Jip Bergman
Immunologie – prof Favoreel
Les 1 25/09
Examen: schriftelijk met open vragen, twee vragen over aangeboren en verworven
immuunsysteem. Een hoofdvraag met 2-tal kleine bijvragen. Hoofdvragen lijst krijgen we na de
lessen. En nog een vraag over antigenen en antistoffen en een vraag over mucosaal
immuunsysteem. En nog een vraag over het practicum. Tijdens het practicum 1,5 punt voor het
examen.
è Cursus, hoorcolleges en practica studeren
Hoofdstuk 1A: Ontsteking
Immuunrespons bestaat uit aanboren immuunrespons, is aspecifiek, reageert heel snel op het
pathogeen, maar is niet specifiek. Is vaak al genoeg om het pathogeen uit te schakelen of te zorgen
dat ie niet kan vermenigvuldigen. Dit deel van het immuunsysteem heeft geen geheugen.
Tweede deel = verworven immuunsysteem, reageert trager, maar is veel specifieker, blijft lang
geactiveerd aanwezig doordat het een memory heeft. Kan sneller en efficiënter reageren als het
pathogeen nog een keer terugkomt. Hierop is het principe van vaccinaties gebaseerd.
De eerste twee lessen zijn om een overzicht te creëren J
Immuunrespons niet de enige barrière, maar ook fysische en chemische barrière. Fysische
barriere: epitheelcellen met mucus erop waardoor pathogenen niet zomaar binnen kunnen komen.
Tekening 1: aangeboren aspecifieke immuunrespons
Aangeboren aspecifieke immuunrespons: pathogenen gaan in principe niet door de epitheellaag
kunnen. Door een doorboring van het huideptheel kunnen de bacteriën in het lichaam geraken in
een omgeving waar gevoelige cellen aanwezig zijn waardoor het pathogeen kan gaan
vermenigvuldigen. Ze kunnen eventueel ook in het bloed terecht komen en systemisch terecht
komen. Zodra pathogeen in het lichaam binnendringen worden ze snel herkend door sentinelcellen
/ schildwachtcellen > macrofaag (of mastcellen en dendritische cellen).
Die schildwachtcel weet dat het pathogeen binnendringt doordat hij op zn plasmamembraan
receptoren heeft > PRR = pathogen recognition receptor, die herkennen structuten die
lichaamsvreemd zijn. Bij bacteriën komt er vaak op de buitenkant LPS voor (typisch
lichaamsvreemd) = PAMP = pathogen associated molecular pattern. Er worden een aantal
beschadigingsfactoren van het eigen lichaam = DAMP (damage associated molecular pattern)
vrijgesteld waardoor de macrofaag geactiveerd zal worden, teken dat er weefselschade gebeurt).
Immuunrespons wordt door alleen een beschadiging dus ook al op gang gebracht =
ontstekingsreactie. Die PAMPs en DAMPs worden door de macrofaag herkent en activeert een
signaal en gaat ontstekingsmediatoren beginnen aanmaken en uitscheiden.
- oa cytokines en leukotrienes.
Deze zullen gaan diffunderen in het weefsel, hoe verder je weggaat van de macrofaag hoe lager
de concentratie. Komen ook in contact met de epitheelcellen van de bloedvaten in dat weefsel.
1
, Jip Bergman
Endotheel gaat veranderingen ondergaan en vasodilatatie en ruimte tss endotheelcellen gaat
ruimer worden en wordt losmaziger. En de vasculaire permeabiliteit zal stijgen. Die endotheelcellen
worden ook aangezet om meer receptoren op het opp te zetten: adhesie EW (ICAM 1/2). De
neutrofielen gaan rollen over het endotheel aan de binnenzijde. (neutrofiel heeft een polymorfe
kern). Het endotheel en RBC hebben receptoren voor suikers die op de WBC aanwezig zijn. Je
krijgt hiertussen een interactie, waardoor ze elke keer vast zitten en weer loskomen omdat het niet
een hele sterke interactie is. Op de plaats van vasodilatatie zijn bijkomende adhesie EW op het
endotheel aanwezig, waar het neutrofiel EW op plasmamembraan mee binden, waardoor de
neutrofiel stopt met rollen omdat ie vast komt te zitten. En dan begint ie met diapesese = wurmt
zich tussen de ruimte van de endotheelcellen (hierom moet de kern ook gelobuleerd zijn). De
neutrofiel komt uiteindelijk in het weefsel buiten het endotheel terecht. Hij gebruikt de
ontstekingsmediatoren als een soort ‘broodjesspoor’ (doordat die een concentratiegradiënt heeft)
waar de neutrofiel receptoren voor heeft. En komt zo vanzelf terecht op de plaats van de infectie.
