SMS ONDERWIJSKUNDE 2.1
DEEL 1: SUPERDIVERSITEIT
HOOFDSTUK 1: VISIE OP SUPERDIVERSITEIT
WAT IS (SUPER) DIVERSITEIT?
Diversiteit:
Alle mogelijke verschillen die kunnen bestaan tussen mensen die in onze maatschappij samenleven, op het vlak
van gender, huidskleur, sociale achtergrond, seksuele geaardheid, lichamelijke en verstandelijke
mogelijkheden, religie, levensbeschouwing, leeftijd, etniciteit, …
WAAROM OMGAAN MET (SUPER) DIVERSITEIT IN ONS ONDERWIJS?
Leren voor diversiteit:
Scholen zijn plaatsen waar kinderen, leerlingen en studenten begeleid kunnen worden om op een adequate
manier deel te nemen aan een pluriforme democratische samenleving.
Leren in diversiteit:
Men moet diversiteit bij leerlingen dus niet negeren of onzichtbaar maken, maar beschouwen als basis van het
leerproces.
Aandachtspunt: Een goed evenwicht tussen enerzijds rekening houden met verschillen en anderzijds de
universele behoeften van elk kind.
Het leren zien, benoemen en expliciteren van die gelijkenissen biedt mogelijkheden om de cohesie binnen een
groep te versterken.
DIVERSITEIT HERKENNEN: BREED OBSERVEREN
Breed observeren:
Je leert kijken naar kinderen, los van wat je met hen wenst te bereiken (zich met andere woorden niet
beperken tot didactische observatie). Je krijgt zicht op de brede beginsituatie, los van de doelen die je wilt
bereiken.
Doel: Zicht te krijgen op de aanwezige diversiteit in functie van superdivers werken in de kleuterklas.
Diversiteitsaspecten:
1. Het zelfbeeld van de kleuters
2. De verbondenheid tussen de kleuters
3. Gender en sekserol
4. Lichamelijke diversiteit
5. Taaldiversiteit
6. Woonsituatie en woon- en schoolomgeving
7. Gezinssituatie
8. Culturele diversiteit
9. Religie
10. Interesses
11. Vooroordelen
12. Stereotypen
Zicht op de aanwezige diversiteit. Hierdoor verruim je jouw kijk op jouw leerlingen en hun mogelijkheden en
krijg je een accurater beeld van ieders vaardigheden, interesses en behoeften.
Camille De Roeck 2 EBAKO B
,MEERVOUDIGE IDENTITEIT
Referentiegroepen:
Groepen waar ik vele dingen mee deel, die een stukje van mijn zelfbeeld hebben bepaald of bepalen.
Identiteit is dynamisch De mate van belangrijkheid van een referentiegroep kan wijzigen in de loop van de
tijd en verandert doorheen gebeurtenissen en ontwikkelingsfasen.
Meervoudige identiteit:
Onze identiteit wordt bepaald door verschillende groepen waartoe we behoren of behoorden in het
verleden. Deze groepen zijn referentiegroepen, groepen die een stukje van mijn zelfbeeld hebben
bepaald of nog steeds bepalen.
Identiteit is dynamisch
Het vormen van de identiteit staat nooit los van anderen!
Relatie tussen meervoudige identiteit en vooroordelen:
We kunnen allemaal eens slachtoffer zijn van vooroordelen
Het maakt ook een groot verschil uit of je behoort tot een referentiegroep die meer privileges en
status heeft, dan één die dat minder of niet heeft.
In onze samenleving behoort ook het etiketteren van mensen alsof ze maar tot één categorie behoren,
terwijl onze identiteit eigenlijk meervoudig is.
OVER HET ONDERZOEK
Onderzoek bij meer dan 3000 leerlingen in 66 scholen Er werd gepeild naar het welzijn en naar prestaties.
Ze maken een onderscheid tussen diversiteitsbeleid met:
Kleurenblinde aanpak
Assimilatie aanpak
Multiculturele aanpak
Welk effect hebben deze benaderingen op leerlingen met en zonder migratie- achtergrond?
Kleurenblinde aanpak:
De school ziet culturele diversiteit als irrelevant. De nadruk ligt op religieuze neutraliteit en individualistische
waarden: iedereen is uniek.
Gevolgen van deze aanpak:
De leerlingen voelen zich minder thuis op deze scholen.
Na verloop van tijd dalen de schoolprestaties.
Assimilatie aanpak:
Culturele diversiteit wordt verworpen. Leerlingen moeten hun niet- Belgische cultuur aan de schoolpoort
achterlaten.
Bijvoorbeeld: verbod op het dragen van een hoofddoek, de eis dat leerlingen enkel Nederlands spreken op
school,…
Gevolgen van deze aanpak:
Hoe sterker de assimilatie-aanpak van een school, hoe minder leerlingen met een migratie-
achtergrond zich thuis voelen.
Ook de kloof in prestaties blijft behouden.
