Rédigé par des étudiants ayant réussi Disponible immédiatement après paiement Lire en ligne ou en PDF Mauvais document ? Échangez-le gratuitement 4,6 TrustPilot
logo-home
Document preview thumbnail
Aperçu 4 sur 47 pages
Resume

Samenvatting - Mens en organisatie (TEW) (D0T19a)

Document preview thumbnail
Aperçu 4 sur 47 pages

Samenvatting van het vak "Mens en organisatie" (D0T19a), geschikt voor de richting Toegepaste Economische Wetenschappen of Handelsingenieur. Opgesteld in het academiejaar .

Aperçu du contenu

Mens en Organisatie TEW SEM1 24-25


Thema 0: Inleiding tot organiseren
Terminologie
“Organiseren”
- Definitie
= het regelen/installeren van collectieve activiteiten zodat het collectieve resultaat
superieur is aan het resultaat van individuen die alleen werken
- Kenmerken
→ meerdere personen bij betrokken
→ collectief resultaat > individuele inspanningen
→ door taken te verdelen en op elkaar af te stemmen
→ verscheidene activiteiten, voortgebracht door verschillende actoren, worden
geïntegreerd om een succesvol resultaat te verkrijgen

“Organisatie”
- Definitie
= de regelmatigheden die het resultaat zijn van organiseren
(structuur/rollen/procedures); een duurzaam, geregeld en doelgericht
samenwerkingsverband
- Kenmerken
→ dezelfde kenmerken als "organiseren"
→ duurzaam en geregeld
→ doelgericht

Voordelen van organiseren Risico’s bij slecht organiseren
- Arbeidsverdeling en specialisatie - Beperkte motivatie en moreel
- Grotere capaciteit om om te gaan Bv. stakingen/protesten
met complexe omgevingen - Late/onjuiste beslissingen
- Schaalvoordelen Bv. Corona-pandemie
- Lagere transactiekosten - Conflict en gebrek aan coördinatie
- Macht en controle Bv. NMBS
- Slecht reageren op nieuwe kansen
 Superieure resultaten en externe veranderingen
Bv. Kodak
- Stijgende kosten

*Case: “De ramp met de Columbia Space Shuttle”
Situatie: na lancering van een raket, brak deze in stukken uiteen

Structuur Controle Motivatie Leren Externe relaties
- Hiërarchie - Afgeschaft - Stress - Nieuwe taken  - Controles
(informatie niet - Tijdsdruk (ontslagen) niet juiste worden
voldoende - Reacties opleidingen uitbesteed
doorgespeeld) collega’s - Leren
- Strakke (uitgelachen) afgeschaft 
tijdsschema’s teveel
(geen tijd voor zelfvertrouwen
communicatie)




1

,Mens en Organisatie TEW SEM1 24-25


Kernaspecten van organiseren
1. zorgen voor een verdeling van de taken en verantwoordelijkheden
→ structuur

Aspecten van structuur:
o centralisatie/hiërarchie: niveaus, autoriteit, rapporteringslijnen
o specialisatie: rollen, groepen en eenheden
o regels, standaarden, tijdschema’s




2. zorgen dat de verschillende werknemers/departementen op elkaar zijn afgestemd
→ integratie

3. zorgen dat werknemers/departementen bijdragen tot bedrijfsdoelstellingen
→ controle

4. motiveren van werknemers en hen belonen
→ motivatie

5. zorgen dat de organisatie kan blijven leren/innoveren
→ leren

Waarom is dit zo belangrijk?
o opnieuw dezelfde fouten maken vermijden
o concurrentieel blijven

6. managen van de organisatiegrenzen
→ nieuwe netwerkvormen (outsourcing, virtueel organiseren, strategisch
allianties, internationaal organiseren, coöperatief organiseren)

o zelf doen of uitbesteden?
o in 1 land of meerdere?
o alleen of samen met andere organisaties?
o fysieke of virtuele grenzen?
o aandeelhouders nog een andere rol?




2

,Mens en Organisatie TEW SEM1 24-25



Thema 1: Structuur  Hoofdstuk 1: De Mechanistische Organisatie
Oorsprong van de mechanistische organisatie
- ontstaan onder invloed van de industriële revolutie (opkomst machines)
- inspiratie: aanpak Frederik de Grote in het leger (1712-1786)
o splitsing soldaten en staf-functies (ondersteuning)
o hiërarchie (op basis van uniformen)
o gestandaardiseerde procedures → hoge efficiëntie, maar soldaten zijn
vervangbaar
o scheiding van denken en doen (voetsoldaat ⇔ officier)
o sterke specialisatie → elke soldaat had slechts één taak
o strenge regels en wetten (voorspelbaarheid creëren)

