Robert S. Feldman 9e editie
Uitgebreide samenvatting PB0122-242814B incl. aanvullende informatie uit de
opdrachten
(deel 1 t/m 4 (H1-13), exclusief deel 5: de adolescentie)
Open universiteit 2024/2025
Bo van der Zee
,Inhoudsopgave:
Hoofdstuk 1 een inleiding in de ontwikkeling van het kind. ........................................................................................................ 3
Hoofdstuk 2 theoretische perspectieven en onderzoek .............................................................................................................. 8
Hoofstuk 3 het begin van het leven ........................................................................................................................................... 20
Hoofdstuk 4 de geboorte en het pasgeboren kind .................................................................................................................... 32
Hoofdstuk 5 de fysieke ontwikkeling in de babytijd .................................................................................................................. 37
Hoofdstuk 6 de cognitieve ontwikkeling in de babytijd ............................................................................................................. 48
Hoofdstuk 7 de sociaal-emotionele ontwikkeling en de persoonlijkheidsontwikkeling in de babytijd .................................... 55
Hoofdstuk 8 de fysieke ontwikkeling in de peuter- en kleutertijd ............................................................................................. 62
Hoofdstuk 9 de cognitieve ontwikkeling in de peuter- en kleutertijd ....................................................................................... 70
Hoofdstuk 10 de sociaal-emotionele ontwikkeling en de persoonlijkheidsontwikkeling in de peuter- en kleutertijd ............. 79
Hoofdstuk 11 de fysieke ontwikkeling in de schooltijd .............................................................................................................. 86
Hoofdstuk 12 de cognitieve ontwikkeling in de schooltijd ........................................................................................................ 92
Hoofdstuk 13 de sociaal-emotionele ontwikkeling en de persoonlijkheidsontwikkeling in de schooltijd .............................. 102
Tentamenstof:
• Hoofdstuk 1 t/m 13 van het tekstboek (Feldman, 2024) én de online leeromgeving (Brightspace)
vormen samen de leerstof voor het tentamen.
Dus álle inleidende teksten, opdrachten en terugkoppelingen bij de opdrachten in de online
leeromgeving behoren tot de tentamenstof, tenzij aangeduid als facultatief.
• Externe bronnen:
o Zwangerschapshormonen
o DNA
o APGAR
o De ontwikkeling van het centrale zenuwstelsel
Facultatieve bronnen:
• Paragraaf 1.2.1 - Vroege denkbeelden over kinderen, pp. 14-16
• Paragraaf 1.2.2 - De twintigste eeuw: ontwikkelingspsychologie als discipline, p. 16
• Paragraaf 4.1.3 - Opvattingen over bevallen, pp. 120-123
, Hoofdstuk 1 een inleiding in de ontwikkeling van het kind.
Leerdoelen:
Nadat je deze studietaak hebt bestudeerd, kun je:
• een definitie van ontwikkelingspsychologie geven
• een beschrijving geven van de uitgangspunten en reikwijdte van het vakgebied
• de belangrijkste onderwerpen en vraagstukken binnen de ontwikkelingspsychologie benoemen
• de recente ontwikkelingen en de toekomst van het vakgebied schetsen
• verschillende invloeden op de menselijke ontwikkeling onderscheiden.
1.1 een oriëntatie op de ontwikkelingspsychologie
Ontwikkelingspsychologie: de wetenschappelijke studie van patronen van groei, verandering en stabiliteit bij
mensen gedurende hun hele leven, van conceptie t/m de late volwassenheid (de dood).
→ Verschillende delen van de definitie van ontwikkelingspsychologie:
1. Wetenschappelijke benadering
→ Ontwikkelingsonderzoekers komen tot aannames of hypotheses en toetsen deze met behulp van
wetenschappelijke werkwijzen → hypotheses over de aard en het verloop van de menselijke
ontwikkeling
2. Richt zich op de menselijke ontwikkeling
→ Universele ontwikkelingsprincipes (die voor iedereen gelden), specifieker (invloed van culturele
verschillen op het verloop van de ontwikkeling) of op de unieke aspecten van individuen.
