ZAKENRECHT ALGEMEEN
SOORTEN VERMOGENSRECHTEN
= alle zaken die vatbaar zijn voor beslag en verkoop
Zakelijke rechten
Persoonlijke rechten
Intellectuele rechten
BELANG VAN ONDERSCHEID
Verschil in publiciteit:
- onroerende goederen: overdracht/vestiging van een zakelijke recht moet altijd worden
overgeschreven op het hypotheekkantoor = authenciteit
- roerende goederen: bezit geldt als titel art. 2279 BW
Opgelet! Persoonlijke rechten moeten niet worden overgeschreven op het hypotheekkantoor, tenzij
bij huur > 9 jaar art. 1,2de Hyp. W.
Verschil in gevolgen:
Grotere tegenwerpelijkheid
Verschil in attributen:
Volgrecht
NUMERUS CLAUSUS-BEGINSEL1
In het zakenrecht geldt het principe van numerus clausus. De zakelijke rechten staan in de wet. Er zijn
maar een beperkt aantal zakelijke rechten. U mag geen nieuwe zakelijke rechten creëren en u mag
geen afbreuk doen aan de wezenskenmerken van de zakelijke rechten.
ZAKELIJKE HOOFDRECHTEN
Zakelijke rechten die op zichzelf staan.
Eigendom (art.544 BW), eigendom, genot en erfdienstbaarheid (art. 543 BW)
Mede-eigendom 1924 (art. 577-2 BW)
Vruchtgebruik
Erfpacht
Opstal
ZAKELIJKE ZEKERHEIDSRECHTEN (=ACCESOIRE RECHTEN)
Ze zijn ondergeschikt aan de persoonlijke verbintenis
Hypotheek op onroerende goederen (art. 41-95 Hypotheekwet)
Pand op roerende goederen (art. 2073-2084 BW) > wetswijziging: pand is geen zakelijk
contract meer
Voorrechten
Numerus clausus = enkel die zakelijke rechten die in de wet staan, zijn mogelijk
betekent niet dat er geen enkele vrijheid is, dat er geen wilsautonomie is
1
Kan je onderverdelen in zakelijke en persoonlijke rechten. Bij de PR heb je ook nog een persoonlijk recht met
zakelijke werking = ketting beding vb.: concurrentie beding art. 1165 BW
Pagina 1 van 42
,KENMERKEN VAN EEN ZAKELIJK RECHT
1. Volgrecht (als tegenwerpbaar!)
Volgrecht stelt de houder van een zakelijk recht in staat de zaak waarop zijn recht slaat overal op te
eisen, uit handen van om het even welke bezitter. Een volgrecht betekent dat als u een zakelijk recht
heeft dat u het goed waarop het zakelijk recht rust, kunt volgen bij verkoop, ruil,...
Vb. de bank heeft een hypotheek op een huis: als dit huis wordt verkocht dan blijft de hypotheek op
het goed. De koper zal de hypotheek moeten respecteren. Als de verkoper zijn lening niet afbetaalt
dan zal het huis toch worden verkocht. In de praktijk zal men er voor zorgen dat de hypotheek eerst
weg is.
De hypothecaire schuldeiser mag betaling eisen, niet enkel van zijn schuldenaar, doch ook van de
derde die het gehypothekeerd goed zou gekocht hebben art. 41 Hypotheekwet en art. 46
Hypotheekwet
2. Recht van voorrang
De houder van een zakelijk recht heeft voorrang op de houder van een schuldvordering/persoonlijk
recht. Er is een zakenrechtelijke bescherming wanneer u een zakelijk recht hebt.
Persoonlijke recht:
Als er meerdere schuldeisers willen beginnen uitvoeren/zich op het vermogen willen werpen, dan
geldt er gelijkheid tussen de schuldeisers, tenzij wettelijke redenen van voorrang. Men gaat alle
schuldeisers gelijk behandelen = paritas creditorum.
Zakelijk zekerheidsrecht:
Bij een zakelijk zekerheidsrecht komt diegene met een recht op voorrang vooraan (wordt als eerste
betaald).
(extra: tussen de zakelijke rechten geldt de voorrang voor diegene met het oudste recht van voorrang
= anterioriteitsbeginsel).
