• Mauvais document ? Échangez-le gratuitement
  • Rédigé par des étudiants ayant réussi
  • Disponible immédiatement après paiement
  • Lire en ligne ou en PDF
Vendre
Où étudie-tu ?
La langue
Document preview thumbnail
Aperçu 4 sur 156 pages
Resume

Samenvatting - Algemene Economie

Document preview thumbnail
Aperçu 4 sur 156 pages

Deze samenvatting omvat alle leerstof van 1ste bachelor FBE voor het vak Algemene economie gegeven door Jan Bouckaert. Micro en Macro

Aperçu du contenu

Micro-Economie:
H1: Wat is economie ?
0. INLEIDING
0.1 Waarover gaat economie ?
- Economisch inzicht draagt bij tot het nemen van betere beslissingen
(bv kotbudget beheren )

- Een minimale kennis van economie maakt het mogelijk de problemen van de
wereld waarin we leven beter te begrijpen
(Bv: welke economische problemen stelt de vergrijzing)

- De economie kan ook helpen de gevolgen van drastische maatschappelijke
veranderingen te begrijpen
(bv pandemie, oorlog)

- Beter begrip van actuele problemen
(lokaal, regionaal, nationaal, Europees, mondiaal) (bv: inflatie)

- Beter voorkomen van toekomstige problemen
(financiële crisis)

 Inzicht geven in hoe onze maatschappij zich organiseert


0.2 Keuzeproblemen op elk niveau
Individueel niveau Bv: hoe ge uw tijd verdeelt tussen
studeren en ontspannen
Niveau van gezinnen Bv: hoe ge uw budget verdeelt over
diverse goederen
Niveau van bedrijfsleiders Bv: aanwervingen, investeringen, …
Niveau van beleidsmakers Bv: omvang van overheidsuitgaven,
geschikte belastingstructuren

0.3 Competenties
 Begrijpt beter wat er zich op gemeentelijk, regionaal, federaal en
internationaal niveau afspeelt
 In staat een degelijk onderbouwd oordeel te vellen over het gevoerde beleid
door de respectievelijke overheden
 …

,1. HET FUNDAMENTEEL ECONOMISCH PROBLEEM:
VEELVULDIGE BEHOEFTE VERSUZ SCHAARSE MIDDELEN
Elk individu, bedrijf, organisatie en maatschappij heeft behoefte en doelstellingen
(menselijk of collectief) die ze wenst na te streven
MAAR
heeft een schaarste probleem: tijd en middelen
die niet volstaan om in alle behoefte te voorzien en alle doelstellingen te halen
KEUZES MOETEN GEMAAKT WORDEN

Economische analyse
= gaat na hoe beslissingsmakers (mensen, bedrijven, overheden en andere
organisaties) keuzes maken en wat daarvan de individuele en maatschappelijke
gevolgen zijn

1.1 Menselijke en maatschappelijke behoeften
Behoefte = het aanvoelen van een tekort en het verlangen om dit tekort aan te
vullen

Behoeften in de economie = meer dan enkel basisbehoeften (voeding, kleding,
Behoeften in de economie = huisvesting)

- Materiële goederen (trui, lamp, pc)
- Immateriële goederen (cultuur, onderwijs, religie)

- Individuele aard (uit eigenbelang)
- Collectieve aard (de behoeftes van een gemeenschap waartoe een individu
behoort)
Vb: nationale veiligheid


kenmerken behoeften
- Talrijk
- Wisselend 1
- Hiërarchie

Consumentensoevereiniteit
Economie onderzoekt niet behoefte naar hun morele waarde (sigaretten)




1
Rangorde en intensiteit is verschillend tussen personen onderling en veranderen in de tijd en
naargelang de omstandigheden

,1.2 Schaarse middelen en de noodzaak te kiezen
Economische goederen = schaarse matteriele goederen en immateriële diensten
met de
eigenschap een behoefte geheel of gedeeltelijk op te
vangen op een directe of indirecte wijze en dus een nut
hebben
(Typisch: prijskaartje)

