1. PRACTICUM: MICROSCOOPBEELD ROOD BEENMERG
op zwakke vergroting:
o grofkorrelige massa (kernen)
o in kernen: groot aantal ronde gaten
o verklaring: vetcellen waarvan inhoud verloren ging bij maken van coupes
op sterke vergroting:
o tussen lege vetcellen: groot antal cellen met variërend uitzicht
o = verschillende elementen van myeloïde reeks
o megakaryocyten: opvallend door
grootte
structuur van kern (mandjesvorm)
2. TWEE HOOFDONDERDELEN
2.1. CELLULAIRE COMPARTIMENT
bloedcellen = hematocriet
voorlopers van bloedcellen in beenmerg
45% van totaal volume
2.2. EXTRACELLULAIRE SUBSTANTIE: BLOEDPLASMA
55% van totaal volume
waterige oplossing met
o anorganische zouten
o plasma eiwitten
o andere organische stoffen zoals AZ, vitaminen, hormonen
bevat alle bestanddelen waarvan vervoer en verdeling noodzakelijk zijn voor het
instandhouden van het ‘inwendige milieu’
bevat eiwitten voor bloedstolling
o bij contact met buitenwereld: fibrinogeen fibrinedraden (polymeer)
o fibrinebloedklonter perst gelige, heldere vloeistof uit
= bloedseru: plasma zonder fibrinogeen
o in klonter: cellen blijven gevangen
o = coagulatie
36
, 3. EEN BLOEDUITSTRIJKJE MAAKT BLOEDCELLEN
ZICHTBAAR
3.1. BLOEDUITSTRIJKJE
uitsmeren van druppel bloed individuele cellen naast elkaar
drogen
kleuren met basische en zure kleurstoffen meest gebruikte technieken:
o RomanowskyGiemsa kleuring
o MayGrünwaldGiemsa kleuring
3.2. CELLEN IN BLOED
stammen af van voorlopers in beenmerg of in lymfoïd weefsel
aantal is belangrijk in aantal ziektetoestanden
o celcounter: in absolute waarden
o uitstrijkje: in relatieve waarden
ook vorm is belangrijk
o opm: vorm verschilt naargelang we ze bekijken in uitstrijkje of in weefsel
twee duidelijke groepen:
o rode bloedlichaampjes (erythrocyten)
man: 5,4 miljoen/mm3
vrouw: 4,8 miljoen/mm3
o witte bloedcellen (leukocyten)
ook thrombocyten
o geen echte cellen
o ontstaan door afsnoering cytoplasma in megakaryoocyten in beenmerg
37