Blok 3.3 Motivatie, zelfregulatie en prestatie
Probleem 3 – autonomy and willpower
Deel 1 – self-determination theory
Bronnen:
- Deci (2008): facilitating optimal motivation
- Teixeira (2012): exercise, physical activity and self-determination theory
- Vansteenkiste (2014): motivating learning, performance and persistence
- Amorose (2012): exploring the independent and interactive effects
Leerdoelen:
- Welke vormen van motivatie zijn er?
- Hoe staan deze in verband met zelfregulatie?
- Welke beïnvloedende factoren zijn er?
- Wat is het verband tussen motivatie en autonomie?
, Deci (2008): facilitating optimal motivation
De meeste theorieën over menselijke motivatie richten zich op de effecten van sociale omgevingen,
inclusief beloningen, prikkels en relaties die daarbij horen, om beter te begrijpen wat effectief
functioneren activeert en ondersteunt. Daarbij behandelen de meeste theorieën motivatie als een
unitair concept dat alleen varieert in hoeveelheid. Ze nemen aan dat meer motivatie zou zorgen voor
een betere prestatie en succesvoller functioneren zal opleveren.
De self-determination theory daarentegen, stelt dat er verschillende soorten motivatie zijn;
autonome en gecontroleerde motivatie. Het type motivatie zou belangrijker zijn dan de hoeveelheid
in het voorspellen van belangrijke resultaten.
- Autonome motivatie: gaat over gedrag met een volledig gevoel van wilskracht en keuze.
- Gecontroleerde motivatie: gaat gepaard met de ervaring van druk en eisen naar specifieke
uitkomsten die voortkomen uit krachten die als extern van de zelf worden gezien.
De self-determination theory gaat ervan uit dat mensen van nature actief en self-motivated,
nieuwsgierig en geïnteresseerd, vitaal en enthousiast zijn om te slagen, omdat succes persoonlijk
bevredigend en belonend is. De theorie erkent echter dat mensen ook vervreemd, passief en
ontevreden kunnen zijn. Deze theorie verklaart deze verschillen in termen van de soorten motivatie,
die voortkomen uit de interactie tussen de inherente actieve aard van de mens en de sociale
omgeving die deze aard kan stimuleren of inhiberen.
De theorie heeft voorgesteld dat alle mensen zich competent, autonoom en verbonden met
anderen willen voelen. Sociale contexten die bevrediging van deze 3 psychologische basisbehoeften
aanmoedigen, zullen de inherente activiteit van mensen ondersteunen en meer optimale motivatie
bevorderen, waardoor het de meest positieve psychologische, ontwikkelings- en gedragsresultaten
oplevert. Sociale omgevingen die deze niet bevredigen, zorgen voor minder optimale vormen van
motivatie en hebben schadelijke gevolgen voor het welzijn.
Mini-theorieën achter de self-determination theory
Basic needs theory: drie psychologische basisbehoeften zijn de bron van inherente groei-neigingen
van studenten. Deze theorie legt uit waarom studenten soms actieve betrokkenheid en soms geen
betrokkenheid laten zien, en het geeft een basis voor het voorspellen welke omgevingen in de klas
zullen zorgen voor betrokkenheid en welke niet.
Probleem 3 – autonomy and willpower
Deel 1 – self-determination theory
Bronnen:
- Deci (2008): facilitating optimal motivation
- Teixeira (2012): exercise, physical activity and self-determination theory
- Vansteenkiste (2014): motivating learning, performance and persistence
- Amorose (2012): exploring the independent and interactive effects
Leerdoelen:
- Welke vormen van motivatie zijn er?
- Hoe staan deze in verband met zelfregulatie?
- Welke beïnvloedende factoren zijn er?
- Wat is het verband tussen motivatie en autonomie?
, Deci (2008): facilitating optimal motivation
De meeste theorieën over menselijke motivatie richten zich op de effecten van sociale omgevingen,
inclusief beloningen, prikkels en relaties die daarbij horen, om beter te begrijpen wat effectief
functioneren activeert en ondersteunt. Daarbij behandelen de meeste theorieën motivatie als een
unitair concept dat alleen varieert in hoeveelheid. Ze nemen aan dat meer motivatie zou zorgen voor
een betere prestatie en succesvoller functioneren zal opleveren.
De self-determination theory daarentegen, stelt dat er verschillende soorten motivatie zijn;
autonome en gecontroleerde motivatie. Het type motivatie zou belangrijker zijn dan de hoeveelheid
in het voorspellen van belangrijke resultaten.
- Autonome motivatie: gaat over gedrag met een volledig gevoel van wilskracht en keuze.
- Gecontroleerde motivatie: gaat gepaard met de ervaring van druk en eisen naar specifieke
uitkomsten die voortkomen uit krachten die als extern van de zelf worden gezien.
De self-determination theory gaat ervan uit dat mensen van nature actief en self-motivated,
nieuwsgierig en geïnteresseerd, vitaal en enthousiast zijn om te slagen, omdat succes persoonlijk
bevredigend en belonend is. De theorie erkent echter dat mensen ook vervreemd, passief en
ontevreden kunnen zijn. Deze theorie verklaart deze verschillen in termen van de soorten motivatie,
die voortkomen uit de interactie tussen de inherente actieve aard van de mens en de sociale
omgeving die deze aard kan stimuleren of inhiberen.
De theorie heeft voorgesteld dat alle mensen zich competent, autonoom en verbonden met
anderen willen voelen. Sociale contexten die bevrediging van deze 3 psychologische basisbehoeften
aanmoedigen, zullen de inherente activiteit van mensen ondersteunen en meer optimale motivatie
bevorderen, waardoor het de meest positieve psychologische, ontwikkelings- en gedragsresultaten
oplevert. Sociale omgevingen die deze niet bevredigen, zorgen voor minder optimale vormen van
motivatie en hebben schadelijke gevolgen voor het welzijn.
Mini-theorieën achter de self-determination theory
Basic needs theory: drie psychologische basisbehoeften zijn de bron van inherente groei-neigingen
van studenten. Deze theorie legt uit waarom studenten soms actieve betrokkenheid en soms geen
betrokkenheid laten zien, en het geeft een basis voor het voorspellen welke omgevingen in de klas
zullen zorgen voor betrokkenheid en welke niet.