Leren stelt ons in staat om ons aan te passen aan onze omgeving en te reageren op
veranderingen in de omgeving. Het voorziet ons voornamelijk van het vermogen om specifiek
gedrag te stellen in een specifieke situatie. Situaties kunnen heel simpel maar ook heel
complex zijn. Het eerste deel van leren betrekt leren om bepaalde stimuli waar te nemen.
Perceptuele leren betrekt leren om dingen te herkennen, het omvat niet wat we moeten doen
wanneer ze aanwezig zijn. Perceptuele leren kan leren betrekken om geheel nieuwe stimuli te
herkennen, of het kan leren betrekken om veranderingen of variaties in vertrouwde stimuli te
herkennen. Bijvoorbeeld, als een vriend een nieuw kapsel heeft of zijn bril vervangt met
lenzen, verandert ons visueel geheugen van deze persoon. We leren ook dat bepaalde stimuli
gevonden worden in bepaalde locaties of contexten of in de aanwezigheid van een andere
stimuli. We kunnen ook bepaalde episodes leren en herinneren: sequensen van events vinden
plaat op een bepaalde tijd en plaats. De meer complexe vormen van perceptuele leren is het
relationeel leren.
1.1. Leren om stimuli te herkennen
Bij zoogdieren met grote en complexe hersenen, worden objecten visueel herkend door
circuits van neuronen in de visuele associatiecortex. Visueel leren kan heel snel plaats vinden,
en het aantal items die herinnerd kunnen worden zijn gigantisch. Standing toonde mensen
10.000 kleurenslides en vond dat ze zich weken later de meeste slides konden herinneren.
Andere primaten zijn bekwaam om items te herinneren dat ze slechts enkele seconden gezien
hebben, en de ervaring verandert de responsen in hun visuele associatiecortex. De primaire
visuele cortex ontvangt informatie van de laterale geniculate kern van de thalamus. Na het
eerste niveau van analyse wordt de informatie verzonden naar de extrastriate cortex, die de
primaire visuele cortex (striate cortex) omringd. Na het analyseren van bijzondere kenmerken
van de visuele scène, zoals vorm, kleur en beweging, zenden de subregio’s van de extrastriate
cortex de resultaten van hun analyse naar het volgende niveau van de visuele associatiecortex,
die verdeeld is in twee stromen. De ventrale stroom is betrokken bij objectherkenning en gaat
ventraal verder in de inferieure temporale cortex. De dorsale stroom is betrokken in de
perceptie van de locatie van objecten, en gaat verder in de posterieure pariëtale cortex. De
meeste onderzoekers zijn het ermee eens dat de ventrale stroom betrokken is met het ‘wat van
visuele perceptie’ en de dorsale stroom is betrokken met ‘waar’. Veel studies hebben
aangetoond dat letsels met schade aan de inferieure temporale cortex (het einde van de
1|Pagina