Vanaf dat moment gaan de macrofaag en neutrofiel samen het pathogeen bestrijden via
fagocytose: gaan ze opeten. Dat fagocytose proces in volgende tekening in detail.
Tekening 2: fagocytose
Stap1: macrofaag pakt pathogeen vast, moeilijk omdat ze beide negatief geladen zijn aan de
buitenkant. Op het plasmamembraan zijn receptoren om vast te hechten aan pathogenen. Die
receptoren herkennen algemene zaken zoals suikerstructuren (glucaan of mannose). Bindt ermee
en pakt pathogeen vast. Niet heel efficiënt systeem.
Efficienter systeem: opsonisatie: buitenkant van pathogeen bedekt door bepaalde componenten
van immuunsysteem waardoor ze makkelijk gepakt worden door macrofagen. Ew gaan
vasthechten op pathogeen: acute fase EW (dit maakt het pathogeen lekker om te eten ;). Kan ook
door complement
factoren gebeuren > C3b of door antistoffen. Worden door de receptoren van de macrofaag
vastgepakt. Cel gaat omgrijpen want zijn skelet wordt vervormd door bijkomende filamenten in
skelet = actinefilamenten (meer dan eerder krijgen), de armpjes gaan naar elkaar toe groeien en
vormen een vesikel rond het pathogeen, daarna een fagosoom als het pathogeen heeft
opgenomen. Er komen direct een protonenstroom binden waardoor.
Fagosoom gaat samensmelten met het lysosoom, in het lysosoom zijn allemaal toxische zaken
aanwezig. Lipasen, proteasen, etc. gaan ook AB EW inwerken en zuurstofderivaten die het
pathogeen oxideren. Allemaal dingen werken in op het pathogeen en het wordt vernietigd.
In het bloed zijn complementEW aanwezig waardoor bij een infectie de complementfactoren in het
weefsel kunnen komen bij de plek van vasodilatie en kunnen inwerken op pathogeen.
Al deze EW kunnen zorgen voor een cascade reactie als er eentje start.
Tekening 3: complementcascade
Complementfactoren via het bloed in weefsel bij pathogeen kan gaan binden op pathogeen en
vormt zo een cascadereactie omdat ze na elkaar alleen maar gaan binden = kettingsreactie. Op
een moment worden complementfactoren msassaal geproduceerd (C3b) die gaan binden op het
pathogeen. Hierdoor wordt de fagocytose sterk bevorderd. De complementreati gaat nog voort en
worden meer factoren geproduceerd. Op het einde zullen de complentfactoren met elkaar
intrageren en poriën vormen > buisje in het membraan van het pathogeen (honderden). Langs die
poriën kan water binnenlopen > opzwellen > barsten = osmotische lyse.
MAC = membrane attack complex = complentfactoren die poriën gaan vormen.
Pathogenen waarbij het immuunsysteem aan de buitekant van pathogen raken. Niet alle
pathogenen bevinden zich vrij EC. Sommigen gaan ook binnendringen in lichaamscellen
(virussen), dan kan een fagocyt er niet aan omdat het IC zit. natural killer cellen (NK-cellen)
bevinden zich vooral in het bloed en zullen vanuit het bloed kunnen via diapidese naar de zone
van infectie migreren. Fibroblast in EC, virus in IC van fibroblast. NK-cellen hebben op oppervlak
2
, Jip Bergman
activerende en inhiberende receptoren. Elke gezonde cel in lichaam heeft MHC1 molecule die door
de NK-cel negatieve receptoren wordt herkend en gebonden. Als er vooral gebonden aan de
geinhibeerde receptoren gebeurt er niks. Als een virus een infectie veroorzakkt in het cel dan krijgt
de cel stress en geeft hij minder inhiberende signalen maar nu ook stress eiwitten presenteren, die
alleen gevormd worden als een cel onder stress staan (virus infectie) > fungeren als SOS signaal.
Gaan met acitverende receptoren van NK-cel binden en de balans slaat door naar de andere kant,
waardoor je activatie van de NK-cel krijgt. Geeft een boodschap aan virus geinfecteerde cel geven
om in apoptose te gaan > cel zal afsterven L.