3. Vermogensleer
Over het vermogen bestaat een zogenaamde vermogensleer (leer over het vermogen). Deze
vermogensleer bestaat uit 3 (of 4) principes die volgen uit de verbondenheid tussen het juridisch
persoon zijn en het vermogen:
- Elk rechtssubject2 heeft een vermogen (= er wordt gekeken naar de ‘rugzak’ niet naar de inhoud)
- Enkel rechtssubjecten hebben een vermogen
- Elk rechtssubject heeft slechts één vermogen art. 7 & 5 Hyp. W.
- Rechtssubject is dynamisch
De “rugzak” telt, de inhoud niet. Er kunnen dingen in het vermogen bijkomen of weggaan. Het
geheel zelf wordt in rechte erkend. Het vermogen is een tegenwoordige waarborg (zie art. 8
Hypotheekwet) met een niet tastbaar voorwerp.
uitzondering.: actio pauliana3
2
Rechtssubject = mogelijke drager van rechten en plichten (natuurlijke personen + rechtspersonen
3
= pauliaanse vordering
Pagina 2 van 42
,INDELING VAN DE GOEDEREN
Het meest belangrijke onderscheid is het onderscheid tussen roerend en onroerend. Het is een
hoofdonderscheid. Elk goed, zowel lichamelijk als onlichamelijk is ofwel roerend ofwel onroerend (art.
516 BW). Dus ook onlichamelijke zaken (rechten, rechtsvorderingen) zijn roerend of onroerend,
ongeacht het feit dat ze geen plaats innemen in de ruimte.
Als je de historie bekijkt zijn er 2 grote criteriums voor het onderscheid:
- Criterium van de verplaatsbaarheid
- Economisch criterium
ONROERENDE GOEDEREN
ONROEREND UIT HUN AARD
= Lichamelijke goederen
Grond en ondergrond
Art. 518 BW: De grond + aanhorigheden = dus ook alles wat ermee geïncorporeerd is. (De ondergrond
met zijn minerale rijkdommen (vb. gas, olie) is onroerend).
Gebouwen
Art. 518 BW: Het woord “gebouw” wordt gebruikt in de ruimste zin van het woord. Alle soort van werk
dat aan de grond vastzit is een gebouw en dus onroerend.
Een gebouw is evengoed een spoorweg of een gewone weg, een kelder, een brug,… Gebouwen is te
begrijpen als werken. Essentieel is dat deze gebouwen geïncorporeerd zijn. Dit criterium is heel sterk
geëvolueerd doorheen de jaren. Er zijn een hoop ‘grijze gevallen’ waarover discussie heerst.
Beplanting
Art. 520 BW: Opdat een plant onroerend zij, moet ze wortelvast met de grond zijn verbonden. Dit
verbonden zijn is noodzakelijk en is echter ook voldoende. Men behoeft zich niet af te vragen, of de
plant bestemd is om in de grond te blijven en evenmin, wie ze gezaaid of geplant heeft
INCORPERATIE
De gebouwen en de beplanting, voor zover ze geïncorporeerd zijn, zijn onroerend uit de aard.
De incorporatie bij onroerend uit de aard is noodzakelijk. Is die er niet of niet meer, dan is het goed
niet onroerend uit de aard. Alle werk dat aan de grond vastzit, is onroerend, onverschillig of het min
of meer vastzit en voor korte of lange tijd.
Het criterium is essentieel, maar wel voldoende. Het zit erin, het hangt eraan of staat erop. Wie die
incorporatie tot stand gebracht heeft, is irrelevant. Het vastzitten volstaat. Dat het werk door een
ander dan de eigenaar van de grond werd verricht, doet niets ter zake. Als het werk eenmaal vastzit,
dan speelt het voorlopig karakter van de bouw geen rol.
Incorporatiecriterium: als er een einde komt aan de incorporatie dan is het gebouw of de beplanting
roerend.
Pagina 3 van 42
,DE EVOLUTIE VERLOOPT IN 3 STAPPEN:
Vroeger hanteerden men een zogenaamd objectief criterium:
Is het goed op objectieve wijze gezien verplaatsbaar of niet? Kan je het verplaatsen zonder er aan te
breken of het te beschadigen? Alle soort werk dat zodanig aan de grond vastzit dat het niet zonder
schade kan worden verplaatst of verwijderd is onroerend van aard. Van groot belang is of het werk
gemakkelijk kan worden verwijderd.