3. Ontwikkelingspsychologen naast de manier waarop mensen tijdens hun leven veranderen en groeien
ook bezig met stabiliteit in het leven van kinderen, adolescenten en volwassenen.
→ Op welke gebieden en welke perioden in het leven veranderen en groeien mensen en hoe hun
gedrag juist overeenkomt met eerder gedrag.
4. Ontwikkelingsproces in elke levensfase (moment van conceptie tot de dood)
→ Levensloopperspectief
→ Mensen blijven in sommige opzichten groeien en veranderen tot einde van hun leven (terwijl hun
gedrag in andere opzichten stabiel blijft).
1.1.1 de reikwijdte van het vakgebied
Ontwikkelingsdomeinen binnen de ontwikkelingspsychologie
1. Fysieke ontwikkeling
→ Ontwikkeling die betrekking heeft op de fysieke opbouw van het lichaam.
→ Kijkt naar de invloed van de hersenen, het zenuwstelsel, de spieren, zintuigen en de behoefte aan
eten, drinken en slaap op ons gedrag.
→ Voorbeelden:
o Effecten van ondervoeding op het groeitempo en motoriek van kinderen
o Het seksuele rijpingsproces tijdens de adolescentie.
→ Rijping: blijvende fysieke of psychologische verandering als gevolg van biologische
groeiprocessen.
2. Cognitieve ontwikkeling
→ Ontwikkeling die betrekking heeft op intellectuele vermogens.
→ Leervermogen, geheugen, taalontwikkeling, probleemoplossing en intelligentie.
→ Voorbeelden:
o wat zijn de vroegste herinneringen?
o heeft tweetaligheid voordelen?
3. Sociaal-emotionele ontwikkeling en persoonlijkheidsontwikkeling
→ Sociaal-emotionele ontwikkeling: ontwikkeling die betrekking heeft op sociale relaties, interacties
met anderen en op het omgaan met emoties.
→ Voorbeelden:
o effecten van racisme, armoede of scheiding van ouders op de ontwikkeling van kinderen.
o hoe de aard en het belang van vriendschappen over de levensloop veranderen.
, o sociaal emotionele aspecten van de seksuele ontwikkeling.
→ Persoonlijkheidsontwikkeling: ontwikkeling van duurzame gedragingen en (karakter)eigenschappen
die de ene persoon van de andere onderscheiden.
→ Morele ontwikkeling (de ontwikkeling van het geweten).
→ Voorbeelden:
o heeft een kleuter een besef van goed en kwaad?
o wanneer wordt een kind zich bewust van gender?
Ontwikkelingsfasen en individuele verschillen
→ globale indeling van vijf leeftijdsgroepen of ontwikkelingsfasen wordt gehanteerd:
1. Prenatale periode (van conceptie tot geboorte)
2. Babytijd (geboorte tot 2 jaar)j
3. Peuter- en kleutertijd (2 tot 6 jaar)
4. Schooltijd (6 tot 12 jaar)
5. Adolescentie (12 tot 20 jaar)
→ Sociale constructies: een idee over de realiteit dat weliswaar breed geaccepteerd is, maar afhangt van de
maatschappij en de cultuur op een bepaald moment.
→ Overgang tussen schooltijd en adolescentie afhankelijk van de puberteit.
→ Puberteit: Het begin van het seksuele rijpingsproces
• Meisjes rond 11/12, bij jongens 13/14
• Prepuberteit: periode voorafgaand aan de puberteit, waarin al (hormonale) veranderingen in het
lichaam optreden, maar deze nog niet van buitenaf zichtbaar zijn.
