Taalkunde 2 GNGT 1 Bijeenkomst 7: Discourse: localisatie
en pronominalisatie
Aantekeningen bij weblecture via HUbl en de PowerPoint van de les.
Discourse
= grotere gehelen dan zinnen, tekst dus. Hoe zijn de verbanden tussen deze zinnen?
Hierbij gebruik je veel verwijswoorden. Je verwijst naar eerdere informate uit een discourse.
BIjv: ‘hij´, om te verwijzen naar een man waar je in een zin eerder over sprak.
Alle woorden hebben een referent, hetgeen waar naar verwezen wordt.
Man verwijst naar een mannelijke persoon
Fles verwijst naar iets waar je een vloeistof in kunt doen.
Niet aanwezige referent = referent is niet aanwezig tjdens de discourse.
Pronominalisatie
= Verwijzen naar een eerder geïntroduceerde entteit door middel van een persoonlijk
voornaamwoord (pronomina).
De broer van mijn vriendin …
Hij …. = pronominalisate
Afspraken in NL:
Ik verwijst naar de spreker/schrijver = 1e persoon
jij/jullie verwijst naar degene waartegen gesproken wordt = 2e persoon enk/mv
hij/zij verwijst naar een derde persoon = 3e persoon enk/mv NIET AANWEZIG
Voorwaarde in gesproken talen
(Voldoende) introduceren van een entteit
Voorwaarden in gebarentalen
- (Voldoende) introduceren van een entteit
- Localiseren van een entteit (of aanwezig)
Oorzaak van deze extra voorwaarde
Pronomina in gebarentalen refereren aan locates:
- Locates van aanwezige partcipanten: de gebaarder, de gesprekspartner (ik, jij, wij jullie) (en
eventuele 3e personen)
- Locates van niet-aanwezige partcipanten deze moeten gecreëerd worden: localisate
en pronominalisatie
Aantekeningen bij weblecture via HUbl en de PowerPoint van de les.
Discourse
= grotere gehelen dan zinnen, tekst dus. Hoe zijn de verbanden tussen deze zinnen?
Hierbij gebruik je veel verwijswoorden. Je verwijst naar eerdere informate uit een discourse.
BIjv: ‘hij´, om te verwijzen naar een man waar je in een zin eerder over sprak.
Alle woorden hebben een referent, hetgeen waar naar verwezen wordt.
Man verwijst naar een mannelijke persoon
Fles verwijst naar iets waar je een vloeistof in kunt doen.
Niet aanwezige referent = referent is niet aanwezig tjdens de discourse.
Pronominalisatie
= Verwijzen naar een eerder geïntroduceerde entteit door middel van een persoonlijk
voornaamwoord (pronomina).
De broer van mijn vriendin …
Hij …. = pronominalisate
Afspraken in NL:
Ik verwijst naar de spreker/schrijver = 1e persoon
jij/jullie verwijst naar degene waartegen gesproken wordt = 2e persoon enk/mv
hij/zij verwijst naar een derde persoon = 3e persoon enk/mv NIET AANWEZIG
Voorwaarde in gesproken talen
(Voldoende) introduceren van een entteit
Voorwaarden in gebarentalen
- (Voldoende) introduceren van een entteit
- Localiseren van een entteit (of aanwezig)
Oorzaak van deze extra voorwaarde
Pronomina in gebarentalen refereren aan locates:
- Locates van aanwezige partcipanten: de gebaarder, de gesprekspartner (ik, jij, wij jullie) (en
eventuele 3e personen)
- Locates van niet-aanwezige partcipanten deze moeten gecreëerd worden: localisate