Camille De Roeck 2 EBAKO B
, Multiculturele aanpak:
Focust op de meerwaarde van het leren uit culturele verschillen en het opleiden van de leerlingen tot
wereldburgers.
Bijvoorbeeld: Men ondersteunt initiatieven die het samenleven van de verschillende culturen kunnen
bevorderen; het confronteren van meningen, waarden en overtuigingen die in de gemeenschap leven, ziet men
als een verrijking voor de hele schoolbevolking.
Gevolgen van deze aanpak zijn positief:
In scholen met een sterkere multiculturele aanpak was er geen kloof in het welzijn en de prestaties
van leerlingen met en zonder migratie-achtergrond. Leerlingen met migratie-achtergrond voelden zich
meer thuis en haalden hogere punten op Nederlands en wiskunde, terwijl het welzijn en de prestaties
van leerlingen zonder 35 migratie-achtergrond even goed bleven.
BELANG VOOR DE KLEUTERSCHOOL
In de kleuterschool krijgen we ook te maken met vooroordelen, zowel van de kleuters als van de volwassenen.
Vanaf 4 à 5 jaar kunnen kinderen al vrij goed het onderscheid maken tussen wat rechtvaardig is en wat niet
Leidt tot kleuters die beschaamd zijn, zich minderwaardig voelen, negatief zelfbeeld ontwikkelen, …
Taak van de kleuteronderwijzeres: Kleuters kritisch leren denken over vooroordelen. De houding die we daarbij
aannemen is zeer belangrijk!
Thuis: Vaak opgroeien in homogeen milieu VS school: heterogeen milieu
GESPREKKEN OVER RACISME MET KINDEREN
Kijk in eigen boezem
Gebruik zoveel mogelijk de juiste termen
Sluit aan bij wat kinderen weten
Het is oké om je oncomfortabel te voelen bij het gesprek
Gebruik een boek als aanleiding voor het gesprek
Reageer rustig en doortastend op opmerkingen of vragen
Praten is niet genoeg, durf dingen in vraag te stellen.
VALKUILEN: KLEURENBLINDHEID EN TOERISME
KLEURENBLINDHEID
= De neiging die men heeft om verschillen te negeren of als onbelangrijk af te schilderen.
Gelijkheidsideaal
Ongemak
Etnocentrisme
HET GELIJKHEIDSIDEAAL
Het gelijk behandelen van kinderen betekent vaak dat de kinderen zich moeten aanpassen aan één norm en
dat is dan meestal de norm van de groep waartoe ook de kleuteronderwijzer hoort.
Camille De Roeck 2 EBAKO B
DEEL 1: SUPERDIVERSITEIT
HOOFDSTUK 1: VISIE OP SUPERDIVERSITEIT
WAT IS (SUPER) DIVERSITEIT?
Diversiteit:
Alle mogelijke verschillen die kunnen bestaan tussen mensen die in onze maatschappij samenleven, op het vlak
van gender, huidskleur, sociale achtergrond, seksuele geaardheid, lichamelijke en verstandelijke
mogelijkheden, religie, levensbeschouwing, leeftijd, etniciteit, …
WAAROM OMGAAN MET (SUPER) DIVERSITEIT IN ONS ONDERWIJS?
Leren voor diversiteit:
Scholen zijn plaatsen waar kinderen, leerlingen en studenten begeleid kunnen worden om op een adequate
manier deel te nemen aan een pluriforme democratische samenleving.
Leren in diversiteit:
Men moet diversiteit bij leerlingen dus niet negeren of onzichtbaar maken, maar beschouwen als basis van het
leerproces.
Aandachtspunt: Een goed evenwicht tussen enerzijds rekening houden met verschillen en anderzijds de
universele behoeften van elk kind.
Het leren zien, benoemen en expliciteren van die gelijkenissen biedt mogelijkheden om de cohesie binnen een
groep te versterken.
DIVERSITEIT HERKENNEN: BREED OBSERVEREN
Breed observeren:
Je leert kijken naar kinderen, los van wat je met hen wenst te bereiken (zich met andere woorden niet
beperken tot didactische observatie). Je krijgt zicht op de brede beginsituatie, los van de doelen die je wilt
bereiken.
Doel: Zicht te krijgen op de aanwezige diversiteit in functie van superdivers werken in de kleuterklas.
Diversiteitsaspecten:
1. Het zelfbeeld van de kleuters
2. De verbondenheid tussen de kleuters
3. Gender en sekserol
4. Lichamelijke diversiteit
5. Taaldiversiteit
6. Woonsituatie en woon- en schoolomgeving
7. Gezinssituatie
8. Culturele diversiteit
9. Religie
10. Interesses
11. Vooroordelen
12. Stereotypen
Zicht op de aanwezige diversiteit. Hierdoor verruim je jouw kijk op jouw leerlingen en hun mogelijkheden en
krijg je een accurater beeld van ieders vaardigheden, interesses en behoeften.
Camille De Roeck 2 EBAKO B
,MEERVOUDIGE IDENTITEIT
Referentiegroepen:
Groepen waar ik vele dingen mee deel, die een stukje van mijn zelfbeeld hebben bepaald of bepalen.
