Inleiding
Geschiedenis verleden
- oneindig aantal ‘feiten’ (13.8 miljard (licht) jaar)
v v- onveranderlijk
Een verhaal over het verleden met bronnen uit het verleden en dat vanuit een specifiek standpunt
Nieuwe bronnen (materiële/archeologisch – schriftelijk – oraal/mondeling)
veranderlijk
Nieuw standpunt door: - ‘wiens brood men eet, wiens worden men spreekt’
Standplaatsgebondenheid - ideologie
- samenleving verschillende culturen
V.M.T (continuïteit) late 15e eeuw – mid 15e eeuw NIEUWE TIJD (discontinuïteit)
MODERNE TIJD 2e helft 18e eeuw – 1914/1918 NIEUWSTE TIJD
Tot 1990 : middeleeuwen nieuwe tijd (discontinuïteit)
1990-2019 : middeleeuwen nieuwe tijd (ancien regime , continuïteit)
2019-… nieuwe tijd vroeg moderne tijd (continuïteit)
De vroegmoderne tijd (ca. 1450 – ca. 1750)
1450: Boekdrukkunst
1492: ontdekking Amerika
1517: Maarten Luther publiceert de stellingen (aflaten) daardoor reformatie
1750: hoogtepunt verlichting
Politiek domein
Extern machtsverhouding tussen staten
Intern
o wie heeft de macht binnen een ‘staat’ en hoe word die verworven en verantwoord?
o Frankrijk: vorstelijk absolutisme Engeland: constitutionele parlementaire monarchie (republiek)
o Spelers om de macht in Europa?:
kerk (clerus) (hoogopgeleide mensen)
adel (platteland/lokaal)
3de stand (burgerij in de steden)
vorst (centrale macht)
Frankrijk:
vorst burgerij/steden
+ +
Kerk adel dus adel word tijdelijk uitgeschakeld
Engeland:
Vorst anglicaanse kerk - adel magna carta
- burgerij
- rooms katholieke kerk
- puriteinen
Hierdoor is de macht van de vorst meer beperkt en word het dus een constitutionele parlementaire monarchie
Theorie achter die monarchie: John Locke (eind 17de eeuw) (verdragstheorie volkssoevereiniteit)
Axioma: (aanname/wij accepteren dat dit de waarheid is maar daardoor is het nog niet voor alle culturen juist) elk individu
beschikt over een aantal onvervreemdbare rechten en vrijheden (autonome individu)
Maar: elke mens zoekt bestaanszekerheid en veiligheid nood aan een samenleving/staat/leider
vrijheden afstaan aan een staat, een machthebber/leider
contract tussen volk en de machthebbers = grondwet/constitutie
economisch domein
landbouwsamenleving
maar: evolutie
landbouw: - 3-slagstelsel wisselbouw (mest)
- open-field enclosure (privatisering van de grond) alle veranderingen
- aardappel
productie
demografisch effect bevolking (in steden) stijgen
nijverheid: - ambachtelijke daalt putting-out (thuisarbeid op het platteland vanuit de steden bestuurt)
doel: bestaanszekerheid koopman – ondernemer
doel: winst handels kapitalisme
- atelier oprichting van manufacturen (koninklijke manufacturen) (werkhuis/fabriekshuis dus groter als een atelier)
gevolg: massaproductie
- staatsinterventie (alles wat de staat doet dat een impact heeft op de economie) = mercantilisme
(Frankrijk: colbertisme)
, o.a. tolmuren (invoerrechten)
infrastructuurwerken (jobs want mensen moeten bouwen)
maximum graanprijs (lonen kunnen naar beneden of gezinnen hebben meer geld over voor andere dingen (waar ze
belastingen op betalen)
cultureel domein
kunst esthetica
religie reformatie (woord) / contrareformatie (beeld)
wetenschap (nieuwe wetenschapsmethode)
16e eeuw: humanisme / antropocentrisme (de mens centraal) waarneming
17e eeuw: empirisme (experiment + observatie) – rationalisme (R. Descartes) (onze zintuigen bedriegen ons, ik denk dus ik
besta/verstand (ratio)
gebruik van wisk – analyse (natuur uit elkaar halen tot zijn kleinste component atoomtheorie)
Natuurwetten (I. Newton)
Maar: Descartes moet GOD uit de schepping zetten (anders kloppen de natuurwetten niet, bv. Door het water lopen)
‘grote uurwerkmaker’
Ontgoddelijking
Mechanistisch mens- en wereldbeeld (god is eruit, de natuur is een machine)
Dit leid tot de industriële revolutie
Hoofdstuk 5 conflicten (politiek) p.204
5.0 de Franse revolutie (1789-1815) = laboratorium apart blad
47 de Franse revolutie, een breuk met het ancien régime (1789-1791)
1. Spanningen in Frankrijk aan de vooravond van de revolutie p.121
verklarende factoren
Fernand Braudel (een structuralist, de structuren zijn belangrijker dan het individu): gelaagdheid van de geschiedenis
Lange termijn: geografische tijd meer dan een mensenleven (diep genoeg teruggaan in de tijd)
Verlichting (1680-1780): traditie word in vraag gesteld
verband tussen een deel v.d. adel en de burgerij nieuwe elite: meritocratische elite
ze vinden dat ze die plek verdien omdat ze meer talent hebben: - geld
- juist denken
- lezen/schrijven
Half lange termijn: conjuncturele tijd tussen 70 en 1 jaar
Economische crisis:
o 7 jarige oorlog (1756-1763): oorlog tussen Engeland en Frankrijk Frankrijk verliest en het was ook een hele dure
oorlog voor Fra, ze verliezen veel kolonies en hebben 0 inkomsten, ze hebben de oorlog betaalt met belastingen en
leningen
o Engeland dwong een vrijhandelsverdrag af met Frankrijk mercantilisme (tolheffing) gaat dus allemaal weg
Begin 18e Eeuw: industriële revolutie mechanisatie van de nijverheid (Engelse producten waren
goedkoper dan de Franse waardoor de Franse markt overspoelt word met goedkope Engelse producten)
Franse nijverheid gaat achteruit werkgelegenheid neemt af inkomen en belastingen dalen
Rond 1780: - schatkist leef, Frankrijk insolvabel (bankiers willen nog wel lenen aan Frankrijk maar willen
het risico verlagen door hoge rentes waardoor niemand nog wil gaan lenen)
- in Versailles kwamen de Staten-Generaal bij een
1780: misoogsten graanprijzen in de steden stijgen extreem
2. Het einde van het ancien régime in 1789
verklarende factoren
Korte termijn: evenement < 1 jaar
Lodewijk 16de moet de Staten-Generaal (voor de 1ste keer in 175 jaar) samenroepen, hij wil namelijk nieuwe belastingen
heffen standenvergadering (Clerus, Adel en 3de stand)
Er word gestemd over dat we de koning nieuwe belasting gaan toestaan er word gestemd per stand
De 3de stand wilt:
o Dat er niet per stand word gestemd maar de Clerus en Adel houden zich daar aan vast
o dat de belastingen ook betaald word door de Clerus en Adel
o constitutionele monarchie
o blauw op tekening nieuwe elite ( deel v.d. clerus en adel doen mee met de burgerij )
nieuwe vergadering: assemblee nationale
probeert bestuur over te nemen
constituante (nationaal congres)
o 14/07/1789 bestorming van de Bastille (door honger)
Symbool van machtswillekeur
Bastille was de opslagplaats van munitie
Consolideren (vasthouden) van de macht
Nieuwe elite gaat proberen de volksmassa’s ‘warm’ houden (aan hun kant houden)
o Sportprenten