Economische goederen  nuttig (het moet een behoefte voldoen)
Economische goederen  schaars
Economische goederen  alternatief aanwendbaar (kostprijs)

vrije goederen = Niet schaarse goederen (lucht, maar relatief: vb duiker)

de nieuwe schaarsten = lucht en water zijn in overvloed aanwezig maar zuivere
lucht en drinkbaar water is dan weer een schaars product



ELKE EURO KAN MAAR 1 KEER WORDEN UITGEGEVEN


1.2.1 Schaarste problemen op alle niveaus
Individueel Bv: middelen die je besteedt aan een auto kan je niet besteden
niveau aan vakantie
bedrijfsniveau Bv: middelen inzetten voor het verruimen vd lokale markt OF
inzetten op export
overheidsniveau Bv: middelen inzetten op onderwijs OF veiligheid OF …


PRODUCTIEFACTOREN = Schaarse middelen aan de productiezijde
- Arbeid (en de verloning ervan)
- Kapitaal (alle goederen en diensten die niet arbeid zijn)
- Natuur
- Ondernemersinitiatief


1.3 Het maken van keuzes en opportuniteitskost /
alternativiteitskost
Opportuniteitskost = de waarde vh best mogelijke alternatief dat men opgeeft door
een
bepaalde keuze te maken
= kostprijs vd gemiste kans



KIEZEN IS VERLIEZEN

, 1.4 Een definitie voor economie
Economische wetenschap bestudeert hoe economische agenten (gezinnen,
bedrijven, overheid) keuzes maken in allocatie van schaarse middelen (tijd en geld)
om te voorzien in bepaalde behoeften

 Schaarste vormt de essentie van het economische keuzeprobleem


1.5 Een definitie volgens Scitovsky
Economie = sociale wetenschap die tot voorwerp heeft het beheer van schaarse
middelen

3 beheersproblemen
- Hoe wijs je de schaarse middelen toe aan de diverse aanwendingen
= ALLOCATIEPROBLEEM

- Hoe verdeel je de voordelen van de geproduceerde goederen en diensten
over de bevolking = VERDELINGS- OF DISTRIBUTIEPROBLEEM

- Volledige aanwending van de schaarse middelen (als je het niet uitgeeft spaar
je het) = STABILITEITSPROBLEEM


Productie:
1.5.1 Wat en hoeveel ?
in een economie wordt er besllist welke goederen en diensten aangeboden worden
en in welke hoeveelheden, rekening houdend met de niet-onuitputtelijke
beschikbare middelen.

1.5.2 Hoe?
De realisatie van een gegeven hoeveelheid komt toe stand met verschillende
combinaties van schaarse productiefactoren zoals arbeid, materialen en kapitaal.

1.5.3 Waar?
Toegenomen globalisatie  elke bedrijf beslist waar het zich vestigt, rekening
houdend met de locatie vd markt die het wil bedienen en de locatie van
inputmarkten.

1.5.4 Voor wie ?
Naar wie gaan de voordelen vd productie in een maatschappij ? in ruil voor een
vergoeding bieden mensen arbeidsprestaties, financiële middelen of het gebruik
van eigendommen aan  wie hiervoor het meeste krijgt gaat ook het meeste van
de geproduceerde goederen in handen krijgen