Identiteit is dynamisch De mate van belangrijkheid van een referentiegroep kan wijzigen in de loop van de
tijd en verandert doorheen gebeurtenissen en ontwikkelingsfasen.
Meervoudige identiteit:
Onze identiteit wordt bepaald door verschillende groepen waartoe we behoren of behoorden in het
verleden. Deze groepen zijn referentiegroepen, groepen die een stukje van mijn zelfbeeld hebben
bepaald of nog steeds bepalen.
Identiteit is dynamisch
Het vormen van de identiteit staat nooit los van anderen!
Relatie tussen meervoudige identiteit en vooroordelen:
We kunnen allemaal eens slachtoffer zijn van vooroordelen
Het maakt ook een groot verschil uit of je behoort tot een referentiegroep die meer privileges en
status heeft, dan één die dat minder of niet heeft.
In onze samenleving behoort ook het etiketteren van mensen alsof ze maar tot één categorie behoren,
terwijl onze identiteit eigenlijk meervoudig is.
OVER HET ONDERZOEK
Onderzoek bij meer dan 3000 leerlingen in 66 scholen Er werd gepeild naar het welzijn en naar prestaties.
Ze maken een onderscheid tussen diversiteitsbeleid met:
Kleurenblinde aanpak
Assimilatie aanpak
Multiculturele aanpak
Welk effect hebben deze benaderingen op leerlingen met en zonder migratie- achtergrond?
Kleurenblinde aanpak:
De school ziet culturele diversiteit als irrelevant. De nadruk ligt op religieuze neutraliteit en individualistische
waarden: iedereen is uniek.
Gevolgen van deze aanpak:
De leerlingen voelen zich minder thuis op deze scholen.
Na verloop van tijd dalen de schoolprestaties.
Assimilatie aanpak:
Culturele diversiteit wordt verworpen. Leerlingen moeten hun niet- Belgische cultuur aan de schoolpoort
achterlaten.
Bijvoorbeeld: verbod op het dragen van een hoofddoek, de eis dat leerlingen enkel Nederlands spreken op
school,…
Gevolgen van deze aanpak:
Hoe sterker de assimilatie-aanpak van een school, hoe minder leerlingen met een migratie-
achtergrond zich thuis voelen.
Ook de kloof in prestaties blijft behouden.
Camille De Roeck 2 EBAKO B
, Multiculturele aanpak:
Focust op de meerwaarde van het leren uit culturele verschillen en het opleiden van de leerlingen tot
wereldburgers.
Bijvoorbeeld: Men ondersteunt initiatieven die het samenleven van de verschillende culturen kunnen
bevorderen; het confronteren van meningen, waarden en overtuigingen die in de gemeenschap leven, ziet men
als een verrijking voor de hele schoolbevolking.
Gevolgen van deze aanpak zijn positief:
In scholen met een sterkere multiculturele aanpak was er geen kloof in het welzijn en de prestaties
van leerlingen met en zonder migratie-achtergrond. Leerlingen met migratie-achtergrond voelden zich
meer thuis en haalden hogere punten op Nederlands en wiskunde, terwijl het welzijn en de prestaties
van leerlingen zonder 35 migratie-achtergrond even goed bleven.
BELANG VOOR DE KLEUTERSCHOOL
In de kleuterschool krijgen we ook te maken met vooroordelen, zowel van de kleuters als van de volwassenen.
Vanaf 4 à 5 jaar kunnen kinderen al vrij goed het onderscheid maken tussen wat rechtvaardig is en wat niet
Leidt tot kleuters die beschaamd zijn, zich minderwaardig voelen, negatief zelfbeeld ontwikkelen, …
Taak van de kleuteronderwijzeres: Kleuters kritisch leren denken over vooroordelen. De houding die we daarbij
aannemen is zeer belangrijk!
Thuis: Vaak opgroeien in homogeen milieu VS school: heterogeen milieu
GESPREKKEN OVER RACISME MET KINDEREN
Kijk in eigen boezem
Gebruik zoveel mogelijk de juiste termen
Sluit aan bij wat kinderen weten
Het is oké om je oncomfortabel te voelen bij het gesprek
Gebruik een boek als aanleiding voor het gesprek
Reageer rustig en doortastend op opmerkingen of vragen
Praten is niet genoeg, durf dingen in vraag te stellen.
VALKUILEN: KLEURENBLINDHEID EN TOERISME
KLEURENBLINDHEID
= De neiging die men heeft om verschillen te negeren of als onbelangrijk af te schilderen.
Gelijkheidsideaal
Ongemak
Etnocentrisme
HET GELIJKHEIDSIDEAAL
Het gelijk behandelen van kinderen betekent vaak dat de kinderen zich moeten aanpassen aan één norm en
dat is dan meestal de norm van de groep waartoe ook de kleuteronderwijzer hoort.
Camille De Roeck 2 EBAKO B