SOCIALE PSYCHOLOGIE: INHOUD
HOOFDSTUK 1: INTRODUCTIE
1. De mens is een sociaal dier
2. Sociale psychologie: definitie en verwante disciplines
2.1. Definitie van sociale psychologie
2.2. De kracht van de sociale situatie
2.3. Sociale psychologie en verwante disciplines
2.4. Andere psychologische domeinen
2.5. Sociale psychologie en mensenkennis
3. De geschiedenis van de sociale psychologie
3.1. De beginjaren van de sociale psychologie (1880 – 1935)
3.2. De jaren van bevestiging en groei (1936 – 1960)
3.3. Lopen en vallen (1960 – midden 1970)
3.4. Methodologisch en inhoudelijk pluralisme (midden 1970 – 2000)
4. Sociale psychologie in de 21ste eeuw
4.1. Hersenonderzoek
4.2. Het internet
4.3. Sociaal-culturele perspectieven
HOOFDSTUK 2: ONDERZOEKSMETHODEN
1. De ontwikkeling van hypothesen
1.1. Een goed idee
1.2. Opzoeken van psychologische literatuur
1.3. Hypothesen en theorieën
2. Het operationaliseren van sociaalpsychologische variabelen
2.1. Zelfbeschrijving
2.2. Gedragsobservaties
3. Hypothese testen: onderzoeksplannen
3.1. Beschrijvend onderzoek
3.2. Correlationeel onderzoek: de relatie tussen variabelen
3.3. Experimenten: manipuleren van de situatie
3.3.1.Soorten variabelen
3.3.2.Hoofdeffecten en interactie-effecten
3.3.3.Interne validiteit
3.3.4.Externe validiteit
4. Ethiek en waarden
4.1. Geïnformeerde toestemming
4.2. Debriefing
4.3. Waarden en wetenschap
HOOFDSTUK 3: HET SOCIALE ZELF
1. Het sociale zelf – een inleiding
1.1. De oorsprong van het zelf
1.1.1.Twee noodzakelijke stappen om van een zelf te spreken
, 1.1.2.Begrippen
1.2. Functies van het zelf
1.2.1.Zelfconcept
1.2.2.Zelfregulatie
1.3. Geslachtsverschillen
1.4. Leeftijds-en cohortverschillen
1.5. Culturele perspectieven
2. Het zelfconcept
2.1. Introspectie
2.2. Zelfperceptie
2.2.1.Zelfperceptie van emotie
2.2.2.Zelfperceptie van motivatie
2.3. De invloed van anderen
2.3.1.Sociale vergelijkingstheorie
2.3.2.De tweefactoren emotietheorie
2.3.3.Directe impact van anderen
3. Zelfwaardering
3.1. De zelfdiscrepantietheorie (Higgins)
3.2. De zelfbewustzijnstheorie
3.3. Beperkingen van zelfregulatie
3.4. Mechanismen van zelfverheerlijking
3.4.1.Zelfdienende informatieverwerking
3.4.2.Zelfhandicappering
3.4.3.Zich koesteren aan het succes van anderen
3.4.4.Neerwaartse sociale vergelijkingen
3.5. Zijn positieve illusies adaptief?
4. Zelfpresentatie
4.1. Strategische zelfpresentatie
4.2. Zelfverificatie
4.3. Individuele verschillen in zelfsturing
5. Subjectief welbevinden: de weg naar het geluk
5.1. Factoren die invloed hebben op subjectief welbevinden
5.2. Leidt rijkdom tot geluk?
6. Slotwoord: het dynamische zelf
HOOFDSTUK 4: SOCIALE PERCEPTIE
1. Het ruwe materiaal van de eerste indruk
1.1. De waarnemer
1.2. Het uiterlijk
1.3. Situaties
1.4. Gedrag
1.4.1.Gelaatsuitdrukkingen
1.4.2.Ander non-verbaal gedrag
1.4.3.Waarheid van leugen onderscheiden
2. Attributie: van elementen tot disposities
2.1. Attributietheorieën
2.2. De theorie van corresponderende gevolgtrekkingen
2.3. Kelley’s covariatietheorie