Les 2 27/09
Tekening 1 verworven immuunrespons
Verworven immuunrespons: begint ool bij epitheel dat beschadigd is waarlangs het pathogeen naar
binnen is gedrongen. De macrofagen zetten de vasodilatatie in gang. 1 van de sentinelcellen is
belangrijk bij het activeren van die immuunrespons = dendritische cel (DC). Zal een deel van de
pathogenen gaan fagocyteren > fagosomen vormen. Als het een virus is gaat hij ook delen
opnemen = celdebris van virus geinfecteerde cellen. Maar het virus kan ook cel in de DC komen
en daar beginnen vermeerderen. De hoofdtaak van de dendritische cel is om iets van het
pathogeen te sampelen (meenemen) en te tonen aan de T-lymfocyten. Moet dat daaraan gaan
tonen en zoeken naar T-cel die specifiek dat pathogeen herkend, zal er maar eentje van zijn.
Dendritische cel gaat die dus vinden en T-cel activeren zodat die gaat delen = klonale expansie,
zodat er met meerdere kunnen bestrijden. Dit duurt een aantal dagen voordat het volop op gang
is. De plaatsen waar de dendritische cel dat zoekt is op welbepaalde plaatsen in het lichaam =
secundaire lymfoïde organen (lymfeknoop, milt, etc.) Zodra de dendritische cel een sample
verworven heeft gaat deze naar de dichtstbijzijnde lymfeknoop vaak, afhankelijk van de plaats in
het lichaam waar hij zit.
In de lymfknoop komen delen van pathogeen en de dendritische cel met pathogeen sample. In die
lymfeknoop zijn de lymfocyten aanwezig > de T-cellen en de B-cellen. De dendritsche cel gaat daar
T-cellen beginnen te scannen totdat hij de juiste gevonden heeft
Tekening 2: dendritische cel antigeen presentatie
De dendritische cel komt in een omgeving die geïnfecteerd is door pathogenen, bacterie wordt via
fagocytose opgenomen door dendritische cel. Gaat verschillende EW van de bacterie verknippen
en sommige delen zullen worden opgeladen op een molecule die deel uit maken van de
dendritische cel = sommige daarvan zijn antigenen = vreemde stukjes afkomstig van een
pathogeen. Een aantal van die stukjes zullen worden gekoppeld aan een MHC2 molecule en wordt
naar plasmamembraan gebracht in een vesikel en op plasmamembraan gezet. Zo toont de
dendritische cel aan de buitenwereld een stukje pathogeen, dit herkent de T-cel, enkel via MHC
molecule zal de T-cel herkennen.
Wat er ook kan gebeuren is als virus binnendringt in cyotplasma en daar gaat vermeerderen, dan
kan de DC daar ook stukjes van verknippen via cilindervormige structuur = proteosoom. Worden
verhakseld in kleine stukjes EW, worden op MHC1 molecule geladen. Het antigen is gekoppeld
aan MHC1 en wordt aan plasmamembraan gepresenteerd aan t-cellen. Een t-cel zal antigeen
kunnen herkennen dat gepresenteerd wordt door MHC1 of MHC2, niet allebei, twee groepen t-
cellen: CD4+ herkennen MHC2 = helper-t-cellen, CD8+ herkennen MHC1 = cytotoxische t-cel. De
laatse gaat virus geinfecteerde cellen herkennen en afdoden.
Tekening 3: herkenning via MHC1 molecule en cytotoxische t-cel
Deel van de EW van geinfecteerde DC, afgebroken tot peptiden via proteosoom, dan via ER op
MHC1 gezet en dan krijg je een vesikel dat naar het plasmamembraan wordt vervoerd.
Ondertussen is DC in de lymfeknoop via lymfe terecht gekomen en kan hij opzoek gaan naar de
juiste T-cel. Dan krijg je bij herkenning een interactie tussen de T-cel (moet CD8+ zijn) en DC,
herkent het door de t-celreceptor (TCR) op het plasmamebraan. Met die TCR herkent ie maar 1
soort antigen herkennen, via MHC1 molecule. Het CD8 is ook op het oppervlak van de T-cel
aanwezig, die CD8 zal de binding tussen MHC1 en TCR gaan stabiliseren. Die interactie tussen
3
, Jip Bergman
MHC1 en TCR zal een signaal activeren in de t-cel die doorgegeven wordt aan de kern, nog niet
genoeg op de t-cel te activeren. Als de t-cel het antigeen herkent moet er ook nog een andere
reactie plaatsvinden om te weten dat de DC van een pathogene geïnfecteerde plaats komt. Op die
geïnfecteerde plaats zullen er ook cytokines vrijkomen en inwerken op DC en zal de DC dat dragen
op zn membraan. Dit is de B7 molecule = aspecifieke reactie = gevaarsignaal, deze interactie met
de T-cel geeft ook een signaal aan de T-cel. En die twee signalen zorgen ervoor dat de T-cel
activeert, zal beginnen prolifereren en differentiëren. Hij zal opzoek gaan naar cellen in het lichaam
die geinfecteerd zijn met het virus en zal die gaan afdoden.