Het probleem is dat in de loop der jaren die typische voorbeelden allemaal vertroebeld zijn. Waar ligt
de grens van de verplaatsbaarheid?
Vb. standbeeld kunt u meenemen als u heel sterk bent
Benzinepomp-arrest 1988 van Hof van Cassatie:
Is een benzinepomp roerend of onroerend? De fiscus wilde een onroerende voorheffing vestigen op
de benzinepompen en de eigenaar bestrijdt dit door te zeggen dat de benzinepompen niet onroerend
zijn. Benzinepompen hangen vast met bouten. Dat is een duidelijk grensgeval.
Als het oude criterium wordt toegepast, dan zou u eerder zeggen dat het om een roerend goed gaat.
Welnu het Hof van Cassatie zegt dat het onroerend is. Benzinepompen zijn onroerend.
“Incorporatie is alles wat duurzaam en gewoonlijk met de grond verbonden is of erin vastzit.” Hier
wordt niet meer gesproken over breekwerk of beschadiging.
Het is een verruiming en niet enkel objectief maar ook subjectief.
Twee elementen dienen te worden afgetoetst:
- Verbonden?
Verbonden betekent als het goed eraan gebonden is/aan vast hangt of op de grond steunt (in de grond,
aan de grond of op de grond).
Vb. standbeeld: een zaak kan aan de grond vastzitten zonder enig metselwerk, door zijn louter gewicht.
- Duurzaam en gewoonlijk?
Het goed heeft de bestemming om daar te blijven.
In die zin is het een subjectief criterium. Die verbondenheid is veel soepeler dan oorspronkelijk werd
aangenomen. En bovendien is vereist dat het goed bestemd is om daar te blijven.
Rolkranen arrest 2008 van het Hof van Cassatie:
Opnieuw ging de discussie over onroerend of roerend goed. Het ging over een geschil met de fiscus
over een rolkraan (staat op sporen) aan de haven. Is die rolkraan roerend of onroerend? De rolkraan
is tot 500 meter verplaatsbaar, maar het is bijzonder zwaar, drukt op de grond en rijdt op sporen + het
blijft maar beperkt verplaatsbaar.
Het Hof van Cassatie kiest voor het te kwalificeren als onroerend. Het Hof van Cassatie herneemt de
definitie uit 1988. Het Hof fixeert zich verder op de vraag of de beperkte verplaatsbaarheid een
probleem is.
De beperkte functionele beweegbaarheid doet geen afbreuk aan het onroerend karakter. Het is
een interpretatie van Cassatie 1988.
Door dit arrest kunnen verplaatsbare goederen ook beschouwd worden als onroerend waardoor er
een onroerende voorheffing betaald moet worden.
Pagina 4 van 42
,ONROEREND DOOR BESTEMMING
= Lichamelijk goederen
Onroerende goederen door bestemming = zijn roerende goederen die de eigenaar voor de dienst van
zijn grond of gebouw besteedt. Deze goederen zijn dus op zich roerende goederen, maar omwille van
een fictie worden ze toch als onroerend beschouwd, meer bepaald omdat ze horen bij een
onroerend goed art. 524 BW.
WAAROM WORDEN DIE ROERENDE ZAKEN MET ONROERENDE GELIJKGESTELD?
Roerende goederen krijgen een onroerend karakter door bestemming als de som van beide goederen
meer waard is dan beide goederen apart = economisch criterium!
Vb. koeien die toebehoren aan een boerderij: samen meer waard > een koe of een varken is
onroerend door bestemming als deze gekoppeld zijn aan een landbouwbedrijf
Vb. pizzabedrijf: de brommertjes worden onroerend door bestemming
Vb. tractor bij landbouwbedrijf wordt onroerend vanuit de economische gedachte
VOORWAARDEN
1) Eigendomsvereisten
- Een naar aard onroerend goed
- Een naar aard roerend goed (art. 524 BW)
- Die beiden tot dezelfde eigenaar behoren (art. 522, 524, 525 BW)
Bepaalde roerende goederen mogen niet gescheiden worden van een onroerend goed.
Dit veronderstelt dat de roerende zaken en het onroerend goed tot hetzelfde vermogen behoren.