HOOFDSTUK 1: INTRODUCTIE
1. De mens is een sociaal dier
2. Sociale psychologie: definitie en verwante disciplines
2.1. Definitie van sociale psychologie
2.2. De kracht van de sociale situatie
2.3. Sociale psychologie en verwante disciplines
2.4. Andere psychologische domeinen
2.5. Sociale psychologie en mensenkennis
3. De geschiedenis van de sociale psychologie
3.1. De beginjaren van de sociale psychologie (1880 – 1935)
3.2. De jaren van bevestiging en groei (1936 – 1960)
3.3. Lopen en vallen (1960 – midden 1970)
3.4. Methodologisch en inhoudelijk pluralisme (midden 1970 – 2000)
4. Sociale psychologie in de 21ste eeuw
4.1. Hersenonderzoek
4.2. Het internet
4.3. Sociaal-culturele perspectieven
HOOFDSTUK 2: ONDERZOEKSMETHODEN
1. De ontwikkeling van hypothesen
1.1. Een goed idee
1.2. Opzoeken van psychologische literatuur
1.3. Hypothesen en theorieën
2. Het operationaliseren van sociaalpsychologische variabelen
2.1. Zelfbeschrijving
2.2. Gedragsobservaties
3. Hypothese testen: onderzoeksplannen
3.1. Beschrijvend onderzoek
3.2. Correlationeel onderzoek: de relatie tussen variabelen
3.3. Experimenten: manipuleren van de situatie
3.3.1.Soorten variabelen
3.3.2.Hoofdeffecten en interactie-effecten
3.3.3.Interne validiteit
3.3.4.Externe validiteit
4. Ethiek en waarden
4.1. Geïnformeerde toestemming
4.2. Debriefing
4.3. Waarden en wetenschap
HOOFDSTUK 3: HET SOCIALE ZELF
1. Het sociale zelf – een inleiding
1.1. De oorsprong van het zelf
1.1.1.Twee noodzakelijke stappen om van een zelf te spreken
, 1.1.2.Begrippen
1.2. Functies van het zelf
1.2.1.Zelfconcept
1.2.2.Zelfregulatie
1.3. Geslachtsverschillen
1.4. Leeftijds-en cohortverschillen
1.5. Culturele perspectieven
2. Het zelfconcept
2.1. Introspectie
2.2. Zelfperceptie
2.2.1.Zelfperceptie van emotie
2.2.2.Zelfperceptie van motivatie
2.3. De invloed van anderen
2.3.1.Sociale vergelijkingstheorie
2.3.2.De tweefactoren emotietheorie
2.3.3.Directe impact van anderen
3. Zelfwaardering
3.1. De zelfdiscrepantietheorie (Higgins)
3.2. De zelfbewustzijnstheorie
3.3. Beperkingen van zelfregulatie
3.4. Mechanismen van zelfverheerlijking
3.4.1.Zelfdienende informatieverwerking
3.4.2.Zelfhandicappering
3.4.3.Zich koesteren aan het succes van anderen
3.4.4.Neerwaartse sociale vergelijkingen
3.5. Zijn positieve illusies adaptief?
4. Zelfpresentatie
4.1. Strategische zelfpresentatie
4.2. Zelfverificatie
4.3. Individuele verschillen in zelfsturing
5. Subjectief welbevinden: de weg naar het geluk
5.1. Factoren die invloed hebben op subjectief welbevinden
5.2. Leidt rijkdom tot geluk?
6. Slotwoord: het dynamische zelf
HOOFDSTUK 4: SOCIALE PERCEPTIE
1. Het ruwe materiaal van de eerste indruk
1.1. De waarnemer
1.2. Het uiterlijk
1.3. Situaties
1.4. Gedrag
1.4.1.Gelaatsuitdrukkingen
1.4.2.Ander non-verbaal gedrag
1.4.3.Waarheid van leugen onderscheiden
2. Attributie: van elementen tot disposities
2.1. Attributietheorieën
2.2. De theorie van corresponderende gevolgtrekkingen
2.3. Kelley’s covariatietheorie