Tekening 4: herkenning van geïnfecteerde cellen door cytotoxische-t-cel
Wanneer de cytotoxische t-cel geactiveerd is, dan gaat ie prolifereren en differentiëren en zal gaan
migreren via de bloedbaan naar de plaats van infectie en daar opzoek gaan naar die specifieke
virus infecteerde cellen. Hij herkent het antigen dat via MHC1 is gepresenteerd, via dit gaan de
virus geïnfecteerde cellen ook presenteren (iedere cel met een kern in het lichaam kan een virus
presenteren met een MHC1 molecule). Wanneer bv een fibroblast geïnfecteerd is met een virus
zal een deel van virale EW met proteosoom worden afgebroken, en de peptiden fragmenten
worden gekoppeld op MHC1 molecule. Op die manier toont de virus geïnfecteerde cel aan de
buitenwereld dat ie geïnfecteerd is met een virus. De t-cel gaat met TCR op zoek gaan naar die
specifieke virus geïnfecteerde cel met het juiste virale antigen op MHC1. Bij herkenning weet ie dat
die cel afgedood moet worden: door granules vrij te stellen met toxische molecules: perforines,
granzymes en de death receptors > dwingen de cel op in apoptose te gaan.
De NK-cellen herkennen een virus geïnfecteerde cel op basis van inhiberende en activerende
signalen dat ze krijgen. Bij een virus geïnfecteerde cel zal het activerend signaal omhoog gaan en
het inhiberend signaal naar beneden. Dat inhiberende cel was MHC1 molecule > MHC1 gaat naar
beneden als ze virus geinfecteerd zijn, systeem dat virussen proberen te gebruiken om te
ontsnappen aan de cytotoxische t-cellen. De virussen zorgen ervoor dat MHC1- molecules
afgebroken worden, maar dat herkennen de NK-cellen dat net weer (te weinig inhiberende signalen
vanaf de cel naar NK-cellen).
Sommige virussen kunnen vermeerderen in de dendritische cel: probleem want die cel moet niet
te uitgeput zijn voordat ze het antigeen deftig kunnen presenteren aan de T-cel in de lymfeknoop.
Er bestaat daar een extra systeem vorm dat zo’n stervende DC zijn antigen presentatie nog kan
overdragen aan een andere frisse DC die in de lymfeknoop zit en zal de functie overnemen.
Tekening 5: T-helpercel herkenning van MHC2 molecule
De interactiezone tussen de twee celtypes wordt de immunologische synaps genoemd. DC heeft
antigeen opgenomen van buitenaf, bv van een bacterie, bacterie wordt via proteosoom kapot
gemaakt en peptiden worden op het MHC2 molecule gekoppel en op het plasmamembraan gezet.
De DC komt in lymfknoop en presenteert het aan de t-cellen. De cytotoxische t-cellen zullen het
niet herkennen, alleen de t-helpercellen (CD4+). De helper-t-cellen herkennen het via hun TCR en
zal de binding gestabiliseerd worden door een CD4 moleucule, en dat geeft een signaal. Je hebt
naast dit signaal nog een gevaarsignaal nodig (B7) om de t-helpercel te activeren. Het resultaat
van die activatie zorgt voor proliferatie (klonale expansie) en differentiatie. De helper-t-cel gaat
andere immuuncellen helpen, er zijn heel veel soorten van, 2 belangrijke types.
Tekening 6: T-helpercel
Sommige t-helpercellen zullen de b-cellen gaan helpen, die antistoffen vormen. de antistoffen gaan
kunnen binden met pathogeen en helpen om pathogeen te bestrijden, oa door opsonisatie. B-cellen
hebben de hulp van t-helpercellen nodig om antistoffen te produceren, degene die het best doet is
de t-helper-2-cel (th-2). De th1 gaan cellen helpen die intracelullaire pathogenen gaan bestrijden.
Antostoffen binden op het pathogeen, makkelijker extracellulair, moeilijk intracelullair.
Extracelullaire pathogenen worden het meest met antistoffen bestreden. T-helper-1-cellen gaan de
immuunrespons die intracelullair afspeelt vooral bestrijden. Macrofagen zijn fagocyten die
bacteriën kunnen opnemen en vernietigen, sommige pathogenen (tubercullose) kunnen
gefagocyteerd worden / opgenomen, maar die leggen derest van het fagocytose systeem lam,
blokkeren het systeem. Ze gaan het gebruiken als het maken van een milieu waarin ze kunnen
4
Immunologie – prof Favoreel
Les 1 25/09
Examen: schriftelijk met open vragen, twee vragen over aangeboren en verworven
immuunsysteem. Een hoofdvraag met 2-tal kleine bijvragen. Hoofdvragen lijst krijgen we na de
lessen. En nog een vraag over antigenen en antistoffen en een vraag over mucosaal
immuunsysteem. En nog een vraag over het practicum. Tijdens het practicum 1,5 punt voor het
examen.