Table des matières

  1. 01 0. inleiding 1
    1. 0.1 Waarover gaat economie ? 1
    2. 0.2 Keuzeproblemen op elk niveau 1
    3. 0.3 Competenties 1
  2. 02 1. het fundamenteel economisch probleem: 2
  3. 03 veelvuldige behoefte versuz schaarse middelen 2
    1. 1.1 Menselijke en maatschappelijke behoeften 2
    2. 1.2 Schaarse middelen en de noodzaak te kiezen 3
    3. 1.3 Het maken van keuzes en opportuniteitskost / alternativiteitskost 3
    4. 1.4 Een definitie voor economie 4
    5. 1.5 Een definitie volgens Scitovsky 4
    6. 1.6 Micro- en macro economie 5
  4. 04 2. het productieproces: de productiefactoren 6
    1. 2.1 Primaire productiefactoren 6
    2. 2.2 afgeleide productiefactoren 6
    3. 2.3 ondernemingsinitiatief = menselijk kapitaal 6
    4. 2.4 het productieproces 6
    5. 2.5 De productiefunctie 7
  5. 05 3. de productiemogelijkhedencurve van een land 8
  6. 06 4. verruiming van de produciemogelijkheden van een land 9
    1. 4.1 Belangrijke determinanten 9
    2. 4.2 Arbeidsproductiviteit is toegenomen 9
    3. 4.3 vooruitgang in technologische kennis 9
    4. 4.4 wijzigingen in de economische ordening 10
  7. 07 5. centrale planning versuz het marktmechanisme 10
    1. 5.1 Centrale planning 10
    2. 5.2 Het marktmechanisme 11
    3. 5.3 De moderne gemengde economie: marktwerking met overheidsinterventies 12
  8. 08 6. methodologische aspecten van economische analyse 12
    1. 6.1 Hypothesen 12
    2. 6.2 Positieve en normatieve economische analyse 12
    3. 6.3 Statische versuz dynamische analyse 12
    4. 6.4 Deductieve en inductieve methoden 13
    5. 6.5 Econometrie, speltheorie en experimentele economie 13
    6. 6.6 Formeel en materieel object van economie als wetenschap 13
  9. 09 7. kritische kanttekeningen 13
  10. 10 8. marginaal’ denken 14
    1. 8.1 Het principe van marginaal denken 14
    2. 8.2 Marginaal product van arbeid 14
    3. 8.3 verbanden 14
  11. 11 1. een markt 15
    1. 1.1 Voorbeelden 15
    2. 1.2 Voorwaarden voor zuivere mededinging (competitieve markt) 15
    3. 1.3 Hoe komen de prijzen tot stand 15
  12. 12 2. de marktvraag 16
    1. 2.1 De vraagfunctie 16
    2. 2.2 De vraagcurve 17
    3. 2.3 Verband tussen de prijs en de gevraagde hoeveelheid 17
    4. 2.4 Beweging langsheen of van de V/A-curve 17
  13. 13 3. het marktaanbod 18
    1. 3.1 De aanbodfunctie 18
    2. 3.2 De aanbodcurve 18
    3. 3.3 Verband tussen de prijs en de aangeboden hoeveelheid 18
    4. 3.4 Ander interpretatie 19
  14. 14 4. het marktevenwicht 19
    1. 4.1 Kenmerken 19
    2. 4.2 Veranderingen vh marktevenwicht 20
    3. 4.3 Afwijken vd prijs 20
    4. 4.4 Opmerkingen 20
    5. 4.5 Empirisch bepalen van vraag en aanbod 20
  15. 15 5. de prijselasticiteit 21
    1. 5.1 Prijselasticiteit vd vraag 21
  16. 16 6. boogelasticiteit 23
    1. 6.1 Prijselasticiteit vh aanbod 24
  17. 17 7. andere elasticiteiten van vraag en aanbod 25
    1. 7.1 Kruislingse prijselasticiteit 25
    2. 7.2 Inkomenselasticiteit 25
    3. 7.3 The fallacy of composition 25
  18. 18 8. de markt en overheidsinterventies 26
    1. 8.1 Indirecte prijsinterventies 26
    2. 8.2 directe prijsinterventies 27
    3. 8.3 directe beïnvloeding van vraag of aanbod 28
  19. 19 1. inleiding 29