Filmfragment: “Modern Times”
De kenmerken van de organisatie doen denken aan een machine → mechanistische
structuur
- gebrek aan sociale interactie
- voortdurende controle
- hoge werkdruk
- vergaande arbeidsverdeling en dus specialisatie
- werknemers zijn "tandwielen" geworden van een onstopbare machine

Twee stromingen
1. Scientific Management (Taylor) => “Taylorisme”
 Basisidee: management wetenschappelijk benaderen

Grondlegger = Frederick Taylor (1856-1915)
o Amerikaans ingenieur
o Ideeën zorgden voor verhoogde efficiëntie in fabrieken
o Erg controversieel -> veel kritiek
 “He destroyed the soul of working”
 “He dehumanized factories”
o Basis: sterk geloof in kracht van wetenschap

5 Basisprincipes
o Wetenschappelijke methoden gebruiken om efficiëntste manier van werk
verrichten/bepalen  Specifieke richtlijnen
o Verantwoordelijkheid organiseren vh werk bij manager ipv arbeider
 Scheiding van denken en doen
o Selecteer juiste ‘man’ op juiste plaats
 Arbeidsdeling en specialisatie
o Train ‘hem’ om efficiënt werk te verrichten
o Controleer/stuur prestaties

Voorbeeld: Bethlehem Steel Company
o Voor Taylor
 1 type schop voor ijzererts, cokes, as en slakken
 600 arbeiders; elk gem. 10 ton/dag
o Door Taylor

3

, Mens en Organisatie TEW SEM1 24-25


 Arbeidsstudie naar optimale schop en schepbeweging
 Resultaat: 150 arbeiders; elk gem. 47,5 ton
Impact van Taylor

Vandaag: Functioneel mechanisme bv. McDonalds
o Verticale arbeidsdeling: scheiding denken/doen/controle
o Horizontale arbeidsdeling: specialisatie
o Opgelegde werkstructuur: optimale volgorde
o Hoge standaardisatie: voorgeschreven hoe werk gedaan moet worden
o Regels -> voorspelbaarheid gedrag WN & kwaliteit/kwantiteit producten

Taylorisme kreeg heel wat navolging
o Populairder onder:
 Progressieven (geloof in wetenschap)
 Mussolini, Lenin, Trotsky…
o Time motion studies (Gilbreth): efficiëntie werkprocessen verbeteren
door onnodige bewegingen en tijdsverspilling te identificeren

Voordelen Nadelen
- grotere efficiëntie, minder - Individuele betrokkenheid
verspilling van geld/tijd verloren
- grote productie en dus meer - Tijds- en werkdruk
welvaart - Te bureaucratisch
- WN kunnen specialiseren
- Controle productieproces ->
minder fouten


2. Klassieke managementtheorie (Fayol)
Grondlegger = Henri Fayol (1841 – 1925)
o Frans mijndirecteur
o Focus: hoe topmanagement bedrijf moet leiden (sociale relaties)
 >< Taylor: focus op werkvloer (taakuitvoering)

Management is proces van
o Plannen en voorspellen
o Organiseren
o Leiden
o Coördineren
o Controleren

Managementprincipes
o Eenheid van bevel: instructies komen van één persoon
(duidelijkheid/consistentie)
o Span of control = aantal personen waarover manager leiding heeft
 Hoe breder de span, hoe efficiënter, hoe meer autonomie en

