1: Hemodynamica
bloeddebiet = flow (F of Q)
= volume bloed dat per tijdseenheid door een vaatbed stroomt: F = Δ V / Δ
t
is bepaald door een drukverval over de weerstand: Δ P = F.R
totale hartdebiet = CO = ± 5 à 6 l/min
stromingssnelheid (v) is gerelateerd aan het debiet via de dwarse
doorsnede (A) vh bloedvat: F = v.A (A = ϖ.r²)
vaatbedden
parallel : hoofd en hals, longcirculatie, bovenste ledematen, OL, …
1 1 1 1
o weerstand : = + + +…
Rt R 1 R 2 R 3
seriele : nieren (glomerulaire en peritubulaire vaatbedden)
o weerstand: Rt = R1 + R2 + R3 + …
combinatie parallel en serieel : splanchnische vaten
drukgradient:
systemische circulatie : drukverval tussen prox ao en v cava (of RA)
bepaalt hartdebiet = SVR
long circulatie : drukverval tussen tr pulm en LA bepaalt hartdebiet = LVR
altijd relatieve drukmeting
o bepalen referentiedruk tov atmosferische druk op mid thorax
o metingen in mmHg of cmH2O
o natuurkunde eenheid Pascal 1mmHg = 1,36 cmH2O = 133Pa
drijvende = axiale (perfusie) druk: drukverval id richting vd bloedstroming
= oorzaak van de stroming (Δ P = P1 – P2)
transmurale druk: drukverval loodrecht op de bloedstroming =
distensibiliteit van de vaten en compliantie (Δ P = Pi – Po)
hydrostatische druk: druk door aanwezigheid van gravitatie (Δ P = ρg Δh)
ook aanwezig zonder stroming
gemiddelde arteriele druk:
max druk tijdens ejectiefase (systole) = SBP
druk einde vullingsfase (diastole) = DBP
gemiddelde bloeddruk = MAP = 1/3SBP + 2/3 DBP
hydrostatische druk
weinig invloed op de bloedstroming (staan of liggen relatief weinig invloed
op hartdebiet)
schatting van veneuze druk : verschil in hoogte tussen punt van veneuze
collaps en de hoogte van het hart
P = ρg Δh = 0,77 Δh (mmHg)
stroming:
laminaire stroming
o deeltjes stromen in parallelle concentrische lagen
o parabolisch snelheidsfront
, o = efficient
turbulente stroming
o deeltjes stromen door elkaar
o recht snelheidsfront
o = inefficiënt
Reynolds getal = kwantificatie van de turbulente stroming
Re <<2000 = laminaire flow
Re >>2200 = turbulente flow
2 rvρ
ℜ=
η
r = straal bloedvat
v = gemiddelde snelheid vh bloed
ρ = dichtheid vh bloed (± 1,05 g/ml)
η = viscositeit
ontstaan turbulente stroming :
in grotere vaten (niet in haarvaten)
bij hoge snelheden (vb vernauwing)
bij hoge dichtheid
bij lage viscositeit (vb anemie)
AO : tijdens inspanning CO x4 Re ↑ ↑ boven 2200 turbulente
stroming
wet van Poiseuille
= de weerstand, als verhouding van drukverval en debiet, kan afgeleid
worden uit geometrische eigenschappen van een vat en de viscositeit
Δ P = drukverval over de buis
ri = straal vd buis
l = lengte vd buis
η = viscositeit
voorwaarden wet van Poiseuille:
onsamendrukbare vloeistof (=bloed)
rechte, cilindervormige, rigiede buis met constante diameter en zonder
vertakkingen
geen ‘slippage’ : snelheid aan wand = 0 (klopt voor bloed in vaten)
laminaire stroming
newtoniaanse vloeistof en constante viscositeit over het vat
constante flow (niet pulserend)
langer vat = lagere snelheid & hogere viscositeit = lagere snelheid
bloeddebiet = flow (F of Q)
= volume bloed dat per tijdseenheid door een vaatbed stroomt: F = Δ V / Δ
t
is bepaald door een drukverval over de weerstand: Δ P = F.R
totale hartdebiet = CO = ± 5 à 6 l/min
stromingssnelheid (v) is gerelateerd aan het debiet via de dwarse
doorsnede (A) vh bloedvat: F = v.A (A = ϖ.r²)
vaatbedden
parallel : hoofd en hals, longcirculatie, bovenste ledematen, OL, …
1 1 1 1
o weerstand : = + + +…
Rt R 1 R 2 R 3
seriele : nieren (glomerulaire en peritubulaire vaatbedden)
o weerstand: Rt = R1 + R2 + R3 + …
combinatie parallel en serieel : splanchnische vaten
drukgradient:
systemische circulatie : drukverval tussen prox ao en v cava (of RA)
bepaalt hartdebiet = SVR
long circulatie : drukverval tussen tr pulm en LA bepaalt hartdebiet = LVR
altijd relatieve drukmeting
o bepalen referentiedruk tov atmosferische druk op mid thorax
o metingen in mmHg of cmH2O
o natuurkunde eenheid Pascal 1mmHg = 1,36 cmH2O = 133Pa
drijvende = axiale (perfusie) druk: drukverval id richting vd bloedstroming
= oorzaak van de stroming (Δ P = P1 – P2)
transmurale druk: drukverval loodrecht op de bloedstroming =
distensibiliteit van de vaten en compliantie (Δ P = Pi – Po)
hydrostatische druk: druk door aanwezigheid van gravitatie (Δ P = ρg Δh)
ook aanwezig zonder stroming
gemiddelde arteriele druk:
max druk tijdens ejectiefase (systole) = SBP
druk einde vullingsfase (diastole) = DBP
gemiddelde bloeddruk = MAP = 1/3SBP + 2/3 DBP
hydrostatische druk
weinig invloed op de bloedstroming (staan of liggen relatief weinig invloed
op hartdebiet)
schatting van veneuze druk : verschil in hoogte tussen punt van veneuze
collaps en de hoogte van het hart
P = ρg Δh = 0,77 Δh (mmHg)
stroming:
laminaire stroming
o deeltjes stromen in parallelle concentrische lagen
o parabolisch snelheidsfront
, o = efficient
turbulente stroming
o deeltjes stromen door elkaar
o recht snelheidsfront
o = inefficiënt
Reynolds getal = kwantificatie van de turbulente stroming
Re <<2000 = laminaire flow
Re >>2200 = turbulente flow
2 rvρ
ℜ=
η
r = straal bloedvat
v = gemiddelde snelheid vh bloed
ρ = dichtheid vh bloed (± 1,05 g/ml)
η = viscositeit
ontstaan turbulente stroming :
in grotere vaten (niet in haarvaten)
bij hoge snelheden (vb vernauwing)
bij hoge dichtheid
bij lage viscositeit (vb anemie)
AO : tijdens inspanning CO x4 Re ↑ ↑ boven 2200 turbulente
stroming
wet van Poiseuille
= de weerstand, als verhouding van drukverval en debiet, kan afgeleid
worden uit geometrische eigenschappen van een vat en de viscositeit
Δ P = drukverval over de buis
ri = straal vd buis
l = lengte vd buis
η = viscositeit
voorwaarden wet van Poiseuille:
onsamendrukbare vloeistof (=bloed)
rechte, cilindervormige, rigiede buis met constante diameter en zonder
vertakkingen
geen ‘slippage’ : snelheid aan wand = 0 (klopt voor bloed in vaten)
laminaire stroming
newtoniaanse vloeistof en constante viscositeit over het vat
constante flow (niet pulserend)
langer vat = lagere snelheid & hogere viscositeit = lagere snelheid