    1. 1.1 Consument beslist over 29
    2. 1.2 de microeconomische theorie van de individuele vraag laat toe consumentengedrag te verklaren en te voorspellen: 29
    3. 1.3 micro-economische onderbouw van macro-economische grootheden: 29
    4. 1.4 Redenen voor inzicht in consumptiebeslissingen 29
  20. 20 2. nut, marginaal nut en consumptiebeslissingen 30
    1. 2.1 Klassieke economen (18e en 19e eeuw) 30
    2. 2.2 Latere economen (de “marginalisten”, 19e en 20e eeuw) 30
    3. 2.3 Gossen en Marshall 31
  21. 21 3. preferenties, indifferentiecurven en nutsfuncties 31
    1. 3.1 Veronderstellingen 31
    2. 3.2 Opbouw indifferentiecurve 32
    3. 3.3 4 Eigenschappen vd (conventionele) indifferentiecurve 32
    4. 3.4 Nutsfuncties 33
  22. 22 4. de budgetrestrictie 38
    1. 4.1 Interpretatie vd absolute waarde vd helling vd budgetrechte 39
    2. 4.2 In realiteit 39
  23. 23 5. de optimale keuze vd consument 40
    1. 5.1 Een rationale consument 40
    2. 5.2 Optimum 40
    3. 5.3 Hoekoplossing 40
  24. 24 6. veranderingen vh consumentenevenwicht 41
    1. 6.1 Veranderingen id preferenties 41
    2. 6.2 Verandering ih budget 41
    3. 6.3 verandering id prijs 42
    4. 6.4 afleiding vd vraagcurve 45
    5. 6.5 preferenties, observeerbaar gedrag en vraaganalyses 45
  25. 25 7. consumentengedrag in actie 45
    1. 7.1 Effecten van belasting 45
    2. 7.2 Keuze tussen benzine auto en elektrische auto 46
    3. 7.3 Rekening houdend met een gratis hoeveelheid 46
  26. 26 8. afleiding vd marktvraag uit de individuele vraagcurven 46
  27. 27 9. kritische aantekenen 47
    1. 9.1 Geen plaats voor sparen of ontlenen 47
    2. 9.2 De consument is ook beperkt door een tijdsrestrictie 47
    3. 9.3 Dikwijls zijn consumenten niet geïnteresseerd in hoeveelheden wel in KARAKTERISTIEKEN 47
    4. 9.4 Altruïsme 47
    5. 9.5 Rationeel denken 47
  28. 28 1. inleiding 48
    1. 1.1 De ondernemer 48
    2. 1.2 LT en KT 48
  29. 29 2. bedrijven en de organisatie van de productie 48
    1. Bedrijf 48
    2. Alternatieve organisatievorm = MARKT 48
    3. Hybryde organisatievormen 48
    4. 2.1 Voordelen van de organisatie van productie in bedrijven: MAKE OR BUY 49
    5. 2.2 Doelstellingen en beperkingen van bedrijven 49
    6. 2.3 Vormen van bedrijfsorganisatie 50
  30. 30 3. productie en kosten 50
    1. 3.1 De productiefunctie en technologische vooruitgang 50
    2. 3.2 Productiekosten: relevante en irrelevante kosten 51
  31. 31 4. het gedrag vd producent op lt: de optimale keuze van inputs in de productie 54
    1. 4.1 productie en substitueerbaarheid van inputs 54
    2. 4.2 Toenemende, afnemende of constante schaalopbrengsten 57
    3. 4.3 het keuzeprobleem vd producent: productie tegen minimale kosten 58
    4. 4.4 relatie tussen output en kosten op LT 60
    5. 4.5 toepassingen van optimale inputkeuze in bedrijven 61
  32. 32 5. productie en kosten op korte termijn 61
    1. 5.1 Korte-termijnproductiefunctie 61
    2. 5.2 Marginaal en gemiddeld product 62
    3. 5.3 Kostenverloop in de korte periode 64
    4. 5.4 Productie- en kostenrelaties : speciale gevallen 66
  33. 33 6. samenhang tussen korte- en langetermijnkosten 67
    1. 6.1 Korte termijnkosten 67
    2. 6.2 Lange termijnkosten 67
    3. 6.3 Kosten op korte en lange termijn 67
