van kleur en voorkeur voor kleur (eerst zien ze in
zwart/wit)
§ Rood (vooral hun voorkeur)
§ groen, geel en blauw (felle kleuren)
Pasgeborene kan horen: schrikreactie bij hard, plotseling lawaai
Tast: gevoelig voor aanraking (warmte laten voelen, bij u nemen,…)
Reuk en smaak: pepermunt (J), zuur (L)
Leervermogen
Een pasgeborene kan leren (via principes van klassieke en operante conditionering: associaties)
Habituatie
§ Afname aandacht, na herhaalde presentatie
§ Kan stimuli herkennen en van elkaar onderscheiden
§ Herkennen van een stimulus werd afgeleid uit het verminderen van de tijd die een
kind besteedt aan het bekijken van een stimulus
(zie module 1
,Eerst zal ze er lang naar kijken, de volgende keer zal het minder lang zijn)
Sociale vaardigheden
Pasgeboren baby’s kunnen het gedrag van anderen imiteren
(Je moet het traag voordoen en ze zullen het imiteren
Het geeft geen zin dat je direct met je tong uit voor haar staat
Tot 24 uur kan ze weten dat je de persoon was die een bepaald gelaat deed)
2.2 Fysieke ontwikkeling
2.2.1 Visuele perceptie: de wereld zien
Maand na de bevruchting: ogen
Weinig visuele prikkels in baarmoeder
Brandpuntsafstand 20 – 30 cm: scherp zien
14e week: dieptezicht
Diepteperceptie: visuele klif (Gibson & Walk)
(in begin zien ze super wazig)
Pasgeborenen geven de voorkeur aan bepaalde stimuli
- Kromme lijnen
- Driedimensionale figuren
- Vlakken met bepaald patroon
- Menselijk gelaat en afbeeldingen die daarop lijken
- Bewegende voorwerpen
Paar uur na geboorte herkennen ze gezicht van mama (en de geur)
Vanaf 6 à 9 maand: verschillende gezichten onderscheiden
2.2.2 Auditieve perceptie: de wereld horen
Geluiden in de baarmoeder (patroon spraak)
Onderscheid tussen twee op elkaar lijkende klanken
Vanaf 5 maanden taaleigen klanken onderscheiden
Oriëntatiereactie (Wertheimer 1961)
- 10 minuten oude baby is in staat ogen in richting auditieve stimulus te wenden
= Afstemming auditief en visueel vermogen
Gevoelig voor ritmes
(7 maand: ze gaan luisteren naar spraak, tot 9 weken kunnen ze geluiden horen van de baarmoeder)
2.2.3 Geur en smaak
12 tot 18 dagen: herkennen moeder op basis van geur (borstvoeding)
Ontwikkelen voorkeuren op basis van wat moeder dronk tijdens zwangerschap (vb. Wortelsap).
Voorkeur via gelaatsuitdrukkingen
Ze gaan hun voorkeuren laten zien
, 2.2.4 Het somatosensorisch zintuig: tastzin
Meest geavanceerd zintuig bij pasgeborenen
Ontwikkelt als eerste zintuig
Pasgeborene: tactiel waarnemen
- Vb. knuffelen met mama
- Vb. inwikkelen van onderste ledematen
- Vb. lage frequentie zachtjes op baby ‘kloppen’ = geruststellend
- Vb. hoge frequentie op baby ‘kloppen’ = activerend
(Belangrijk om baby’s vast te houden, knuffelen
Inbakeren; inwikkelen in doeken)
Vroeger: “baby’s voelen geen pijn”
Nu: pijn leidt tot (vertraagde) agitatie
- Snellere hartslag
- Zweten
- Bepaalde gezichtsuitdrukkingen
- Of huilen
Reacties op pijn worden sterker naarmate kinderen ouder worden
Multimodale perceptie
Niet enkel op individuele zintuigen richten
Hoe werken zintuigen samen?
= multimodale benadering van perceptie
Twee visies
- Zintuigen werken eerst afzonderlijk, daarna geïntegreerd
- Werken van bij begin geïntegreerd, maar op laag niveau.
2.3 Cognitieve ontwikkeling
Cognitieve ontwikkeling volgens Piaget -> later in lessen aanbod
2.3.1 De wortels van onze taal
Taalbegrip
- Begrijpen wat er gezegd wordt
- Ontstaan eerder dan taalproductie
- Tempo: 22 nieuwe woorden per maand
Taalproductie
- Gebruik van taal om te communiceren
- Tempo: 9 nieuwe woorden per maand
(Ontwikkelt in het eerste levensjaar, taalbegrip gaat sneller dan taalproductie)