4

Table des matières

  1. 01 Thema 0: Inleiding tot organiseren 1
    1. → structuur 2
    2. Aspecten van structuur: 2
    3. centralisatie/hiërarchie: niveaus, autoriteit, rapporteringslijnen 2
    4. specialisatie: rollen, groepen en eenheden 2
    5. regels, standaarden, tijdschema’s 2
    6. → integratie 2
    7. → controle 2
    8. → motivatie 2
    9. VOORDELEN VAN DE MECHANISTISCHE ORGANISATIE 6
    10. NADELEN VAN DE MECHANISTISCHE ORGANISATIE 7
  2. 02 Thema 2: Integratie 17
  3. 03 Concept integratie 17
  4. 04 Integratie = adequate coördinatie tussen verschillende maar van elkaar afhankelijke activiteiten die op complementaire wijze waarde creëren 17
  5. 05 Toepassing op horizontale relaties 17
  6. 06 Binnen een organisatie 17
  7. 07 Tussen organisaties 17
  8. 08 Doel: trage hiërarchie vermijden, samenwerking en informatie-uitwisseling stimuleren 17
  9. 09 Verticale relaties: controle (maar heeft niets met integratie te maken) 17
  10. 10 Symptomen van gebrekkige integratie 17
  11. 11 Conflicten tussen departementen (isolerend) 17
  12. 12 Gedaalde efficiëntie (meer fouten, meer klachten) 17
  13. 13 Te veel tijd besteed aan integratie 17
  14. 14 Te veel meetings (communicatie “verbeteren”) 17
  15. 15 Overbelasting management 17
  16. 16 Opeenstapeling van (imperfecte) regels 17
  17. 17 => echte integratie wordt niet geforceerd, maar vloeit uit goede beleidsbeslissingen 17
  18. 18 *Case “de zaak Ronald Janssen” 17
  19. 19 Onduidelijke regels 17
  20. 20 Lichamen in verschillende steden gevonden 17
  21. 21 Onduidelijk welke politiedienst verantwoordelijk is 17
  22. 22 Geen informatiesysteem 17
  23. 23 Tips door voormalig mecanicien (geen opleiding) verwerkt 17
  24. 24 Tips in word-document, zonder gedeelde database 17
  25. 25 Gebrekkige informatiedoorstroming 17
  26. 26 Speurders/politiedienst werkten als “silo’s” 17
  27. 27 Tips ene politiedienst niet gedeeld met de andere 17
  28. 28 Attitudeprobleem 17
  29. 29 Tips niet serieus genomen 17
  30. 30 Competitie tussen politiediensten, geen samenwerking 17
  31. 31 Speurders namen initiatief zonder te melden 17
  32. 32 Toenemende nood aan integratie 18
  33. 33 Integratie wordt steeds complexer (door de omgeving); er zijn verschillende trends die specifiek betrekking hebben op een goede integratie 18
  34. 34 a. Grotere diversiteit aan en meer variatie in producten en diensten 18
  35. 35 Markt segmenteren en gaan differentiëren 18
  36. 36 => Integratie nodig tussen verschillende departementen die zich op andere marktsegmenten toespitsen 18
  37. 37 b. Groter belang aan totale kwaliteitszorg 18
  38. 38 Dé organisatie en waarvoor het staat is erg belangrijk geworden 18
  39. 39 Associatie met kwaliteit moet gerespecteerd worden 18
  40. 40 => integratie nodig om visies verschillende functionele silo’s op elkaar af te stemmen 18
  41. 41 c. Kortere time-to-market 18
  42. 42 Levensduur producten wordt korter 18
  43. 43 Consument is voortdurend op zoek naar nieuwe, betere producten 18
  44. 44 => integratie nodig om te voldoen aan nood aan snellere parallelle werking tussen verschillende departementen 18
  45. 45 d. Hogere interdependentie van taken 18
  46. 46 => integratie nodig om alle processen ter creatie van één product op elkaar af te stemmen 18
  47. 47 e. Niet-geanticipeerde veranderingen 18
  48. 48 Door voortdurende veranderingen in behoeften technologie… 18
  49. 49 => integratie nodig om aanpassingen aan omgeving simultaan in alle departementen te kunnen doorvoeren 18
  50. 50 Theorie van Mintzberg: Integratiemechanismes hangen samen met structuur 18
  51. 51 Volgens “the Structuring of Organizations” is er samenhang tussen: 18
  52. 52 Het belangrijkste integratiemechanisme (“coördinatiemechanisme”) 18
  53. 53 De functiegroepen in de organisatie met de meeste macht (“organisatie-elementen”) 18
  54. 54 De structuur van de organisatie (“configuratie”) 18
  55. 55 Interatie- of coördinatiemechanismen 19
  56. 56 Onderlinge afstemming 19
  57. 57 WN stemmen taken zelf op elkaar af 19
  58. 58 Organische organisatiestructuur 19
  59. 59 ZONDER leidinggevende 19
  60. 60 + Autonomie (eigen inzicht) 19
  61. 61 + Snel inspelen op veranderingen omgeving 19
  62. 62 - onduidelijk wie wat doet, ad-hoc regeling 19
  63. 63 Rechtstreeks toezicht (=directe supervisie) 19
  64. 64 Continu overleg tussen WG en WN 19
  65. 65 Klassieke managementtheorie van Fayol 19
  66. 66 + meest effectieve manier van sturen (doel+visie direct aan WN) 19
  67. 67 - weinig/geen autonomie 19
  68. 68 Standaardisatie van werkprocessen 19
  69. 69 Processen splitsen en uitgevoerd door gespecialiseerde WN 19