    4. 6.4 De kosten in de lange termijn 67
    5. 6.5 Verloop van gemiddelde kosten 68
  34. 34 1. criteria voor het onderscheiden van verschillende marktvormen 69
    1. 1.1 Criteria 69
    2. 1.2 Marktstructuren 69
    3. 1.3 Speciale marktvormen 69
    4. 1.4 homogeen  heterogeen 69
  35. 35 2. winstmaximerend gedrag 73
    1. 2.1 Winst bij een verkochte hoeveelheid x 73
    2. 2.2 Winstmaximalisatie 73
  36. 36 3. zuivere mededinging 74
    1. 3.1 Typisch aan zuivere mededinging 74
    2. 3.2 De aanbodfunctie vd ON op KT 76
    3. 3.3 LT-evenwicht ve ON 77
  37. 37 4. monopolie 79
    1. 4.1 Kenmerken 79
    2. 4.2 Typisch bij monopolie 79
    3. 4.3 Het verloop v TO, GO en MO vr een monopolist 79
    4. 4.4 Het gedrag vd monopolist 81
    5. 4.5 Marktmacht en prijszetting 83
  38. 38 5. oligopoli 83
    1. 5.1 Kenmerken 83
    2. 5.2 Oligopolie met 1 dominant bedrijf 83
    3. 5.3 Speltheorie 84
    4. 5.4 Cournot model 85
    5. 5.5 Bertrand model 85
  39. 39 6. monopolistische concurrentie 86
    1. 6.1 Kenmerken 86
    2. 6.2 Typisch 86
    3. 6.3 KT-evenwicht 86
    4. 6.4 LT-evenwicht 86
  40. 40 7. voorspellen v marktuitkomsten in de praktijk 87
    1. 7.1 Dynamische concurrentiemodellen 87
  41. 41 1. welvaartsimplicaties vd werking vd vrije markt 88
    1. 1.1 Economische welvaart en de marktuitkomsten 88
    2. 1.2 marktwerking en pareto-efficiëntie 90
  42. 42 2. ooraken van marktfalen en de rol vd overheid 90
    1. 2.1 monopolie 90
    2. 2.2 Zuivere en quasi-publieke goederen 91
    3. 2.3 Negatieve Externe effecten 93
    4. 2.4 Positieve externe effecten 95
    5. 2.5 Imperfecte informatie 95
  43. 43 1. inleiding 97
    1. 1.1 micro en macro 97
    2. 1.2 Afkomst cijfermateriaal macro-economische analyse 97
  44. 44 2. productie, toegevoegde waarde en factorvergoedingen 97
    1. 2.1 Productie 97
  45. 45 3. voorraden 98
  46. 46 4. brutto vs netto 98
    1. 4.1.1 Bruto nationaal product 98
    2. 4.1.2 Netto nationaal product 98
    3. 4.1.3 Bruto investeringen 98
  47. 47 5. bestedingen vh nationaal product 98
  48. 48 6. macro-economische identiteiten voor een gesloten economie zonder overheid 99
  49. 49 7. Eenvoudige economische kringloop 100
  50. 50 8. brutto binnenlands product, netto nationaal inkomen, buitenlandse bestedingen en bestedingen v binnenlands product 100
    1. 8.1 Bruto binnenlands product (bbp) 100
    2. 8.2 bruto nationaal inkomen / product (bni / bnp) 100
    3. 8.3 Uitwerking 100
    4. 8.4 Extra bestedingscategorie 102
  51. 51 9. open economie 102
    1. 9.1 Uitvoer of Export (X): 102
    2. 9.2 Invoer of Import (Z): 102
    3. 9.3 Netto export (NX) 102
  52. 52 10. saldo lopende rekening betalingsbalans 103
  53. 53 11. financieringstekorten en overschotten 103
  54. 54 12. vraag en aanbod van financieel kapitaal 103
  55. 55 13. human development index 106
    1. 13.1 zwaktes aan bbp als welvaartindicator 106
    2. 13.2 HDI 106
  56. 56 14. nominaal vs reëel 106
  57. 57 15. kettingindices 107
    1. 15.1 Reële groei berekenen met jaar voordien 107
  58. 58 16. nominale index 107
    1. 16.1 Prijs en hoeveelheids index v paasche en Laspeyres 107
    2. 16.2 impliciete prijsindex vh bbp / bbp-deflator 108