è Cursus, hoorcolleges en practica studeren
Hoofdstuk 1A: Ontsteking
Immuunrespons bestaat uit aanboren immuunrespons, is aspecifiek, reageert heel snel op het
pathogeen, maar is niet specifiek. Is vaak al genoeg om het pathogeen uit te schakelen of te zorgen
dat ie niet kan vermenigvuldigen. Dit deel van het immuunsysteem heeft geen geheugen.
Tweede deel = verworven immuunsysteem, reageert trager, maar is veel specifieker, blijft lang
geactiveerd aanwezig doordat het een memory heeft. Kan sneller en efficiënter reageren als het
pathogeen nog een keer terugkomt. Hierop is het principe van vaccinaties gebaseerd.
De eerste twee lessen zijn om een overzicht te creëren J
Immuunrespons niet de enige barrière, maar ook fysische en chemische barrière. Fysische
barriere: epitheelcellen met mucus erop waardoor pathogenen niet zomaar binnen kunnen komen.
Tekening 1: aangeboren aspecifieke immuunrespons
Aangeboren aspecifieke immuunrespons: pathogenen gaan in principe niet door de epitheellaag
kunnen. Door een doorboring van het huideptheel kunnen de bacteriën in het lichaam geraken in
een omgeving waar gevoelige cellen aanwezig zijn waardoor het pathogeen kan gaan
vermenigvuldigen. Ze kunnen eventueel ook in het bloed terecht komen en systemisch terecht
komen. Zodra pathogeen in het lichaam binnendringen worden ze snel herkend door sentinelcellen
/ schildwachtcellen > macrofaag (of mastcellen en dendritische cellen).
Die schildwachtcel weet dat het pathogeen binnendringt doordat hij op zn plasmamembraan
receptoren heeft > PRR = pathogen recognition receptor, die herkennen structuten die
lichaamsvreemd zijn. Bij bacteriën komt er vaak op de buitenkant LPS voor (typisch
lichaamsvreemd) = PAMP = pathogen associated molecular pattern. Er worden een aantal
beschadigingsfactoren van het eigen lichaam = DAMP (damage associated molecular pattern)
vrijgesteld waardoor de macrofaag geactiveerd zal worden, teken dat er weefselschade gebeurt).
Immuunrespons wordt door alleen een beschadiging dus ook al op gang gebracht =
ontstekingsreactie. Die PAMPs en DAMPs worden door de macrofaag herkent en activeert een
signaal en gaat ontstekingsmediatoren beginnen aanmaken en uitscheiden.
- oa cytokines en leukotrienes.
Deze zullen gaan diffunderen in het weefsel, hoe verder je weggaat van de macrofaag hoe lager
de concentratie. Komen ook in contact met de epitheelcellen van de bloedvaten in dat weefsel.
1
, Jip Bergman
Endotheel gaat veranderingen ondergaan en vasodilatatie en ruimte tss endotheelcellen gaat
ruimer worden en wordt losmaziger. En de vasculaire permeabiliteit zal stijgen. Die endotheelcellen
worden ook aangezet om meer receptoren op het opp te zetten: adhesie EW (ICAM 1/2). De
neutrofielen gaan rollen over het endotheel aan de binnenzijde. (neutrofiel heeft een polymorfe
kern). Het endotheel en RBC hebben receptoren voor suikers die op de WBC aanwezig zijn. Je
krijgt hiertussen een interactie, waardoor ze elke keer vast zitten en weer loskomen omdat het niet
een hele sterke interactie is. Op de plaats van vasodilatatie zijn bijkomende adhesie EW op het
endotheel aanwezig, waar het neutrofiel EW op plasmamembraan mee binden, waardoor de
neutrofiel stopt met rollen omdat ie vast komt te zitten. En dan begint ie met diapesese = wurmt
zich tussen de ruimte van de endotheelcellen (hierom moet de kern ook gelobuleerd zijn). De
neutrofiel komt uiteindelijk in het weefsel buiten het endotheel terecht. Hij gebruikt de
ontstekingsmediatoren als een soort ‘broodjesspoor’ (doordat die een concentratiegradiënt heeft)
waar de neutrofiel receptoren voor heeft. En komt zo vanzelf terecht op de plaats van de infectie.