  70. 70 Volgt uit Taylorisme 19
  71. 71 + efficiënte manier van sturen (iedereen volgt regels  optimale samenwerking) 19
  72. 72 - demotiverend 19
  73. 73 - niet mgl bij complexe organisaties (bv. advocatenkantoor) 19
  74. 74 Standaardisatie van resultaten 19
  75. 75 Vooraf afspraken mbt kwaliteit-kwantiteit 19
  76. 76 WN vullen zelf details in 19
  77. 77 Lijkt op “onderlinge afstemming” 19
  78. 78 + middenkader heeft autonomie 19
  79. 79 + snel inspelen op veranderingen omgeving 19
  80. 80 - soms onduidelijk wie wat doet 19
  81. 81 Standaardisatie van bekwaamheden/instroom 19
  82. 82 Eisen aan kennis en voorwaarden (bv. PhD, doctor…) 19
  83. 83 + autonomie om af te wijken in complexe situaties 19
  84. 84 - controle over resultaten vaak moeilijk 19
  85. 85 - groot kwaliteitsverschil tussen WN 19
  86. 86 Organisatie-elementen (bepaald door Mintzberg) 20
  87. 87 1. Strategische top 20
  88. 88 a. Verantwoordelijk voor continuïteit organisatie 20
  89. 89 b. Stelt doelen en ontwikkelt strategie 20
  90. 90 c. Plannen, organiseren, leiden, coördineren en controleren 20
  91. 91 2. Technostructuur 20
  92. 92 a. Ondersteunende diensten die nauw samenhangen met primaire processen 20
  93. 93 b. Specifieke kennis nodig en/of overkoepelende activiteiten 20
  94. 94 c. IT, inkopers, productieplanners, standaardisatie 20
  95. 95 3. Ondersteunende diensten 20
  96. 96 a. Die primaire processen NIET rechtstreeks beïnvloeden 20
  97. 97 b. HR, legal, schoonmaak 20
  98. 98 4. Middenkader 20
  99. 99 a. Vertaalt strategische doelstellingen in concrete doelen voor verschillende afdelingen 20
  100. 100 b. Leiding aan uitvoerende kern en verantwoording aan strategische top 20
  101. 101 c. Plannen, leiden en controleren 20
  102. 102 5. Uitvoerende kern 20
  103. 103 a. Centraal  realiseren strategische doelstellingen 20
  104. 104 b. ONMISBAAR 20
  105. 105 Organisatie-element 21
  106. 106 Coördinatiemechanisme 21
  107. 107 Voor-/nadeel 21
  108. 108 Eenvoudige structuur 21
  109. 109 Via rechtstreeks toezicht 21
  110. 110 Door strategische top 21
  111. 111 + Snel en efficiënt 21
  112. 112 - Moeilijk bij groei 21
  113. 113 Machine-organisatie 21
  114. 114 Via standaardisatie van werkprocessen 21
  115. 115 Door techno-structuur 21
  116. 116 + in stabiele omgeving: automatisch 21
  117. 117 - Coördinatie-problemen bij veranderingen 21
  118. 118 Divisiestructuur 21
  119. 119 Via standaardisatie van resultaten 21
  120. 120 Door middel-management 21
  121. 121 + Goede afstemming op product/regio… 21
  122. 122 - Minder integratie tussen producten/regio’s… 21
  123. 123 Professionele bureaucratie 21
  124. 124 Via standaardisatie van instroom 21
  125. 125 Door uitvoerende kern 21
  126. 126 + Goed binnen specialisme 21
  127. 127 - Minder goed overheen specialismen 21
  128. 128 Adhocratie 21
  129. 129 Via onderlinge afstemming 21
  130. 130 Door ondersteunende staff en uitvoerende kern 21
  131. 131 + Via rijke jobs, communicatie 21
  132. 132 - Bedreigd door conflicten, communicatielast… 21
  133. 133 Manieren om integratie te verbeteren 21
  134. 134 Indien nood aan meer overzicht, stroomlijning; minder continue afstemming 21
  135. 135 Coördinator/ledinggevende 21
  136. 136 Coördinatiecentrum 21
  137. 137 Regels 21
  138. 138 Routines, gewoontes 21
  139. 139 Indien nood aan meer uitwisseling van informatie, meer perspectieven 21
  140. 140 Informatiesystemen 21
  141. 141 Cross-functionele info kan gedeeld worden 21
  142. 142 Maar beperkt: soort eenrichtingsverkeer; management kan niet terug communiceren met auteur van informatie 21
  143. 143 Vergadering 22
  144. 144 Verbindingsmanager (liaison rol) 22
  145. 145 Direct contact 22
  146. 146 Informeel, initiatiefneming aanmoedigen 22
  147. 147 Fulltime integratiemanagers 22
  148. 148 Doel: coördinatie meerdere afdelingen faciliteren 22
  149. 149 Nadeel: in realiteit geen autoriteit -> compromissen zoeken 22
  150. 150 Team 22
  151. 151 Indien nood om directer op de bal te spelen in complexe of variërende situaties 22
  152. 152 Autonomie 22
  153. 153 Zelfsturende teams: groep individuen (uit ≠domeinen) samen verantwoordelijk voor hele proces van planning -> controle 22
  154. 154 (= permanente task force) 22
  155. 155 Indien nood aan meer uitwisseling informatie 22
  156. 156 Mate van informatieuitwisselingscapaciteit 22
  157. 157 Thema 3: Controle 22
  158. 158 Terminologie: controle en macht 22
  159. 159 Controle = het proces waarbij het management of andere groepen erin slagen activiteiten zo te stimuleren en te regelen dat de resultaten ervan in overeenstemming zijn met de doelstellingen en verwachtingen van deze groepen 22