→ De ontluikende volwassenheid als aparte leeftijdsfase (late tienerjaren tot 30 jaar)
• Psycholoog Arnett
• Mensen niet langer adolescenten, maar hebben ze toch ook nog niet de verantwoordelijkheden van
de volwassenheid volledig op zich genomen.
• Ontdekken van de eigen identiteit.
→ Variatie in overgang verschillende ontwikkelingsfasen:
1. Biologische oorzaak
→ De ene mens is sneller volgroeid dan de andere.
2. Omgevingsfactoren
→ Bv leeftijd waarop mensen meestal liefdesrelaties aangaan varieert bv per cultuur en is deels
afhankelijk van de manier waarop mensen in die cultuur aankijken tegen relaties.
• Alleen opgemerkt als kinderen aanzienlijke afwijkingen van het gemiddelde vertonen (veel later
beginnen met praten)
1.1.2 invloeden op de ontwikkeling: ontwikkelen in een sociale wereld
Cohort: een groep mensen die in een bepaalde periode leeft, waardoor zij voor een deel gelijke ervaringen
opdoen.
• Belangrijke sociaalhistorische gebeurtenissen (oorlogen, economische groei en crises, hongersnoden
en epidemieën) hebben mogelijk een bepaalde gemeenschappelijke invloed op mensen binnen een
cohort.
Normatieve en niet-normatieve gebeurtenissen
• Normatieve gebeurtenissen: gebeurtenissen die zich voor de meeste individuen binnen een groep op
dezelfde manier voltrekken.
→ Kunnen historisch, leeftijdsgebonden en/of sociaal-cultureel bepaald zijn.
1. Normatieve historische invloeden
o Sociale omgevingsinvloeden en biologische invloeden die verbonden zijn met de specifieke
maatschappelijke situatie in een historische tijd.
o Bijv: coronaperiode
2. Normatieve leeftijdsgebonden invloeden
o Biologische invloeden en omgevingsinvloeden die vergelijkbaar zijn voor mensen in een
bepaalde leeftijdsgroep.
o Bijv: bereiken van de puberteit en leerplicht (verplicht onderwijs bij 5-jarige leeftijd).
, 3. Normatieve sociaal-culturele invloeden
o Bepalen de ontwikkeling van mensen, zoals de brede cultuur, etnische afkomst, sociale klasse
en het behoren tot een subcultuur.
o Hebben ook weer invloed op hoe de historische en leeftijdgebonden invloeden er precies
uitzien.
• Niet-normatieve gebeurtenissen: specifieke gebeurtenissen die plaatsvinden in het leven van een
bepaald persoon, terwijl de meeste andere mensen hiermee niet te maken krijgen.
o Bijv: je ouders verliezen door een ongeval en een landelijke wetenschapswedstrijd winnen.
Ontwikkelingspsychologie in de praktijk: pogingen om de invloed van diversiteit op ontwikkeling te begrijpen
collectivistische oriëntatie: mensen zijn meer gericht op hun onderlinge afhankelijkheid
individualistische oriëntatie: meer gericht op het uniek en onafhankelijk zijn.
- etnische groep/etniciteit → bredere termen dan ras waarover iets meer overeenstemming bestaat.
→ Verwijzen naar culturele achtergrond, nationaliteit, religie en taal.
→Mensen binnen etnische groepen hebben een gezamenlijke culturele achtergrond en
groepshistorie.
- ras en etnische groepen worden tegenwoordig meestal gezien als een sociale constructie (gedefinieerd door
mensen en hun overtuigingen).
- WEIRD (Western, Educated, Industrialized, Rich en Democratic)
→ Veel van wat wij weten hierop gebaseerd, maar dit is slechts een klein deel van de totale
wereldpopulatie.
- voorheen: discipline die zich primair richtte op WEIRD-kinderen.
- tegenwoordig: discipline die zich bezighoudt met de ontwikkeling van kinderen met diverse achtergronden
van over de hele wereld.