Vanaf dat moment gaan de macrofaag en neutrofiel samen het pathogeen bestrijden via
fagocytose: gaan ze opeten. Dat fagocytose proces in volgende tekening in detail.
Tekening 2: fagocytose
Stap1: macrofaag pakt pathogeen vast, moeilijk omdat ze beide negatief geladen zijn aan de
buitenkant. Op het plasmamembraan zijn receptoren om vast te hechten aan pathogenen. Die
receptoren herkennen algemene zaken zoals suikerstructuren (glucaan of mannose). Bindt ermee
en pakt pathogeen vast. Niet heel efficiënt systeem.
Efficienter systeem: opsonisatie: buitenkant van pathogeen bedekt door bepaalde componenten
van immuunsysteem waardoor ze makkelijk gepakt worden door macrofagen. Ew gaan
vasthechten op pathogeen: acute fase EW (dit maakt het pathogeen lekker om te eten ;). Kan ook
door complement
factoren gebeuren > C3b of door antistoffen. Worden door de receptoren van de macrofaag
vastgepakt. Cel gaat omgrijpen want zijn skelet wordt vervormd door bijkomende filamenten in
skelet = actinefilamenten (meer dan eerder krijgen), de armpjes gaan naar elkaar toe groeien en
vormen een vesikel rond het pathogeen, daarna een fagosoom als het pathogeen heeft
opgenomen. Er komen direct een protonenstroom binden waardoor.
Fagosoom gaat samensmelten met het lysosoom, in het lysosoom zijn allemaal toxische zaken
aanwezig. Lipasen, proteasen, etc. gaan ook AB EW inwerken en zuurstofderivaten die het
pathogeen oxideren. Allemaal dingen werken in op het pathogeen en het wordt vernietigd.
In het bloed zijn complementEW aanwezig waardoor bij een infectie de complementfactoren in het
weefsel kunnen komen bij de plek van vasodilatie en kunnen inwerken op pathogeen.
Al deze EW kunnen zorgen voor een cascade reactie als er eentje start.
Tekening 3: complementcascade
Complementfactoren via het bloed in weefsel bij pathogeen kan gaan binden op pathogeen en
vormt zo een cascadereactie omdat ze na elkaar alleen maar gaan binden = kettingsreactie. Op
een moment worden complementfactoren msassaal geproduceerd (C3b) die gaan binden op het
pathogeen. Hierdoor wordt de fagocytose sterk bevorderd. De complementreati gaat nog voort en
worden meer factoren geproduceerd. Op het einde zullen de complentfactoren met elkaar
intrageren en poriën vormen > buisje in het membraan van het pathogeen (honderden). Langs die
poriën kan water binnenlopen > opzwellen > barsten = osmotische lyse.
MAC = membrane attack complex = complentfactoren die poriën gaan vormen.
Pathogenen waarbij het immuunsysteem aan de buitekant van pathogen raken. Niet alle
pathogenen bevinden zich vrij EC. Sommigen gaan ook binnendringen in lichaamscellen
(virussen), dan kan een fagocyt er niet aan omdat het IC zit. natural killer cellen (NK-cellen)
bevinden zich vooral in het bloed en zullen vanuit het bloed kunnen via diapidese naar de zone
van infectie migreren. Fibroblast in EC, virus in IC van fibroblast. NK-cellen hebben op oppervlak
2
, Jip Bergman
activerende en inhiberende receptoren. Elke gezonde cel in lichaam heeft MHC1 molecule die door
de NK-cel negatieve receptoren wordt herkend en gebonden. Als er vooral gebonden aan de
geinhibeerde receptoren gebeurt er niks. Als een virus een infectie veroorzakkt in het cel dan krijgt
de cel stress en geeft hij minder inhiberende signalen maar nu ook stress eiwitten presenteren, die
alleen gevormd worden als een cel onder stress staan (virus infectie) > fungeren als SOS signaal.
Gaan met acitverende receptoren van NK-cel binden en de balans slaat door naar de andere kant,
waardoor je activatie van de NK-cel krijgt. Geeft een boodschap aan virus geinfecteerde cel geven
om in apoptose te gaan > cel zal afsterven L.