Zowel het onroerend goed uit de aard als het roerend goed uit de aard moet aan dezelfde
eigenaar toebehoren.
2) Dienstbaarheid of blijvende verbinding
Art. 525 BW.
3) Bijzondere inrichting
De wet eist een zekere publiciteit. Het is nodig dat iemand anders dan de eigenaar zelf vanaf de
zijlijn kan bepalen of het goed onroerend door bestemming is of niet.
GEVOLGEN
Wat een economische meerwaarde heeft, moet men ook juridisch trachten samen te houden. De
gevolgen zijn allemaal samen te vatten volgens de idee van bijzaak volgt hoofdzaak. Precies daarom
noemt men het onroerend door bestemming, omdat het roerend goed ook onroerend is zoals de
hoofdzaak.
- Beslag
- Hypotheek
- Onteigening
EINDE
Aangezien het onroerend maken door bestemming uit de wil van de eigenaar voortvloeit, houdt het
ook met die wil op.
Pagina 5 van 42
,ONROEREND DOOR DE ZAAK WAAROP HET BETREKKING HEEFT
= onlichamelijke goederen
Onlichamelijke goederen zijn die ‘goederen’ welke aan onze zintuigen ontsnappen: rechten,
samenhorende goederen (vermogen, nalatenschap).
Onroerend naar hun voorwerp art. 526 BW
Zakelijke rechten
Recht vorderingen:
Revindicatie vordering = vordering die de eigenaar instelt om zijn goed terug te krijgen. Als die
revindicatie vordering betrekking heeft op een onroerend goed, dan is het een onroerende
rechtsvordering
ROERENDE GOEDEREN
Een goed dat niet onroerend is, is per definitie onroerend (gelet op art. 516 BW). Al wat niet als
onroerend ‘bevoorrecht’ is, blijft roerend.
De roerende goederen kunnen worden opgedeeld in drie categorieën:
ROERENDE GOEDEREN VAN AARD
= lichamelijk
Roerende goederen van aard zijn zaken die van de ene plaats naar de andere kunnen overgaan, hetzij
uit eigen beweging (vb. dier), hetzij door toedoen van een uiterlijke kracht (art. 528 BW) =
spiegelbeeld van onroerend naar aard
Vb. schepen, wasbanken, molens, (lift = onroerend)
Het criterium is de verplaatsbaarheid.
Opgelet! Als het goed maar tijdelijk en/of gedeeltelijk wordt losgemaakt dan blijft het onroerend.
Vb. keuken wordt gedemonteerd en wordt opnieuw gevestigd
ROERENDE GOEDEREN BIJ BESCHIKKING VAN DE WET
= onlichamelijk
Roerend naar hun voorwerp
Zakelijke rechten
(vb. eigendom, vruchtgebruik) zijn roerend als ze een roerend goed tot voorwerp hebben
Haast alle verbintenissen
Rechtsvorderingen
Rechtsvorderingen tot sanctie van roerende rechten (zakelijke rechten of verbintenissen) zijn
zelf roerend (art. 529 BW)
Bijzondere gevallen:
- aandelen in een vennootschap
- handelszaak
Roerend door anticipatie
Vervroegd roerende zaken zijn zaken die onroerend zijn van aard, maar die men in een rechtshandeling
als reeds los van de grond behandelt.
Vb. verkoop van een nog wortelvaste oogst: materieel is die oogst onroerend. In de ogen van de
partijen is de oogst al roerend.
Pagina 6 van 42
, SYNTHESE
Is een goed lichamelijk of onlichamelijk?
Als het goed lichamelijk is:
Fysieke criterium: is het goed verplaatsbaar?
Ja -> roerend, tenzij het onroerend door bestemming is
Nee (incorporatie) -> onroerend, tenzij het roerend door anticipatie is
= Het fysieke criterium is het hoofdcriterium, tenzij het economisch criterium de bovenhand neemt.