  59. 59 17. groei in procent 108
    1. 17.1 Bbp 108
    2. 17.2 inflatie 108
  60. 60 18. consumptieprijsindex (CPI) 108
    1. 18.1 Berekening 108
  61. 61 1. economie is niet constant 109
  62. 62 2. definitie en maatstaven 109
    1. 2.1 Economische groei 109
    2. 2.2 Groei bbp / capita 110
    3. 2.3 Opvallende evoluties 110
  63. 63 3. groeiboekhouding 110
    1. 3.1 algemeen 110
    2. 3.2 Cobb-Douglas productiefunctie 110
  64. 64 4. de neoklassieke/exogene groeitheorie 112
    1. 4.1 Veronderstellingen 112
    2. 4.2 Essentie = interdependent systeem 112
    3. 4.3 Steady state kapitaalvoorraad 113
  65. 65 5. de nieuwe/endogene groeitheorie 114
    1. 5.1 Veronderstellingen 114
    2. 5.2 Instituties 114
    3. 5.3 Rol v overheid 114
  66. 66 1. inleiding 115
    1. 1.1 Verschillende inkomensconcepten 115
  67. 67 2. hoe meet men ongelijkheid 115
    1. 2.1 De inkomenskwintielverhouding 115
    2. 2.2 De Lorenz-curve: 115
    3. 2.3 De Gini-coëfficiënt: 115
    4. 2.4 Human develoment index 115
  68. 68 3. opvallende trends bij inkomens en vermogensongelijkheid 116
  69. 69 4. oorzaken v ongelijkheid 119
  70. 70 5. beleidsmaatregelen die de ongelijkheid verminderen 120
    1. 5.1 Institutionele hervormingen die de ongelijke startpositie wegwerken: 120
    2. 5.2 Herverdelende maatregelen die de ongelijkheid in de primaire inkomensverdeling afzwakken: 120
  71. 71 6. fiscaliteit, sociale zekerheid en covid -19 121
  72. 72 7. gaat minder ongelijkheid samen met hoge welvaart 121
  73. 73 1. inleiding 122
    1. 1.1 Fundamentele macro-economische gelijkheid 122
  74. 74 2. de aggregatieve vraag 122
    1. 2.1 Algemeen prijsniveau 122
    2. 2.2 Negatief verband 122
    3. 2.3 Autonome verschuiving vd AV-curve 124
  75. 75 3. de aggregatieve aanbodcurve 124
    1. 3.1 AA op KT 124
    2. 3.2 AA op LT 125
    3. 3.3 Van KT nr LT 126
    4. 3.4 hoe lang kan de AA afwijken v Y* 126
  76. 76 4. vraagschok en aanbodschok 126
    1. 4.1 Vraagschok 126
    2. 4.2 Aanbodschok 126
  77. 77 1. gesloten economie zonder overheid 128
  78. 78 2. de consumptiefunctie 128
    1. 2.1 Gemiddelde consumptiequote (GCQ) 128
    2. 2.2 Determinanten vd consumptie (grafische voorstelling) 128
  79. 79 3. spaarfunctie 128
    1. 3.1 Gemiddelde spaarquote 128
    2. 3.2 Identiteiten 128
  80. 80 4. de autonome consumptie (c0) 129
  81. 81 5. investeringsfunctie 129
    1. 5.1 Rol vd rentevoet 129
    2. 5.2 Rol vd afzet (vd productie) 130
    3. 5.3 rol vd verwachtingen 131
  82. 82 6. algemene evenwichtsvoorwaarde 131
    1. 6.1 Betekenis v evenwicht 131
    2. 6.2 Niet LT 131
  83. 83 7. investeringsmultiplicator 131
  84. 84 8. accelerator -multiplicatormodel 132
  85. 85 9. ? = ??? → geldt altijd bij een gesloten economie zonder overheid 132
  86. 86 10. algebraïsche afleiding vh evenwichtsinkomen 132
  87. 87 1. inleiding 133
  88. 88 2. macro-economische betekenis vd overheid 133
    1. 2.1 Totale overheid 133
    2. 2.2 Overheidsontvangsten 133
    3. 2.3 Overheidsuitgaven 133
    4. 2.4 Overheidssaldo: 133
    5. 2.5 Primair overheidssaldo: 133
    6. 2.6 Structureel (of cyclisch neutraal) overheidssaldo: 133
  89. 89 3. evenwichtsvoorwaarden: gesloten economie met overheid 133
  90. 90 4. Discretionaire budgettaire politiek versus 134