  160. 160 = het benutten van macht zodat de vooropgestelde doelen worden bereikt via georganiseerde inspanning 22
  161. 161 Macht = het vermogen om iemand iets te laten doen wat hij/zij anders niet gedaan had 22
  162. 162 a. Macht gelinkt aan de functie 23
  163. 163 Bv. Poetin 23
  164. 164 b. Macht gelinkt aan het beschikken over (schaarse) middelen 23
  165. 165 Bv. Ryanair ivm piloten 23
  166. 166 c. Macht gelinkt aan kennis en ervaring 23
  167. 167 Bv. corona-experts 23
  168. 168 d. Macht gelinkt aan charisma 23
  169. 169 Bv. Nelson Mandela, moeder Theresa, Steve Jobs 23
  170. 170 MAAR pas op voor machtsmisbruik 23
  171. 171 Grondleggers van twee verschillende visies op controle 23
  172. 172 Visie 1: Jeremy Benham 23
  173. 173 Controle via toezicht en onzekerheid 23
  174. 174 Panopticon (gevangenis): “the capacity to be all seeing” 23
  175. 175 Diegenen onder surveillantie weten niet wanneer ze geobserveerd worden, maar zijn zich bewust dat zij potentieel altijd onder surveillantie staan 23
  176. 176 Onzekerheid die mensen disciplineert om altijd te presteren 23
  177. 177 Rechtstreekse controle 23
  178. 178 Visie 2: Mary Parker Follett (>< Bentham, Taylor) 23
  179. 179 Controle via vertrouwen en participatie 23
  180. 180 Controle heeft te maken met conflicten oplossen 23
  181. 181 Dominantie  1 partij krijgt alles, 1 partij niets 23
  182. 182 Bv. manager wijst idee WN af 23
  183. 183 Compromis  iedereen geeft iets toe (vaak tijdelijke oplossing) 23
  184. 184 Integratie  iedereen wint 23
  185. 185 Samenwerking managers en WN resulteert in gezamenlijke verantwoordelijkheden, meer individuele autonomie en sociale rechtvaardigheid (eerlijk voor alle partijen) 23
  186. 186 Mensen kunnen van elkaar leren (nieuwe perspectieven) 23
  187. 187 Voorstander van macht-met (co-actieve macht) ipv macht-over (coërcieve macht) < Benham 23
  188. 188 Macht-met: samenwerking, wederzijds respect… 23
  189. 189 Macht-over: dwang/autoriteit 23
  190. 190 Democratische diversiteit vs autoritaire homogeniteit 23
  191. 191 Verschillende standpunten en ervaringen -> betere besluitvorming, innovatie 23
  192. 192 Uniform beslissingen nemen (van bovenaf) -> gebrek creativiteit, vermindering betrokkenheid 24
  193. 193 Controlestrategieën 24
  194. 194 Gedragscontrole 24
  195. 195 Gedrag van WN gecontroleerd 24
  196. 196 Juiste uitvoering 24
  197. 197 Volgen van regels 24
  198. 198 Op welke manier? 24
  199. 199 Leidinggevende – training – regels – technologie 24
  200. 200 Voordelen 24
  201. 201 Nadelen 24
  202. 202 Voorspelbare jobuitvoering 24
  203. 203 Voorspelbare kwaliteit/hygiëne 24
  204. 204 Duidelijke verwachtingen 24
  205. 205 Te veel controle 24
  206. 206 Demotiverend 24
  207. 207 Gebrek flexibiliteit (afwijken van regels is soms zinvol) 24
  208. 208 Optekenen en evalueren van gedrag, snelheid en kwaliteit van werkuitvoering dmv ICT 24
  209. 209 Voordelen 24
  210. 210 Nadelen 24
  211. 211 Evoluties bijhouden 24
  212. 212 Mogelijk vanop afstand 24
  213. 213 Beschikbaar overheen tijd 24
  214. 214 “Big brother” 24
  215. 215 Grenzen werk-privé vervagen 24
  216. 216 Gedrag op het werk vs thuis 24
  217. 217 73% van selectieverantwoordelijken checken sociale mediaprofielen van kandidaten 24
  218. 218 29% van managers heeft iemand NIET aangeworven owv sociale mediaprofiel 24
  219. 219 Maar: geen voorspellende kracht voor prestaties/verloop… 24
  220. 220 Outputcontrole 24
  221. 221 Werknemers doelstellingen opleggen mbt output 24
  222. 222 Kwantiteit – kwaliteit – termijn – budget 24
  223. 223 Beloning (/straf) gerelateerd aan (niet) behalen van doelstelling 24
  224. 224 Vaker in organische organisaties 24
  225. 225 Semi-autonomie: zelf bepalen hoe ze doen, wat is vastgelegd (paradox) 24
  226. 226 Vaker in organische organisaties (flexibiliteit) 24
  227. 227 Voordelen 24
  228. 228 Nadelen 24
  229. 229 Eenvoudig voor management (verantwoordelijkheden gedelegeerd) 24
  230. 230 Autonomie is motiverend 25
  231. 231 Efficiëntere jobuitvoering 25
  232. 232 “Getting the most out of people” (lat te hoog leggen) 24
  233. 233 Je krijgt wat je meet (kwaliteit/tevredenheid negeren) 25
  234. 234 Risico tot corruptie 25
  235. 235 Waarom risico tot corruptie? 25
  236. 236  Manier van beoordelen en belonen (=controle) beïnvloedt wat mensen nastreven in hun job 25
  237. 237 Performance: iemands prestaties evalueren door ze te vgl met prestaties van anderen 25
  238. 238 Mastery: nadruk op verbeteren eigen prestaties, ongeacht wat anderen doen 25
  239. 239 Approach: groei en verbetering 25
