1. Constitutioneel pluralisme
o Het idee dat er meerdere constitutionele rechtsordes naast
elkaar bestaan (nationaal, supranationaal), die samenwerken
en soms conflicteren.
2. Grondwet
o Het juridische document met bovenwettelijke status dat de
basisregels van de staatsorganisatie en fundamentele rechten
vastlegt.
3. Grondwettelijk recht
o De regels over de inrichting en werking van de overheid (drie
machten) en de basis van een democratische rechtsorde,
inclusief grondrechten.
4. Judicial dialogue (rechterlijke dialoog)
o De samenwerking en communicatie tussen rechtbanken
(nationaal en Europees) om constitutionele conflicten op te
lossen.
5. Multilevel constitutionalisme
o Een gelaagde rechtsorde waarin macht wordt uitgeoefend op
verschillende niveaus (lokaal, nationaal, supranationaal).
6. Normenhiërarchie
o De rangorde van rechtsnormen, waarbij hogere normen (bijv.
Grondwet, Europees recht) voorrang hebben op lagere (bijv.
wetten).
7. Publiekrecht
o Rechtsregels die de relatie tussen overheid en burgers of
tussen overheden regelen (in tegenstelling tot privaatrecht).
8. Rechtsstaat
o Een staat waarin de overheid gebonden is aan het recht, met
scheiding der machten en bescherming van grondrechten.
9. Scheiding der machten (Trias Politica)
o De verdeling van overheidsmacht in wetgevende, uitvoerende
en rechterlijke macht, met wederzijdse controle om misbruik
te voorkomen.