Les 2 27/09
Tekening 1 verworven immuunrespons
Verworven immuunrespons: begint ool bij epitheel dat beschadigd is waarlangs het pathogeen naar
binnen is gedrongen. De macrofagen zetten de vasodilatatie in gang. 1 van de sentinelcellen is
belangrijk bij het activeren van die immuunrespons = dendritische cel (DC). Zal een deel van de
pathogenen gaan fagocyteren > fagosomen vormen. Als het een virus is gaat hij ook delen
opnemen = celdebris van virus geinfecteerde cellen. Maar het virus kan ook cel in de DC komen
en daar beginnen vermeerderen. De hoofdtaak van de dendritische cel is om iets van het
pathogeen te sampelen (meenemen) en te tonen aan de T-lymfocyten. Moet dat daaraan gaan
tonen en zoeken naar T-cel die specifiek dat pathogeen herkend, zal er maar eentje van zijn.
Dendritische cel gaat die dus vinden en T-cel activeren zodat die gaat delen = klonale expansie,
zodat er met meerdere kunnen bestrijden. Dit duurt een aantal dagen voordat het volop op gang
is. De plaatsen waar de dendritische cel dat zoekt is op welbepaalde plaatsen in het lichaam =
secundaire lymfoïde organen (lymfeknoop, milt, etc.) Zodra de dendritische cel een sample
verworven heeft gaat deze naar de dichtstbijzijnde lymfeknoop vaak, afhankelijk van de plaats in
het lichaam waar hij zit.
In de lymfknoop komen delen van pathogeen en de dendritische cel met pathogeen sample. In die
lymfeknoop zijn de lymfocyten aanwezig > de T-cellen en de B-cellen. De dendritsche cel gaat daar
T-cellen beginnen te scannen totdat hij de juiste gevonden heeft
Tekening 2: dendritische cel antigeen presentatie
De dendritische cel komt in een omgeving die geïnfecteerd is door pathogenen, bacterie wordt via
fagocytose opgenomen door dendritische cel. Gaat verschillende EW van de bacterie verknippen
en sommige delen zullen worden opgeladen op een molecule die deel uit maken van de
dendritische cel = sommige daarvan zijn antigenen = vreemde stukjes afkomstig van een
pathogeen. Een aantal van die stukjes zullen worden gekoppeld aan een MHC2 molecule en wordt
naar plasmamembraan gebracht in een vesikel en op plasmamembraan gezet. Zo toont de
dendritische cel aan de buitenwereld een stukje pathogeen, dit herkent de T-cel, enkel via MHC
molecule zal de T-cel herkennen.
Wat er ook kan gebeuren is als virus binnendringt in cyotplasma en daar gaat vermeerderen, dan
kan de DC daar ook stukjes van verknippen via cilindervormige structuur = proteosoom. Worden
verhakseld in kleine stukjes EW, worden op MHC1 molecule geladen. Het antigen is gekoppeld
aan MHC1 en wordt aan plasmamembraan gepresenteerd aan t-cellen. Een t-cel zal antigeen
kunnen herkennen dat gepresenteerd wordt door MHC1 of MHC2, niet allebei, twee groepen t-
cellen: CD4+ herkennen MHC2 = helper-t-cellen, CD8+ herkennen MHC1 = cytotoxische t-cel. De
laatse gaat virus geinfecteerde cellen herkennen en afdoden.
Tekening 3: herkenning via MHC1 molecule en cytotoxische t-cel
Deel van de EW van geinfecteerde DC, afgebroken tot peptiden via proteosoom, dan via ER op
MHC1 gezet en dan krijg je een vesikel dat naar het plasmamembraan wordt vervoerd.
Ondertussen is DC in de lymfeknoop via lymfe terecht gekomen en kan hij opzoek gaan naar de
juiste T-cel. Dan krijg je bij herkenning een interactie tussen de T-cel (moet CD8+ zijn) en DC,
herkent het door de t-celreceptor (TCR) op het plasmamebraan. Met die TCR herkent ie maar 1
soort antigen herkennen, via MHC1 molecule. Het CD8 is ook op het oppervlak van de T-cel
aanwezig, die CD8 zal de binding tussen MHC1 en TCR gaan stabiliseren. Die interactie tussen
3
, Jip Bergman
MHC1 en TCR zal een signaal activeren in de t-cel die doorgegeven wordt aan de kern, nog niet
genoeg op de t-cel te activeren. Als de t-cel het antigeen herkent moet er ook nog een andere
reactie plaatsvinden om te weten dat de DC van een pathogene geïnfecteerde plaats komt. Op die
geïnfecteerde plaats zullen er ook cytokines vrijkomen en inwerken op DC en zal de DC dat dragen
op zn membraan. Dit is de B7 molecule = aspecifieke reactie = gevaarsignaal, deze interactie met
de T-cel geeft ook een signaal aan de T-cel. En die twee signalen zorgen ervoor dat de T-cel
activeert, zal beginnen prolifereren en differentiëren. Hij zal opzoek gaan naar cellen in het lichaam
die geinfecteerd zijn met het virus en zal die gaan afdoden.