Als het goed onlichamelijk is:
- Dare
- Art. 526 BW
EXAMEN OEFENING
Zijn volgende voorwerpen roerend of onroerend. Verklaar en geef het juiste wetsartikel.
stoel
- in woning :
- in huurwoning in eigendom van huurder
- in huurwoning in eigendom van verhuurder (bemeubelde verhuur)
- in schoolgebouw
- in winkel verkoop meubelen (stock)
Pagina 7 van 42
SOORTEN VERMOGENSRECHTEN
= alle zaken die vatbaar zijn voor beslag en verkoop
Zakelijke rechten
Persoonlijke rechten
Intellectuele rechten
BELANG VAN ONDERSCHEID
Verschil in publiciteit:
- onroerende goederen: overdracht/vestiging van een zakelijke recht moet altijd worden
overgeschreven op het hypotheekkantoor = authenciteit
- roerende goederen: bezit geldt als titel art. 2279 BW
Opgelet! Persoonlijke rechten moeten niet worden overgeschreven op het hypotheekkantoor, tenzij
bij huur > 9 jaar art. 1,2de Hyp. W.
Verschil in gevolgen:
Grotere tegenwerpelijkheid
Verschil in attributen:
Volgrecht
NUMERUS CLAUSUS-BEGINSEL1
In het zakenrecht geldt het principe van numerus clausus. De zakelijke rechten staan in de wet. Er zijn
maar een beperkt aantal zakelijke rechten. U mag geen nieuwe zakelijke rechten creëren en u mag
geen afbreuk doen aan de wezenskenmerken van de zakelijke rechten.
ZAKELIJKE HOOFDRECHTEN
Zakelijke rechten die op zichzelf staan.
Eigendom (art.544 BW), eigendom, genot en erfdienstbaarheid (art. 543 BW)
Mede-eigendom 1924 (art. 577-2 BW)
Vruchtgebruik
Erfpacht
Opstal
ZAKELIJKE ZEKERHEIDSRECHTEN (=ACCESOIRE RECHTEN)
Ze zijn ondergeschikt aan de persoonlijke verbintenis
Hypotheek op onroerende goederen (art. 41-95 Hypotheekwet)
Pand op roerende goederen (art. 2073-2084 BW) > wetswijziging: pand is geen zakelijk
contract meer
Voorrechten
Numerus clausus = enkel die zakelijke rechten die in de wet staan, zijn mogelijk
betekent niet dat er geen enkele vrijheid is, dat er geen wilsautonomie is
1
Kan je onderverdelen in zakelijke en persoonlijke rechten. Bij de PR heb je ook nog een persoonlijk recht met
zakelijke werking = ketting beding vb.: concurrentie beding art. 1165 BW
Pagina 1 van 42
,KENMERKEN VAN EEN ZAKELIJK RECHT
1. Volgrecht (als tegenwerpbaar!)
Volgrecht stelt de houder van een zakelijk recht in staat de zaak waarop zijn recht slaat overal op te
eisen, uit handen van om het even welke bezitter. Een volgrecht betekent dat als u een zakelijk recht
heeft dat u het goed waarop het zakelijk recht rust, kunt volgen bij verkoop, ruil,...
Vb. de bank heeft een hypotheek op een huis: als dit huis wordt verkocht dan blijft de hypotheek op
het goed. De koper zal de hypotheek moeten respecteren. Als de verkoper zijn lening niet afbetaalt
dan zal het huis toch worden verkocht. In de praktijk zal men er voor zorgen dat de hypotheek eerst
weg is.
De hypothecaire schuldeiser mag betaling eisen, niet enkel van zijn schuldenaar, doch ook van de
derde die het gehypothekeerd goed zou gekocht hebben art. 41 Hypotheekwet en art. 46
Hypotheekwet
2. Recht van voorrang
De houder van een zakelijk recht heeft voorrang op de houder van een schuldvordering/persoonlijk
recht. Er is een zakenrechtelijke bescherming wanneer u een zakelijk recht hebt.
Persoonlijke recht:
Als er meerdere schuldeisers willen beginnen uitvoeren/zich op het vermogen willen werpen, dan
geldt er gelijkheid tussen de schuldeisers, tenzij wettelijke redenen van voorrang. Men gaat alle
schuldeisers gelijk behandelen = paritas creditorum.
Zakelijk zekerheidsrecht:
Bij een zakelijk zekerheidsrecht komt diegene met een recht op voorrang vooraan (wordt als eerste
betaald).
(extra: tussen de zakelijke rechten geldt de voorrang voor diegene met het oudste recht van voorrang
= anterioriteitsbeginsel).
