Psychologische gespreksvoering
H2, H3, H6
Hoofdstuk 2: De gezindheid van de hulpverlener
Het diagnose-receptgesprek: een gesloten gespreksvorm. De psychologe luistert naar de cliënt, stelt
vervolgens een diagnose en levert het recept om het probleem op te lossen. Met zo’n model boek je
alleen succes als je zeker weet dat je alle deskundigheid en kennis in huis hebt en als je gesprekspartner
bereid is je boodschap te accepteren of daartoe veroordeeld is (denk aan een slecht-nieuws gesprek).
Gaat het op één van deze terreinen mis, dan leidt dit model tot afstand, onbegrip en weigering om de
boodschap te accepteren.
Het samenwerkingsmodel: de cliënt moet zelf een oplossing voor zijn probleem kiezen. Een belangrijk
aspect in deze werkmethode is dat de psychologe zich zeer bewust als doel stelt een beter inzicht in de
gevoelens-, denk- en leefwereld van de cliënt te vormen. Psychologe en cliënt werken samen aan de
verheldering, nuancering en behandeling van zijn vragen; we spreken daarom van het
samenwerkingsmodel.
Hoofdstuk 3: De cliëntgerichte benadering
De theorie van Rogers:
• Rogers legt nadruk op zelfactualisering als fundamentele, drijvende kracht in de persoon. Het
individu gaat zo in de richting van een eigen identiteit en een optimale vorm.
• Het gaat om het proces van steeds verdergaande ontwikkeling en verfijning van in aanleg
gegeven mogelijkheden. Dit ontwikkelingsproces wordt in belangrijke mate bepaald door de
kwaliteit van het belevings- en ervaringsproces van de persoon.
• Het is van essentieel belang voor de ontwikkeling van een persoon dat hij van jongs af aan
onvoorwaardelijke positieve aandacht en zorg krijgt en ervaart van voor hem belangrijke
personen uit zijn omgeving.
Wanneer ontstaan er nu problemen in de persoon? Rogerts voert het begrip ‘voorwaardelijke zorg en
aandacht’ in. Hiervan is sprake als de omgeving de persoon niet meer accepteert om zichzelf, maar de
liefde en acceptatie afhankelijk maakt van een ander, ‘beter’ gedrag van de persoon.
Incongruentie: volgens Rogers verkeert een persoon in een toestand van incongruentie als hij niet meer
af durft te gaan op zijn eigen directe ingevingen, gedachten en gevoelens, maar zich in zijn belevingen
en zijn gedrag gaat richten naar de verwachtingen en normen van zijn omgeving.
Hoe moet een hulpverlener volgens Rogers omgaan met zijn medemensen, zijn cliënten, om hem te
helpen uit hun persoonlijke problemen te komen? Hiervoor zijn drie voorwaarden:
• Acceptatie: de hulpverlener zal de cliënt met zijn goede en slechte gedachten, gevoelens en
gedragingen accepteren zoals hij is.
• Echtheid: de hulpverlener dient binnen de relatie met de cliënt authentiek, transparent en
geïntrigeerd te functioneren; er moet in het contact met de cliënt een ideaaltoestand van
congruentie, ook wel ‘echtheid’ genoemd, worden bereikt.
• Empathie tonen: het vermogen de privéwereld van de cliënt te beleven alsof het je eigen
belevingen en ervaringen waren maar zonder dit ‘alsof’ uit het oog te verliezen.
, Kritiek op Rogers’ theorie en methode: te optimistisch, te vaag, maar wel essentieel als basis voor
hulpverlening.
Hoofdstuk 6: Basisvaardigheden
Doelen van het eerste gesprek:
• Het eerste doel van een eerste gesprek is en zodanige werkrelatie met de cliënt tot stand
brengen, dat deze zich veilig genoeg voelt om zich te durven uiten.
• Het tweede doel is de problemen eerst eens rustig te verkennen, zondat dat de cliënt daarbij
het gevoel hoeft te hebben dat er van alles van hem verwacht wordt.
• Een derde doel is samen met de cliënt enige ordening in de problemen aan te brengen.
• Een vierde doel is ten slotte de cliënt van meet af aan zo veel mogelijk duidelijkheid te
verschaffen over wat hij van de hulpverlener kan verwachten.
Om een goed contact met de cliënt op te bouwen is een goede cliëntgerichte basishouding nodig. Voor
het tonen van deze basishouding zijn echter gedragsvaardigheden nodig. Bij deze basisvaardigheden valt
een onderscheid te maken tussen twee hoofdklassen, namelijk:
• Luistervaardigheden: hebben als doel de cliënt de ruimte te geven zijn ‘verhaal’ op zijn manier
te vertellen. Het gaat om actief luisteren, waarbij de hulpverlener door (kleine) acties en
interventies aan de cliënt laat merken dat hij volgt wat deze zegt.
o Niet-selectieve vaardigheden: met het ‘niet’-selectieve wordt bedoeld dat de
hulpverlener weinig invloed uitoefent op de inhoud van het verhaal van de cliënt. Hij
laat deze alle ruimte zijn verhaal te vertellen en reageert eigenlijk alleen met aandacht.
o Selectieve vaardigheden: met selectieve vaardigheden wordt bedoeld dat de
hulpverlener door het gebruik ervan bepaalde aspecten van het verhaal van de cliënt
eruit selecteert, omdat hij ze belangrijk vindt en zo ertoe bijdraagt dat de cliënt
daarover verder praat.
• Regulerende vaardigheden: hebben tot doel te zorgen voor duidelijkheid over de gang van
zaken in het gesprek zowel voor cliënt als hulpverlener.
Luistervaardigheden
‘Niet’-selectieve luistervaardigheden Regulerende vaardigheden
Non-verbaal gedrag Vragen stellen
Verbaal volgen Parafraseren van inhoud
Gebruik van stiltes Reflecteren van gevoel
Concretiseren
samenvatten
Regulerende vaardigheden
Openen van het gesprek
Begincontract sluiten
Terugkoppelen naar (begin)doelen
Situatie verduidelijken
Hardop denken
Afsluiten van het gesprek