Tekening 4: herkenning van geïnfecteerde cellen door cytotoxische-t-cel
Wanneer de cytotoxische t-cel geactiveerd is, dan gaat ie prolifereren en differentiëren en zal gaan
migreren via de bloedbaan naar de plaats van infectie en daar opzoek gaan naar die specifieke
virus infecteerde cellen. Hij herkent het antigen dat via MHC1 is gepresenteerd, via dit gaan de
virus geïnfecteerde cellen ook presenteren (iedere cel met een kern in het lichaam kan een virus
presenteren met een MHC1 molecule). Wanneer bv een fibroblast geïnfecteerd is met een virus
zal een deel van virale EW met proteosoom worden afgebroken, en de peptiden fragmenten
worden gekoppeld op MHC1 molecule. Op die manier toont de virus geïnfecteerde cel aan de
buitenwereld dat ie geïnfecteerd is met een virus. De t-cel gaat met TCR op zoek gaan naar die
specifieke virus geïnfecteerde cel met het juiste virale antigen op MHC1. Bij herkenning weet ie dat
die cel afgedood moet worden: door granules vrij te stellen met toxische molecules: perforines,
granzymes en de death receptors > dwingen de cel op in apoptose te gaan.
De NK-cellen herkennen een virus geïnfecteerde cel op basis van inhiberende en activerende
signalen dat ze krijgen. Bij een virus geïnfecteerde cel zal het activerend signaal omhoog gaan en
het inhiberend signaal naar beneden. Dat inhiberende cel was MHC1 molecule > MHC1 gaat naar
beneden als ze virus geinfecteerd zijn, systeem dat virussen proberen te gebruiken om te
ontsnappen aan de cytotoxische t-cellen. De virussen zorgen ervoor dat MHC1- molecules
afgebroken worden, maar dat herkennen de NK-cellen dat net weer (te weinig inhiberende signalen
vanaf de cel naar NK-cellen).
Sommige virussen kunnen vermeerderen in de dendritische cel: probleem want die cel moet niet
te uitgeput zijn voordat ze het antigeen deftig kunnen presenteren aan de T-cel in de lymfeknoop.
Er bestaat daar een extra systeem vorm dat zo’n stervende DC zijn antigen presentatie nog kan
overdragen aan een andere frisse DC die in de lymfeknoop zit en zal de functie overnemen.
Tekening 5: T-helpercel herkenning van MHC2 molecule
De interactiezone tussen de twee celtypes wordt de immunologische synaps genoemd. DC heeft
antigeen opgenomen van buitenaf, bv van een bacterie, bacterie wordt via proteosoom kapot
gemaakt en peptiden worden op het MHC2 molecule gekoppel en op het plasmamembraan gezet.
De DC komt in lymfknoop en presenteert het aan de t-cellen. De cytotoxische t-cellen zullen het
niet herkennen, alleen de t-helpercellen (CD4+). De helper-t-cellen herkennen het via hun TCR en
zal de binding gestabiliseerd worden door een CD4 moleucule, en dat geeft een signaal. Je hebt
naast dit signaal nog een gevaarsignaal nodig (B7) om de t-helpercel te activeren. Het resultaat
van die activatie zorgt voor proliferatie (klonale expansie) en differentiatie. De helper-t-cel gaat
andere immuuncellen helpen, er zijn heel veel soorten van, 2 belangrijke types.
Tekening 6: T-helpercel
Sommige t-helpercellen zullen de b-cellen gaan helpen, die antistoffen vormen. de antistoffen gaan
kunnen binden met pathogeen en helpen om pathogeen te bestrijden, oa door opsonisatie. B-cellen
hebben de hulp van t-helpercellen nodig om antistoffen te produceren, degene die het best doet is
de t-helper-2-cel (th-2). De th1 gaan cellen helpen die intracelullaire pathogenen gaan bestrijden.
Antostoffen binden op het pathogeen, makkelijker extracellulair, moeilijk intracelullair.
Extracelullaire pathogenen worden het meest met antistoffen bestreden. T-helper-1-cellen gaan de
immuunrespons die intracelullair afspeelt vooral bestrijden. Macrofagen zijn fagocyten die
bacteriën kunnen opnemen en vernietigen, sommige pathogenen (tubercullose) kunnen
gefagocyteerd worden / opgenomen, maar die leggen derest van het fagocytose systeem lam,
blokkeren het systeem. Ze gaan het gebruiken als het maken van een milieu waarin ze kunnen
4