, 1.2 kinderen: verleden, heden en toekomst
1.2.3 vraagstukken bij de thema’s van de ontwikkelingspsychologie
Continue verandering vs discontinue verandering
• Continue verandering: geleidelijke kwantitatieve ontwikkeling, waarbij prestaties op een bepaald
niveau voortvloeien uit die op de vorige niveaus.
→ Kwantitatief (hoeveelheid)
→ Kinderen kunnen bijv steeds beter en sneller lezen, mar het proces blijft nagenoeg hetzelfde: van
letters klanken maken.
• Discontinue verandering: ontwikkeling die in aparte stappen of stadia plaatsvindt, en waarbij elk
stadium gedrag oplevert dat kwalitatief anders is dan gedrag in eerdere stadia.
→ Kwalitatief (inhoud en hoedanigheid)
→ Een ontwikkeling kan abrupt, met sprongetjes verlopen.
→ Een kind dat opeens niet meer in bed plast, wanneer het door rijping eenmaal zijn blaas kan
beheersen.
Kritieke en gevoelige perioden: de invloed van de omgeving
• Kritieke periode: Een specifieke tijdsspanne in de ontwikkeling waarin een bepaalde gebeurtenis of het
uitblijven daarvan de grootste – en zelfs onomkeerbare – gevolgen heeft.
o Bijv: rubella krijgen in begin van de zwangerschap (oogafwijking) vs tijdens de 30e week
rubella krijgen (waarschijnlijk geen afwijking gehad).
o Komen voor wanneer de aanwezigheid van bepaalde soorten stimuli uit de omgeving
noodzakelijk is voor een normale ontwikkeling, of wanneer blootstelling aan bepaalde stimuli
abnormale ontwikkeling tot gevolgen heeft.
o Stimuli: prikkels, oftewel veranderingen in de uitwendige of inwendige omgeving waarop een
organisme reageert.
o Plasticiteit: de mate waarin een zich ontwikkeld gedragspatroon of fysieke structuur
veranderbaar is. → Gevoelige periode
• Gevoelige periode: Een afgebakende tijdspanne, meestal vroeg in het leven, waarin mensen extra
gevoelig zijn voor bepaalde omgevingsinvloeden, of juist het ontbreken daarvan, en sterk ontvankelijk
zijn voor het leren van specifieke vaardigheden.
o Bijv: als je jong bent gemakkelijk een 2de taal leren, op latere leeftijd kun je dat ook nog wel,
maar veel moeilijker.
• Verschil kritieke en gevoelige periode
o Kritieke periode → er wordt aangenomen dat het permanente en onomkeerbare gevolgen
heeft wanneer een zich ontwikkeld individu bepaalde invloeden mist of juist te maken krijgt
met bepaalde schadelijke invloeden.
o Gevoelige periode → het ontbreken of juist aanwezig zijn van bepaalde omgevingsinvloeden
de ontwikkeling kan verstoren, maar latere ervaringen deze effecten weer kunnen opheffen.
→ Plasticiteit van mensen in ontwikkeling.
Levensloopmodel vs focus op specifieke perioden
• Vroeger: focus op de babytijd en adolescentie (specifieke perioden)
• Tegenwoordig: focus op de hele periode van de conceptie t/m de hoge ouderdom (levensloopmodel).
→ In elk levensstadium sprake van ontwikkelingsgroei en -verandering.
→ Grote invloed van de sociale omgeving op de ontwikkeling.
→ 15-jarige ouder kan een andere invloed op een kind hebben dan een 37-jarige ouder.
De relatieve invloed van nature en nurture op de ontwikkeling
→ Nature-nurturedebat: De discussie over de oorsprong van ons gedrag en onze eigenschappen; in hoeverre
komen deze voort uit onze aanleg en in hoeverre uit onze opvoeding en leefomgeving?
• Nature: verwijst naar eigenschappen, vermogens en capaciteiten die mensen van hun ouders erven.