  240. 240 Avoidance: vermijden van fouten/slechtere prestaties 25
  241. 241 Culturele controle 25
  242. 242 Niveaus van cultuur 25
  243. 243 Niveau 1: Artefacten en creaties 25
  244. 244 Gedragspatronen, taal, verhalen  wat je ziet en observeert 25
  245. 245 Zichtbaar maar niet eenduidig  ≠betekenissen afh. vd context 25
  246. 246 Bv. WNs komen op tijd 25
  247. 247 Niveau 2: Waarden 25
  248. 248 Wat je bewust waardeert (normen: goed/slecht) 25
  249. 249 Hoe WN handelen/denken in/over bepaalde situaties 25
  250. 250 Duidelijk gemaakt op bv. website, vacature, nieuwsbrieven… 25
  251. 251 Bv. “stiptheid is een deugd”  waarom ze op tijd komen 25
  252. 252 Niveau 3: Basisveronderstellingen 25
  253. 253 Fundamentele (onbewuste) overtuiging over menselijke natuur, relaties, tijd, waarheid 25
  254. 254 Onzichtbaar en vanzelfsprekend 25
  255. 255 Bv. “tijd gaat voorbij en is verspild, ik wil niets verspillen”  houding tov tijd 25
  256. 256 Bv. “we moeten klanten tevreden stellen”  klanten zijn basis van bedrijf 25
  257. 257 Zichtbare gedragingen (niv. 1) komen voort uit onderliggende waarden (niv. 2) en basisveronderstellingen (niv. 3) 26
  258. 258 Om culturele controle toe te passen: 26
  259. 259 WN accepteren doelstellingen/waarden organisatie en passen ze toe in hun eigen gedrag (internalisering)  niet enkel verwachting, vinden het zelf ook belangrijk 26
  260. 260  bij aanwerving: organisatie probeert WNs te overtuigen 26
  261. 261  training na aanwerving (formeel) 26
  262. 262  door sociale activiteiten (informeel): versterking band tussen WN en organisatie 26
  263. 263  door ambassadeurs (mensen met aanzien): rolmodellen 26
  264. 264 Sterke nadruk op collectieve karakter vd organisatie en wederzijdse steun 26
  265. 265 Teamgericht: WNs onderdeel van groter geheel 26
  266. 266 Open communicatie stimuleren 26
  267. 267 Werkzekerheid en loopbaanmogelijkheden 26
  268. 268 Voordelen 26
  269. 269 Nadelen 26
  270. 270 Minder formele controle nodig 26
  271. 271 Autonomie is motiverend 26
  272. 272 Sterk samenhorigheidsgevoel 26
  273. 273 Identiteitsbepaling/mentale programmering (persoonlijke waarden opzij zetten) 26
  274. 274 (‘identity regulation’) 26
  275. 275 Verplichte ‘gezelligheid’ (‘compulsory sociability’) 26
  276. 276 Creativiteit/vernieuwing belemmeren (homogeniteit beperkt kritisch denken) 26
  277. 277 Controlestrategieën en centralisatie 26
  278. 278 Contingentiefactoren bij bepalen controlestrategie 27
  279. 279 Contingentiefactor = factoren waarop organisatie zelf geen invloed heeft, maar die wel invloed uitoefenen op de organisatiestructuur 27
  280. 280 Jobuitvoering vast te leggen? Output meetbaar? 27
  281. 281  gerichter sturen op prestaties en afwijkingen sneller identificeren 27
  282. 282 Stabiele of turbulente omgeving? 27
  283. 283  stabiel: voorspelbare strategie; turbulent: flexibeler systeem nodig 27
  284. 284 Strategie gericht op efficiëntie of innovatie? 27
  285. 285  efficiëntie: strikte controles; innovatie: ruimte voor creatief denken 27
  286. 286 Hoge/lage mate van diversiteit in productie/diensten? 27
  287. 287  hoog: complexere systemen; laag: uniforme mechanismen 27
  288. 288 WNs met (minder) sterke arbeidsmarktpositie 27
  289. 289  sterk: meer autonomie/vertrouwen; zwakker: striktere controles 27
  290. 290 Thema 4: Motivatie 27
  291. 291 Wat is motivatie? 27
  292. 292 Motivatie = de wil om zich in te spannen voor de realisatie van bepaalde doelen 27
  293. 293 Geeft energie 27
  294. 294 Stuurt je acties in de richting van een specifiek doel 27
  295. 295 Stimuleert om door te zetten 27
  296. 296 Werknemersmotivatie = de wil van werknemers om zich in te spannen in hun job en voor de organisatie; en zo bij te dragen aan de realisatie van de organisatiedoelen 27
  297. 297 > Werkbevlogenheid resulteert in: 27
  298. 298 Betere taakprestaties 27
  299. 299 Organisational citizenship behavior  meer doen dan verwacht 27
  300. 300 Bv. collega’s helpen, extra inspanningen etc. 27
  301. 301 Relatie controlemechanismen (thema 3) en motivatie WNs (thema 4) 27
  302. 302 Keerzijde van controle: te strikt  wantrouwen/demotivatie 28
  303. 303 Prestaties en nastreven doelen  motivatie verhoogt productiviteit 28
  304. 304 Vaardigheden geen garantie voor prestaties  motivatie onmisbaar 28
  305. 305 Performance = ability + motivation 28
  306. 306 Motivatie in organisaties in historisch perspectief 28
  307. 307 Visie evolueerde met de tijd 28
  308. 308 Initieel (Taylor) 28
  309. 309 WNs spannen zich in voor goed loon 28
  310. 310 WNs doen iets niet als ze ervoor gestraft worden 28
  311. 311 Langzaamaan groeide besef dat 28
