Psychologie van de levensloop: de baby
1. Lichamelijke en motorische ontwikkeling
De baby kent vijf waakzaamheidstoestanden:
1. Diepe rustige slaap weinig of geen lichaamsbewegingen, de ogen meestal gesloten,
rustige en regelmatige ademhaling.
2. Actieve REM- of droomslaap geen grove bewegingen, wel snelle oogbewegingen achter
gesloten oogleden, onregelmatige ademhaling
3. Passieve waaktoestand tussen slapen en waken: de ogen gaan soms dromerig open en
dan weer dicht; weinig bewegingen
4. Alerte waaktoestand Weinig lichaamsbeweging, maar open ogen en aandachtige blik,
regelmatige ademhaling
5. Huilen Felle ongecoördineerde lichaamsbewegingen, onregelmatige ademhaling, huilt
met ogen op of dicht
De baby heeft heel wat reflexen. Er zijn blijvend een voorbijgaande reflexen.
Blijvende = niezen, hoesten, braken en slikken. Ook het pupil -en buigreflex
Voorbijgaande reflexen (<3 maand) (of archaïsche reflexen genaamd)
- Snuffel- of zoekreflex =streling in de buurt van de wang veroorzaakt een draaiing van
het hoofd in de richting van de aanraking
- Zuigreflex = zodra te tepel, fopspeen. In de mond wordt gebracht begint het kind
ritmisch te zuigen. Wanneer er voeding in de mond komt zorgt het slikreflex ervoor dat
de voeding wordt doorgeslikt.
- Grijpreflex = wanneer je een vuist in de handpalm van een baby drukt sluit de hand zich
tot een stevige vuist.
- Babinski-reflex = wanneer je met een puntig voorwerp over de buitenrand van de
voetzool strijkt dan richt de grote teen zich op terwijl de andere teentjes zich scheiden.
- Moro – reflex = Bij een bruuske positieverandering worden de armpjes en de handjes
snel opengegooid en vervolgens naar het lichaam toe getrokken. Men neemt aan dat
heel lang geleden het kind zich zo kon vastklampen aan de moedervacht.
- Stap of loopreflex = wanneer je het kind onder de oksels vasthoudt en vervolgens beide
voetzolen voorzichtig neerzet tegen een vlakke ondergrond, dan verschijnt er een soort
loopbeweging waarbij de beentjes afwisselend gebogen en gestrekt worden.
- Zwemreflex = Als het kind met het gezicht naar beneden in het water gehouden wordt,
begint het meteen met de armpjes te peddelen en met de beentjes te trappelen.
1. Lichamelijke en motorische ontwikkeling
De baby kent vijf waakzaamheidstoestanden:
1. Diepe rustige slaap weinig of geen lichaamsbewegingen, de ogen meestal gesloten,
rustige en regelmatige ademhaling.
2. Actieve REM- of droomslaap geen grove bewegingen, wel snelle oogbewegingen achter
gesloten oogleden, onregelmatige ademhaling
3. Passieve waaktoestand tussen slapen en waken: de ogen gaan soms dromerig open en
dan weer dicht; weinig bewegingen
4. Alerte waaktoestand Weinig lichaamsbeweging, maar open ogen en aandachtige blik,
regelmatige ademhaling
5. Huilen Felle ongecoördineerde lichaamsbewegingen, onregelmatige ademhaling, huilt
met ogen op of dicht
De baby heeft heel wat reflexen. Er zijn blijvend een voorbijgaande reflexen.
Blijvende = niezen, hoesten, braken en slikken. Ook het pupil -en buigreflex
Voorbijgaande reflexen (<3 maand) (of archaïsche reflexen genaamd)
- Snuffel- of zoekreflex =streling in de buurt van de wang veroorzaakt een draaiing van
het hoofd in de richting van de aanraking
- Zuigreflex = zodra te tepel, fopspeen. In de mond wordt gebracht begint het kind
ritmisch te zuigen. Wanneer er voeding in de mond komt zorgt het slikreflex ervoor dat
de voeding wordt doorgeslikt.
- Grijpreflex = wanneer je een vuist in de handpalm van een baby drukt sluit de hand zich
tot een stevige vuist.
- Babinski-reflex = wanneer je met een puntig voorwerp over de buitenrand van de
voetzool strijkt dan richt de grote teen zich op terwijl de andere teentjes zich scheiden.
- Moro – reflex = Bij een bruuske positieverandering worden de armpjes en de handjes
snel opengegooid en vervolgens naar het lichaam toe getrokken. Men neemt aan dat
heel lang geleden het kind zich zo kon vastklampen aan de moedervacht.
- Stap of loopreflex = wanneer je het kind onder de oksels vasthoudt en vervolgens beide
voetzolen voorzichtig neerzet tegen een vlakke ondergrond, dan verschijnt er een soort
loopbeweging waarbij de beentjes afwisselend gebogen en gestrekt worden.
- Zwemreflex = Als het kind met het gezicht naar beneden in het water gehouden wordt,
begint het meteen met de armpjes te peddelen en met de beentjes te trappelen.