→ Rijping
→ Bijv: of onze ogen blauw of groen zijn, of je aanleg hebt voor atletiek, of je later kaal wordt.
• Nurture: verwijst naar de omgevingsinvloeden die ons gedrag en onze eigenschappen bepalen.
, o Biologisch → invloed van drank- en drugsgebruik tijdens de zwangerschap op een
ongeboren kind of het soort voedsel dat een kind krijgt.
o Sociale omgevingsinvloeden → manier waarop ouders hun kinderen opvoeden en de invloed
van leeftijdsgenoten op een adolescent.
o Maatschappelijke invloeden → sociaaleconomische omstandigheden waarin mensen zich
bevinden.
• Dit vraagstuk lastig te beantwoorden → omdat we genetische aanleg en omgeving niet los van elkaar
kunnen zien. Deze 2 begrippen 2 uitersten van elkaar, waarbij specifieke gedragspatronen ergens
tussen die 2 uitersten liggen.
→ Tegenwoordig zijn we ons ervan bewust dat maar weinig stellingen over ontwikkeling in de absolute of-of
vorm te formuleren zijn. Zo kunnen we de begrippen nature en nurture het best beschouwen als twee
uitersten van een schaal, waarbij specifieke gedragspatronen ergens tussen die twee uitersten liggen. Ook
continue versus discontinue ontwikkeling is geen kwestie van of-of. De meeste ontwikkelingspsychologen zijn
het erover eens dat beide soorten verandering naast elkaar bestaan.
Centrale vraagstukken rond de ontwikkeling van het kind (samenvatting)
Continue verandering Discontinue verandering
Verandering verloopt geleidelijk. Verandering verloopt stapsgewijs in duidelijk te onderscheiden
Prestaties op een bepaald niveau bouwen voort op een voorgaand fasen.
niveau. Gedrag en processen zijn in verschillende fasen kwalitatief
Onderliggende ontwikkelingsprocessen blijven het hele leven gelijk. verschillend.
Kritieke periode Gevoelige periode
Voor een normale ontwikkeling zijn per afgebakende periode Mensen zijn gevoelig voor bepaalde stimuli uit de omgeving,
bepaalde stimuli uit de omgeving noodzakelijk of juist permanent maar de gevolgen van het ontbreken of juist aanwezig zijn van
schadelijk. bepaalde stimuli zijn terug te draaien.
Vroege ontwikkelingspsychologen leggen hier de nadruk op. Levenslooppsychologen leggen hier meestal de nadruk op.
Levensloopmodel Focus op specifieke perioden
Moderne theorieën leggen de nadruk op doorgaande groei en Vroege ontwikkelingspsychologen zien de kindertijd en de
verandering in de loop van het leven en op verbanden tussen adolescentie nadrukkelijk als de belangrijkste periode.
verschillende perioden.
Nature Nurture
Nadruk op het ontdekken van erfelijke eigenschappen en vermogens. Nadruk op de invloed van de omgeving op iemands
ontwikkeling.
Ontwikkelingspsychologie in de praktijk: informatie over de ontwikkeling van kinderen op de juiste waarde
geschat.
Richtlijnen:
- kijk waar je advies vandaan komt. → Betrouwbaar (kan ook veranderen met de tijd): Nederlands Instituut
voor Psychologen, het Nederlands Jeugdinstituut, de GGD, het Centrum voor Jeugd en Gezin.
- kijk naar de achtergrond van de persoon die het advies geeft.
- onderscheid tussen anekdotisch en wetenschappelijk bewijs.
- culturele context.
- ga er nooit van uit dat informatie automatisch waar is omdat veel mensen erin geloven.
- zelfs verschillende gerenommeerde bronnen kunnen elkaar tegen spreken.