  312. 312 Behoeften die niet via geld te vervullen zijn 28
  313. 313 Omgevings- en individuele factoren invloed op motivatie 28
  314. 314 Besef via Hawthorne Studies (Elton Mayo) 28
  315. 315 De Hawthorne Studies 28
  316. 316 Experiment 1 (behoeften) 28
  317. 317 Effecten onderzoeken van verhogen/verlagen van de verlichting  productiviteit steeg in beide afdelingen  aandacht onderzoekers aan WNs verhoogde de productiviteit (gevoel van waardering) 28
  318. 318 Erkenning en respect is een menselijke behoefte 28
  319. 319 Experiment 2 (context) 28
  320. 320 WNs in verschillende groepen geplaatst en prestaties werden gemonitord  hechte groepen vertoonden hogere productiviteit 28
  321. 321 Groepen beïnvloeden of een bepaalde motivatietechniek zal werken 28
  322. 322 Hoe werknemers motiveren? 28
  323. 323 1. Sanctioneren of belonen? 28
  324. 324 Beide kunnen gedrag op effectieve wijze sturen 28
  325. 325 Sanctie: ongewenst gedrag vermijden 28
  326. 326 Beloning: gewenst gedrag stimuleren 28
  327. 327 Belang van timing: snelle reacties (kort na gedrag) versterken effectiviteit van zowel sancties als beloningen 29
  328. 328 Not two sides of the same medal! 29
  329. 329 Negativity bias: sancties hebben zwaarder emotioneel effect dan beloningen (negatieve gebeurtenissen wegen zwaarder dan positieve) 29
  330. 330 Risico op passief/ongewenst gedrag bij te veel sancties 29
  331. 331 Sancties best aanvullen met beloning van gedrag dat gewenst is 29
  332. 332 2. Wat motiveert werknemers? 29
  333. 333 Mensen zullen gemotiveerd zijn als ze door werken iets kunnen krijgen waar ze behoefte aan hebben 29
  334. 334 Extrinsieke motivatie 29
  335. 335 Invloed externe factoren bv. beloning 29
  336. 336 ‘knikkeren om de knikkers’: taak enkel uitvoeren owv beloning 29
  337. 337 Motivatoren: loon, werkzekerheid, statussymbolen 29
  338. 338 Intrinsieke motivatie 29
  339. 339 Taak uitvoeren omdat het leuk/interessant is 29
  340. 340 ‘knikkeren om te knikkeren’ 29
  341. 341 Motivatoren: interessante job 29
  342. 342 Focus op extrinsieke motivatie 29
  343. 343 Combinatie intrinsiek/extrinsiek 29
  344. 344 AGENCY THEORY 29
  345. 345 ZELF-DETERMINATIE THEORIE 29
  346. 346 Eigen voordeel maximaliseren (self-interest) 29
  347. 347 Agent (WN) heeft ≠doel als principal (WG) 29
  348. 348 Rationeel en berekend (strategisch), toegang tot alle informatie 29
  349. 349 Relaties gebaseerd op economische uitwisseling (KT) 29
  350. 350 Eigen voordeel + voordeel voor anderen nastreven (self-transcendent) 29
  351. 351 Agent (WN) kan doelen principal (WG) internaliseren 29
  352. 352 Gedreven door fysieke (salaris) en psychologische noden (bv. competentie) 29
  353. 353 Relaties: economisch sociaal en gemeenschapsgericht 29
  354. 354 Behoeftepiramide van Maslow 30
  355. 355 1. Zelfontplooiing bv. bereiken van doelen 30
  356. 356 2. Erkenning, waardering bv. respect, complimenten 30
  357. 357 3. Sociale behoeften bv. liefde, verbondenheid 30
  358. 358 4. Veiligheid en zekerheid bv. gezond-/werkzekerheid 30
  359. 359 5. Fysiologische behoeften bv. eten, bed 30
  360. 360 Jobkenmerkentheorie van Hackman & Oldham 30
  361. 361 Motivatie, tevredenheid en prestaties worden beïnvloed door 5 kernkenmerken (groen) 30
  362. 362 *taakidentiteit: mate waarin je betrokken bent bij het gehele productieproces 31
  363. 363 Zelf-determinatie-theorie van Deci & Ryan (deel 1) 31
  364. 364 Autonomie: gevoel van zelfbeschikking, vrijheid om beslissingen te nemen 31
  365. 365 Betrokkenheid: goede relaties met anderen, erbij horen 31
  366. 366 Competentie: ervaren dat je ergens goed in bent, iets onder de knie hebt 31
  367. 367 3. Niet iedereen wil hetzelfde! 32
  368. 368 4. Verschillende motivatoren, ander effect 32
  369. 369 5. De rol van rechtvaardigheid 33
  370. 370 6. De rol van verwachtingen 34
  371. 371 Expectancy-Valence Theory van Porter & Lawler 34
  372. 372 Motivatie komt voort uit de verwachtingen die WNs hebben over de relatie tussen hun inspanning, prestaties en beloningen die ze ontvangen 34
  373. 373 Expectancy: verwachting vd WN dat een bepaalde inspanning leidt tot een gewenste prestatie 34
  374. 374 Valence: waarde die iemand hecht aan de beloning die met die prestatie gepaard gaat 34
  375. 375 Kernpunten samengevat 35
  376. 376 Maak jobs intrinsiek motiverend 35
  377. 377 Toon erkenning en appreciatie 35
  378. 378 Hou rekening met wat de WNs in UW organisatie/team motiveert 35
  379. 379 Bewaak de fairheid 35
  380. 380 Creëer juiste verwachtingen 35
  381. 381 Thema 5: Leren 35
    1. Belang van organisatieleren 35
    2. Wat is organisatieleren 35