  91. 91 automatische stabilisatorwerking 134
    1. 4.1 Discretionair beleid (= actief) 134
    2. 4.2 Automatische stabilisatoren (= passief) 134
  92. 92 5. dicretionaire budgettaire politiek 134
  93. 93 6. multiplicatoren 135
  94. 94 7. automatische stabilisatoren 135
    1. 7.1 Lineaire belasting 135
    2. 7.2 Opgaande conjunctuur 135
    3. 7.3 Neergaande conjunctuur 135
    4. 7.4 Progressieve belasting 135
  95. 95 8. soorten belastingen 136
  96. 96 9. budgettair saldo (= overheidssaldo) vs overheidstekort 136
    1. 9.1 Is een begrotingsevenwicht goed 136
    2. 9.2 Cyclisch gecorrigeerd overheidssaldo 136
  97. 97 10. beperkingen ve discretionair budgettair beleid 138
    1. 10.1 Omvang vd budgettaire muliplicatoren 139
  98. 98 11. overheidsschuld 139
    1. 11.1 Nadelen 139
    2. 11.2 Gouden financieringsregel 139
  99. 99 1. inleiding : geldeconomie/ruileconomie 142
    1. 1.1 Nadelen van de ruileconomie: 142
    2. 1.2 Functies v geld 142
  100. 100 2. de geldhoeveelheid 142
    1. 2.1 gelhoeveelheid M1 142
    2. 2.2 Geldhoeveelheid M2, M3 142
  101. 101 3. het geldaanbod 142
    1. 3.1 aanbod v basisgeld (geldbasis) 143
    2. 3.2 creatie en vernietiging v basisgeld 143
    3. 3.3 balans vd centrale bank 143
    4. 3.4 aanbod v giraal geld door de banken 144
    5. 3.5 Geldaanbodmodel 144
  102. 102 4. de vraag naar geld 146
    1. 4.1 Inkomen als determinant vd geldvraag 146
    2. 4.2 De rentevoet als determinant vd geldvraag 146
    3. 4.3 Beweging / verschuiving vd geldvraag-curve 147
  103. 103 5. monetaire politiek 148
    1. 5.1 Doelstellingen 148
    2. 5.2 Moeilijkheden 148
    3. 5.3 Instrumenten 149
    4. 5.4 Onconventionele monetaire politiek 149
  104. 104 6. gezamenlijk evenwicht op de geld- en goederenmarkt 149
    1. 6.1 afleiding vd LM-curve 150
    2. 6.2 evenwicht op geld- en goederenmarkt 150
    3. 6.3 de IS-curve 151
    4. 6.4 de LM-curve 152
  105. 105 7. expansief budgettaire politiek 153
  106. 106 8. multiplicatoren goederen- en geldmarkt lineaire IS-lm 153
  107. 107 9. keynesianen vs monetaristen 153

Infos sur le Document

Publié le
10 décembre 2024
Nombre de pages
156
Écrit en
2023/2024
Type
Resume
€5,99

Mauvais document ? Échangez-le gratuitement Dans les 14 jours suivant votre achat et avant le téléchargement, vous pouvez choisir un autre document. Vous pouvez simplement dépenser le montant à nouveau.
Rédigé par des étudiants ayant réussi
Disponible immédiatement après paiement
Lire en ligne ou en PDF

Vendu
0
Abonnés
0
Éléments
5
Dernière vente
-



Pourquoi les étudiants choisissent Stuvia

Créé par d'autres étudiants, vérifié par les avis

Une qualité sur laquelle compter : rédigé par des étudiants qui ont réussi et évalué par d'autres qui ont utilisé ce document.

Le document ne convient pas ? Choisis un autre document

Aucun souci ! Tu peux sélectionner directement un autre document qui correspond mieux à ce que tu cherches.

Paye comme tu veux, apprends aussitôt

Aucun abonnement, aucun engagement. Paye selon tes habitudes par carte de crédit et télécharge ton document PDF instantanément.

Student with book image

“Acheté, téléchargé et réussi. C'est aussi simple que ça.”

Alisha Student

Foire aux questions