1.2.4 de toekomst van de ontwikkelingspsychologie
→ Enkele te verwachten toekomsttrends zijn: groeiende specialisatie, meer samenwerking tussen
verschillende vakgebieden, meer aandacht voor diversiteitsvraagstukken, een nog grotere invloed van de
ontwikkelingspsychologie op maatschappelijke kwesties en verdergaande invloed van technologische
ontwikkelingen.
, Hoofdstuk 2 theoretische perspectieven en onderzoek
Leerdoelen
Nadat je deze studietaak hebt bestudeerd, kun je
• kennis en inzicht demonstreren van/in de belangrijkste theoretische perspectieven binnen de
ontwikkelingspsychologie
• uitleggen wat wordt verstaan onder de wetenschappelijke werkwijze en hoe deze kan worden
gebruikt om ontwikkelingsvraagstukken te beantwoorden
• een beschrijving geven van de belangrijkste onderzoeksstrategieën en onderzoeksproblemen waar
de ontwikkelingspsycholoog mee in aanraking komt.
2.1 perspectieven bij het kijken naar kinderen
• Ontwikkelingspsychologen eigen visies op de kindertijd → deze visies zijn (doel)bewuster en preciezer
dan die van ouders (meestal) → gebaseerd op een of meer wetenschappelijke theorieën.
• Theorie: een geheel van verklaringen en voorspellingen ten aanzien van een verschijnsel, dat een
raamwerk biedt om de relaties tussen een reeks feiten of principes te begrijpen.
o Persoonlijke theorieën: gebaseerd op onze ervaringen, volkswijsheden en wat we in de media
horen en lezen.
→ Observaties tijdens het dagelijks leven die niet op juistheid zijn gecontroleerd.
o Wetenschappelijke theorieën: formeler en gebaseerd op systematische integratie van
eerdere bevindingen en theoretische veronderstellingen.
→ Zorgvuldig getoetst via onderzoek.
2.1.1 Psychodynamisch perspectief
→ Benadering binnen de psychologie die ervan uitgaat dat gedrag wordt gemotiveerd door innerlijke krachten,
herinneringen en conflicten, waarvan een persoon zich nauwelijks bewust is en waarover weinig controle
heeft.
• innerlijke krachten (oorsprong in de kindertijd) zouden iemands gedrag gedurende het hele leven
blijven beïnvloeden.
• bijv: Scheiding ouders Marijke toen ze 2 was, nu heeft ze moeite met het aangaan van langdurige
liefdesrelaties. Samen met de therapeut kijken of haar huidige problemen te maken hebben met de
scheiding.
• psychoanalytische theorie van Freud en de psychosociale theorie van Erikson
De psychoanalytische theorie van Freud
→ Theorie die ervan uitgaat dat onbewuste krachten bepalend zijn voor iemands persoonlijkheid en gedrag.
• Onbewuste: het deel van iemands persoonlijkheid dat kinderlijke wensen, verlangens en behoeften
bevat, die vanwege hun verstorende aard afgesloten zijn van het bewustzijn.
→ Verantwoordelijk voor een groot deel van ons dagelijkse gedrag.
→ Kind ervaart te weinig aandacht van opvoeders → om dit gemis te compenseren: aandacht van
leerkracht op school en later van zijn partner opeisen.
• 3 aspecten van de persoonlijkheid:
1. Id (Es): het primitieve, ongeorganiseerde, aangeboren deel van de persoonlijkheid dat opereert
vanuit het genotsprincipe (= zoveel mogelijk bevrediging en zo weinig mogelijk inspanning).
2. Ego (Ich): het rationele en redelijke deel van de persoonlijkheid, dat opereert vanuit het
realiteitsprincipe (= houdt de instinctieve energie in toom om de veiligheid van de persoon te
bewaren en hem te helpen integreren in de samenleving).
→ Buffer tussen de echte wereld om ons heen en het primitieve id.
3. Superego (Uber-ich): het aspect van de persoonlijkheid dat iemands geweten vertegenwoordigt
en het onderscheid maakt tussen goed en kwaad.