Infos sur le Document

Publié le
12 janvier 2025
Nombre de pages
47
Écrit en
2024/2025
Type
Resume
€6,99

Mauvais document ? Échangez-le gratuitement Dans les 14 jours suivant votre achat et avant le téléchargement, vous pouvez choisir un autre document. Vous pouvez simplement dépenser le montant à nouveau.
Rédigé par des étudiants ayant réussi
Disponible immédiatement après paiement
Lire en ligne ou en PDF

Seller avatar
Les scores de réputation sont basés sur le nombre de documents qu'un vendeur a vendus contre paiement ainsi que sur les avis qu'il a reçu pour ces documents. Il y a trois niveaux: Bronze, Argent et Or. Plus la réputation est bonne, plus vous pouvez faire confiance sur la qualité du travail des vendeurs.
Vendu
26
Abonnés
0
Éléments
12
Dernière vente
22 heures de cela



Pourquoi les étudiants choisissent Stuvia

Créé par d'autres étudiants, vérifié par les avis

Une qualité sur laquelle compter : rédigé par des étudiants qui ont réussi et évalué par d'autres qui ont utilisé ce document.

Le document ne convient pas ? Choisis un autre document

Aucun souci ! Tu peux sélectionner directement un autre document qui correspond mieux à ce que tu cherches.

Paye comme tu veux, apprends aussitôt

Aucun abonnement, aucun engagement. Paye selon tes habitudes par carte de crédit et télécharge ton document PDF instantanément.

Student with book image

“Acheté, téléchargé et réussi. C'est aussi simple que ça.”

Alisha Student

Foire aux questions