3. Vermogensleer
Over het vermogen bestaat een zogenaamde vermogensleer (leer over het vermogen). Deze
vermogensleer bestaat uit 3 (of 4) principes die volgen uit de verbondenheid tussen het juridisch
persoon zijn en het vermogen:
- Elk rechtssubject2 heeft een vermogen (= er wordt gekeken naar de ‘rugzak’ niet naar de inhoud)
- Enkel rechtssubjecten hebben een vermogen
- Elk rechtssubject heeft slechts één vermogen art. 7 & 5 Hyp. W.
- Rechtssubject is dynamisch
De “rugzak” telt, de inhoud niet. Er kunnen dingen in het vermogen bijkomen of weggaan. Het
geheel zelf wordt in rechte erkend. Het vermogen is een tegenwoordige waarborg (zie art. 8
Hypotheekwet) met een niet tastbaar voorwerp.
uitzondering.: actio pauliana3
2
Rechtssubject = mogelijke drager van rechten en plichten (natuurlijke personen + rechtspersonen
3
= pauliaanse vordering
Pagina 2 van 42
,INDELING VAN DE GOEDEREN
Het meest belangrijke onderscheid is het onderscheid tussen roerend en onroerend. Het is een
hoofdonderscheid. Elk goed, zowel lichamelijk als onlichamelijk is ofwel roerend ofwel onroerend (art.
516 BW). Dus ook onlichamelijke zaken (rechten, rechtsvorderingen) zijn roerend of onroerend,
ongeacht het feit dat ze geen plaats innemen in de ruimte.
Als je de historie bekijkt zijn er 2 grote criteriums voor het onderscheid:
- Criterium van de verplaatsbaarheid
- Economisch criterium
ONROERENDE GOEDEREN
ONROEREND UIT HUN AARD
= Lichamelijke goederen
Grond en ondergrond
Art. 518 BW: De grond + aanhorigheden = dus ook alles wat ermee geïncorporeerd is. (De ondergrond
met zijn minerale rijkdommen (vb. gas, olie) is onroerend).
Gebouwen
Art. 518 BW: Het woord “gebouw” wordt gebruikt in de ruimste zin van het woord. Alle soort van werk
dat aan de grond vastzit is een gebouw en dus onroerend.
Een gebouw is evengoed een spoorweg of een gewone weg, een kelder, een brug,… Gebouwen is te
begrijpen als werken. Essentieel is dat deze gebouwen geïncorporeerd zijn. Dit criterium is heel sterk
geëvolueerd doorheen de jaren. Er zijn een hoop ‘grijze gevallen’ waarover discussie heerst.
Beplanting
Art. 520 BW: Opdat een plant onroerend zij, moet ze wortelvast met de grond zijn verbonden. Dit
verbonden zijn is noodzakelijk en is echter ook voldoende. Men behoeft zich niet af te vragen, of de
plant bestemd is om in de grond te blijven en evenmin, wie ze gezaaid of geplant heeft
INCORPERATIE
De gebouwen en de beplanting, voor zover ze geïncorporeerd zijn, zijn onroerend uit de aard.
De incorporatie bij onroerend uit de aard is noodzakelijk. Is die er niet of niet meer, dan is het goed
niet onroerend uit de aard. Alle werk dat aan de grond vastzit, is onroerend, onverschillig of het min
of meer vastzit en voor korte of lange tijd.
Het criterium is essentieel, maar wel voldoende. Het zit erin, het hangt eraan of staat erop. Wie die
incorporatie tot stand gebracht heeft, is irrelevant. Het vastzitten volstaat. Dat het werk door een
ander dan de eigenaar van de grond werd verricht, doet niets ter zake. Als het werk eenmaal vastzit,
dan speelt het voorlopig karakter van de bouw geen rol.
Incorporatiecriterium: als er een einde komt aan de incorporatie dan is het gebouw of de beplanting
roerend.
Pagina 3 van 42
,DE EVOLUTIE VERLOOPT IN 3 STAPPEN:
Vroeger hanteerden men een zogenaamd objectief criterium:
Is het goed op objectieve wijze gezien verplaatsbaar of niet? Kan je het verplaatsen zonder er aan te
breken of het te beschadigen? Alle soort werk dat zodanig aan de grond vastzit dat het niet zonder
schade kan worden verplaatst of verwijderd is onroerend van aard. Van groot belang is of het werk
gemakkelijk kan worden verwijderd.