→ Ontwikkelt rond 5- of 6-jarige leeftijd (nemen dit over van ouders, leerkrachten en
andere belangrijke figuren).
,→ Psychoseksuele ontwikkeling
• 5 fasen die kinderen volgens Freud doorlopen, waarin genot of bevrediging telkens is gericht op een
andere biologische functie en een ander deel van het lichaam.
→ Orale fase → anale fase → Fallische fase → Latentiefase → genitale fase (OrAnFaLaGe)
• Fixatie: een blijvende focus op een eerder psychoseksueel stadium als gevolg van een onopgelost
conflict.
→ Te weinig of juist te veel bevrediging van behoeften
Gemiddelde leeftijd Freud stadia van Belangrijkste kenmerken van Freuds stadia
psychoseksuele ontwikkeling
Geboorte tot Oraal Interesse in orale bevrediging door zuigen, eten, bewegen van de lippen,
12-18 maanden bijten.
12-18 mnd tot Anaal Bevrediging door feces op te houden en zich te ontlasten; wennen aan de
3 jaar controlemechanismen van de maatschappij met betrekking tot
zindelijkheidtraining.
3 tot 6 jaar Fallisch Interesse in de genitaliën; weten om te gaan met het oedipuscomplex*,
wat leidt tot identificatie met de ouder van dezelfde sekse.
6 jaar tot Latentie Seksualiteit grotendeels op achtergrond.
adolescentie
Adolescentie - Genitaal Opnieuw ontluiken van seksuele interesses en aangaan van volwassen
volwassenheid seksuele relaties.
* oedipuscomplex: een erotische binding ervaren met de ouder van het tegenovergestelde geslacht en de
andere ouders als concurrent zien.
De psychosociale theorie van Erikson
→ Een benadering van ontwikkeling die de veranderingen omvat in de manier waarop we aankijken tegen onze
interacties met anderen, tegen het gedrag van anderen en tegen onszelf al leden van de maatschappij.
• Levert goede beschrijvingen op van gedrag in het verleden, maar heeft geen nauwkeurige
voorspellingen van toekomstig gedrag.
• de mens ontwikkeld zich gedurende zijn leven in 8 afzonderlijke psychologische stadia. → in elk
stadium sprake van een crisis die of een conflict dat het individu moet oplossen. → geen enkele crisis
ooit volledig opgelost (maakt het leven gecompliceerder).
Gem. leeftijd Eriksons stadia van Positieve en negatieve resultaten van Eriksons stadia
psychosociale ontwikkeling
Geboorte tot 12-18 Vertrouwen-vs-wantrouwen Positief: een gevoel van vertrouwen dat de wereld goed is dankzij steun van
maanden de omgeving.
Negatief: fundamenteel gevoel van angst en wantrouwen ten opzichte van
anderen en de wereld.
12-18 mnd tot Autonomie-vs-schaamte-en- Positief: onafhankelijkheid wanneer experimenteren wordt gestimuleerd.
3 jr twijfel Negatief: twijfels over zichzelf en gebrek aan onafhankelijkheid wanneer er
geen ruimte is voor experimenteren.
3 tot 6 jr Intiatief-vs-schuld Positief: zelf leren activiteiten te ondernemen en taken te verrichten door
aanmoediging.
Negatief: geen of weinig initiatief nemen; schuld- gevoel over daden en
gedachten.
6j r tot adolescentie Vlijt-vs-minderwaardigheid Positief: groeiend besef van competenties.
Negatief: gevoelens van minderwaardigheid, geen vertrouwen in eigen
kunnen.
Adolescentie Indentiteit-vs- Positief: bewustzijn van de eigen uniekheid, weten welke rol te vervullen.
identiteitsverwarring Negatief: onvermogen om passende rollen in het leven te herkennen.
Eerste Intimiteit-vs-isolement Positief: ontwikkeling van hechte vriendschappen en liefdevolle intieme
volwassenheid relaties.
Negatief: angst voor relaties met anderen; zichzelf isoleren.
, Volwassenheid Generativiteit (of productiviteit)- Positief: gevoel bij te dragen aan de continuïteit van het leven.
vs-stagnatie Negatief: bagatelliseren van eigen activiteiten; stilstaan in de eigen
ontwikkeling.
Rijpheid (ego-)integriteit-vs-wanhoop Positief: gevoel van eenheid in wat in het leven is bereikt.
Negatief: spijt van gemiste kansen.
Verschil Erikson en Freud
→ Freud:
• Ontwikkeling min of meer compleet na de adolescentie
• Benadrukt het belang van basisbehoeften en biologische krachten
→ Erikson:
• groei en verandering gaan het hele leven door. De adolescentie is juist het startpunt van de ontwikkeling
van een eigen identiteit.
• Meer gericht op sociale en omgevingsfactoren.
2.1.2 Behavioristisch perspectief
→ Benadering van ontwikkeling waarbij men ervan uitgaat dat waarneembaar gedrag en externe stimuli in de
omgeving cruciaal zijn voor het begrijpen van de ontwikkeling van het individu.
• Binnen het behavioristisch perspectief is omgeving (nurture) belangrijker voor de ontwikkeling dat
erfelijkheid (nature).
• Ontwikkelingen zijn kwantitatieve veranderingen (dus niet kwalitatief).
→ Bijv: het groeiende vermogen van kinderen om problemen op te lossen is bv het resultaat van
grotere intellectuele capaciteiten, en niet van veranderingen in het soort denken dat ze op een
probleem kunnen loslaten.
• Verwerpen dat alle mensen een aantal vooraf bepaalde stadia doorlopen.
→ Ontwikkelingspatronen zijn persoonlijk en weerspiegelen een bepaalde combinatie van
omgevingsstimuli.
→ Stimulus-respons leren: Vormen van leren die we kunnen beschrijven in termen van externe stimuli (prikkels
uit de omgeving) en responsen (gedragingen als reactie daarop), zoals klassieke en operante conditionering). 2
soorten:
1. Klassieke conditionering (Pavlov):
→ Een vorm van leren waarbij een organisme door de koppeling van 2 stimuli leert reageren op
een neutrale stimulus die dat type respons normaal gesproken niet uitlokt.
o Een vorm van leren waarin gedrag dat geassocieerd wordt met een ongeconditioneerde
stimulus (eten), verbonden wordt aan een andere, neutrale stimulus/geconditioneerde
stimulus (geluid).
o Het kwijlen als reactie op het eten is een natuurlijke, automatische reactie →
ongeconditioneerde respons.
o Het kwijlen door het horen van het geluid is een aangeleerde reactie → geconditioneerde
respons.
o Generalisatie: de geconditioneerde respons treedt niet alleen op wanneer de
geconditioneerde stimulus wordt aangeboden (de specifieke hond) maar ook bij stimuli die
op de geconditioneerde stimulus lijken (andere honden en zelfs andere huisdieren).
2. Operante conditionering (B.F. Skinner):
→ Een vorm van leren waarbij een vrijwillige respons versterkt of verzwakt wordt, afhankelijk
van zijn associatie met positieve of negatieve consequenties.
o Bekrachtiging (reinforcement): het proces waarbij in reactie op bepaald gedrag een
gewenste stimulus wordt aangeboden of een ongewenste stimulus wordt weggenomen, wat
de kans vergroot dat het gedrag zich herhaalt.
→ Positief: het toedienen van een gewenste stimulus.
→ Negatief: het wegnemen van een ongewenste stimulus.
o Straf maakt de kans juist kleiner dat gedrag zich in de toekomst herhaalt.
→ Positieve straf: de introductie van een onplezierige of pijnlijke stimulus.