Het probleem is dat in de loop der jaren die typische voorbeelden allemaal vertroebeld zijn. Waar ligt
de grens van de verplaatsbaarheid?
Vb. standbeeld kunt u meenemen als u heel sterk bent
Benzinepomp-arrest 1988 van Hof van Cassatie:
Is een benzinepomp roerend of onroerend? De fiscus wilde een onroerende voorheffing vestigen op
de benzinepompen en de eigenaar bestrijdt dit door te zeggen dat de benzinepompen niet onroerend
zijn. Benzinepompen hangen vast met bouten. Dat is een duidelijk grensgeval.
Als het oude criterium wordt toegepast, dan zou u eerder zeggen dat het om een roerend goed gaat.
Welnu het Hof van Cassatie zegt dat het onroerend is. Benzinepompen zijn onroerend.
“Incorporatie is alles wat duurzaam en gewoonlijk met de grond verbonden is of erin vastzit.” Hier
wordt niet meer gesproken over breekwerk of beschadiging.
Het is een verruiming en niet enkel objectief maar ook subjectief.
Twee elementen dienen te worden afgetoetst:
- Verbonden?
Verbonden betekent als het goed eraan gebonden is/aan vast hangt of op de grond steunt (in de grond,
aan de grond of op de grond).
Vb. standbeeld: een zaak kan aan de grond vastzitten zonder enig metselwerk, door zijn louter gewicht.
- Duurzaam en gewoonlijk?
Het goed heeft de bestemming om daar te blijven.
In die zin is het een subjectief criterium. Die verbondenheid is veel soepeler dan oorspronkelijk werd
aangenomen. En bovendien is vereist dat het goed bestemd is om daar te blijven.
Rolkranen arrest 2008 van het Hof van Cassatie:
Opnieuw ging de discussie over onroerend of roerend goed. Het ging over een geschil met de fiscus
over een rolkraan (staat op sporen) aan de haven. Is die rolkraan roerend of onroerend? De rolkraan
is tot 500 meter verplaatsbaar, maar het is bijzonder zwaar, drukt op de grond en rijdt op sporen + het
blijft maar beperkt verplaatsbaar.
Het Hof van Cassatie kiest voor het te kwalificeren als onroerend. Het Hof van Cassatie herneemt de
definitie uit 1988. Het Hof fixeert zich verder op de vraag of de beperkte verplaatsbaarheid een
probleem is.
De beperkte functionele beweegbaarheid doet geen afbreuk aan het onroerend karakter. Het is
een interpretatie van Cassatie 1988.
Door dit arrest kunnen verplaatsbare goederen ook beschouwd worden als onroerend waardoor er
een onroerende voorheffing betaald moet worden.
Pagina 4 van 42
,ONROEREND DOOR BESTEMMING
= Lichamelijk goederen
Onroerende goederen door bestemming = zijn roerende goederen die de eigenaar voor de dienst van
zijn grond of gebouw besteedt. Deze goederen zijn dus op zich roerende goederen, maar omwille van
een fictie worden ze toch als onroerend beschouwd, meer bepaald omdat ze horen bij een
onroerend goed art. 524 BW.
WAAROM WORDEN DIE ROERENDE ZAKEN MET ONROERENDE GELIJKGESTELD?
Roerende goederen krijgen een onroerend karakter door bestemming als de som van beide goederen
meer waard is dan beide goederen apart = economisch criterium!
Vb. koeien die toebehoren aan een boerderij: samen meer waard > een koe of een varken is
onroerend door bestemming als deze gekoppeld zijn aan een landbouwbedrijf
Vb. pizzabedrijf: de brommertjes worden onroerend door bestemming
Vb. tractor bij landbouwbedrijf wordt onroerend vanuit de economische gedachte
VOORWAARDEN
1) Eigendomsvereisten
- Een naar aard onroerend goed
- Een naar aard roerend goed (art. 524 BW)
- Die beiden tot dezelfde eigenaar behoren (art. 522, 524, 525 BW)
Bepaalde roerende goederen mogen niet gescheiden worden van een onroerend goed.
Dit veronderstelt dat de roerende zaken en het onroerend goed tot hetzelfde vermogen behoren.
Zowel het onroerend goed uit de aard als het roerend goed uit de aard moet aan dezelfde
eigenaar toebehoren.
2) Dienstbaarheid of blijvende verbinding
Art. 525 BW.
3) Bijzondere inrichting
De wet eist een zekere publiciteit. Het is nodig dat iemand anders dan de eigenaar zelf vanaf de
zijlijn kan bepalen of het goed onroerend door bestemming is of niet.
GEVOLGEN
Wat een economische meerwaarde heeft, moet men ook juridisch trachten samen te houden. De
gevolgen zijn allemaal samen te vatten volgens de idee van bijzaak volgt hoofdzaak. Precies daarom
noemt men het onroerend door bestemming, omdat het roerend goed ook onroerend is zoals de
hoofdzaak.
- Beslag
- Hypotheek
- Onteigening
EINDE
Aangezien het onroerend maken door bestemming uit de wil van de eigenaar voortvloeit, houdt het
ook met die wil op.
Pagina 5 van 42
,ONROEREND DOOR DE ZAAK WAAROP HET BETREKKING HEEFT
= onlichamelijke goederen
Onlichamelijke goederen zijn die ‘goederen’ welke aan onze zintuigen ontsnappen: rechten,
samenhorende goederen (vermogen, nalatenschap).
Onroerend naar hun voorwerp art. 526 BW
Zakelijke rechten
Recht vorderingen:
Revindicatie vordering = vordering die de eigenaar instelt om zijn goed terug te krijgen. Als die
revindicatie vordering betrekking heeft op een onroerend goed, dan is het een onroerende
rechtsvordering
ROERENDE GOEDEREN
Een goed dat niet onroerend is, is per definitie onroerend (gelet op art. 516 BW). Al wat niet als
onroerend ‘bevoorrecht’ is, blijft roerend.
De roerende goederen kunnen worden opgedeeld in drie categorieën:
ROERENDE GOEDEREN VAN AARD
= lichamelijk
Roerende goederen van aard zijn zaken die van de ene plaats naar de andere kunnen overgaan, hetzij
uit eigen beweging (vb. dier), hetzij door toedoen van een uiterlijke kracht (art. 528 BW) =
spiegelbeeld van onroerend naar aard
Vb. schepen, wasbanken, molens, (lift = onroerend)
Het criterium is de verplaatsbaarheid.
Opgelet! Als het goed maar tijdelijk en/of gedeeltelijk wordt losgemaakt dan blijft het onroerend.
Vb. keuken wordt gedemonteerd en wordt opnieuw gevestigd
ROERENDE GOEDEREN BIJ BESCHIKKING VAN DE WET
= onlichamelijk
Roerend naar hun voorwerp
Zakelijke rechten
(vb. eigendom, vruchtgebruik) zijn roerend als ze een roerend goed tot voorwerp hebben
Haast alle verbintenissen
Rechtsvorderingen
Rechtsvorderingen tot sanctie van roerende rechten (zakelijke rechten of verbintenissen) zijn
zelf roerend (art. 529 BW)
Bijzondere gevallen:
- aandelen in een vennootschap
- handelszaak
Roerend door anticipatie
Vervroegd roerende zaken zijn zaken die onroerend zijn van aard, maar die men in een rechtshandeling
als reeds los van de grond behandelt.
Vb. verkoop van een nog wortelvaste oogst: materieel is die oogst onroerend. In de ogen van de
partijen is de oogst al roerend.
Pagina 6 van 42
, SYNTHESE
Is een goed lichamelijk of onlichamelijk?
Als het goed lichamelijk is:
Fysieke criterium: is het goed verplaatsbaar?
Ja -> roerend, tenzij het onroerend door bestemming is
Nee (incorporatie) -> onroerend, tenzij het roerend door anticipatie is
= Het fysieke criterium is het hoofdcriterium, tenzij het economisch criterium de bovenhand neemt.
Als het goed onlichamelijk is:
- Dare
- Art. 526 BW
EXAMEN OEFENING
Zijn volgende voorwerpen roerend of onroerend. Verklaar en geef het juiste wetsartikel.
stoel
- in woning :
- in huurwoning in eigendom van huurder
- in huurwoning in eigendom van verhuurder (bemeubelde verhuur)
- in schoolgebouw
- in winkel verkoop meubelen (stock)
Pagina 7 van 42