,Biologie: pag 21-39
6. functionele bouw van de mannelijke voortplantingsorganen
teelballen = testes:
● bestaan uit teelballobjes met zaadbuisjes
● wand zaadbuisjes: kiemcellen + cellen van Sertoli voor zaadcelvorming
● tussen zaadbuisjes: cellen van Leydig voor testosteronproductie
● pasgevormde zaadcellen (onbeweeglijk) naar bijballen via afvoergangetjes met
kliercellen (vocht) en trilhaarcellen → vloeistofstroom
bijballen:
● lange, gekronkelde buisjes: reservoir voor zaadcellen (rijpen + beweeglijk
worden) en afscheiding van zaadvloeistof
zaadleiders en zaadblaasjes:
● zaadleiders: gespierde wand → peristaltiek = transport spermatozoïden
● zaadblaasjes: klieren, afscheiding zaadvloeistof (bevat fructose = energiebron)
prostaat:
● klier, afvoerkanalen naar urinebuis voor afscheiding zaadvloeistof
klieren van Cowper:
● klieren monden uit in urinebuis + afscheiding van voorvocht (urinezuur
neutraliseren)
penis:
● urinebuis met sponsachtig weefsel en zwellichamen, erectie → copulatieorgaan
● eikel = intens prikkelbaar bij geslachtsgemeenschap
1 van 10
, 7. Spermatogenese of zaadcelvorming
begint in eerste weken na indifferente periode :
- ontstaan spermatogonia = diploïde kiemcellen ,
voorlopercellen van spermatozoïden in wand van
zaadbuisjes
- tussen spermatogonia liggen cellen van Sertoli :
door voedende en ondersteunende functie
onmisbaar voor spermatogenese
vanaf puberteit : vermenigvuldiging diploïde
spermatogonia door mitose
→ einde mitose :
- één dochtercel : meiose = spermatocyt (2n)
- één dochtercel : blijft achter als spermatogonie
→ man nooit zonder spermatogonia
→ einde meiose :
uit oorspronkelijke diploïde spermatocyt ontstaan vier
haploïde dochtercellen = spermatiden
spermatiden zijn nog niet klaar voor bevruchtingsfunctie
→ worden volwaardige spermatozoïden tijdens differentiatieproces
→ wijzigingen spermatide :
- golgi-apparaat vormt acrosomaal blaasje (ligt dicht tegen celkern)
→ blaasje bevat enzymen die nodig zijn voor binnendringen in eicel
- celkern wordt smaller → typische vorm van zaadcelkop
- één van de twee centriolen vormt lange microtubuli → ontstaan zweepstaart (flagel)
- mitochondriën migreren naar tussenstuk van zaadcel in mitochondriënkoker
→ leveren energie voor staartbewegingen
- overtollige cytoplasma : als restlichaampje afgesnoerd en door cellen van Sertoli
geresorbeerd → overblijfsel = rijp spermatozoïd
8. Hormonale regeling van de spermatogenese
hypothalamus secreteert GRF → hypofyse scheidt FSH en LH af
- LH → cellen van Leydig produceren testosteron
- FSH → cellen van Sertoli scheiden proteïnen af → binding van testosteron aan
spermatogonia → binding zet spermatogenese in gang
2 van 10
6. functionele bouw van de mannelijke voortplantingsorganen
teelballen = testes:
● bestaan uit teelballobjes met zaadbuisjes
● wand zaadbuisjes: kiemcellen + cellen van Sertoli voor zaadcelvorming
● tussen zaadbuisjes: cellen van Leydig voor testosteronproductie
● pasgevormde zaadcellen (onbeweeglijk) naar bijballen via afvoergangetjes met
kliercellen (vocht) en trilhaarcellen → vloeistofstroom
bijballen:
● lange, gekronkelde buisjes: reservoir voor zaadcellen (rijpen + beweeglijk
worden) en afscheiding van zaadvloeistof
zaadleiders en zaadblaasjes:
● zaadleiders: gespierde wand → peristaltiek = transport spermatozoïden
● zaadblaasjes: klieren, afscheiding zaadvloeistof (bevat fructose = energiebron)
prostaat:
● klier, afvoerkanalen naar urinebuis voor afscheiding zaadvloeistof
klieren van Cowper:
● klieren monden uit in urinebuis + afscheiding van voorvocht (urinezuur
neutraliseren)
penis:
● urinebuis met sponsachtig weefsel en zwellichamen, erectie → copulatieorgaan
● eikel = intens prikkelbaar bij geslachtsgemeenschap
1 van 10
, 7. Spermatogenese of zaadcelvorming
begint in eerste weken na indifferente periode :
- ontstaan spermatogonia = diploïde kiemcellen ,
voorlopercellen van spermatozoïden in wand van
zaadbuisjes
- tussen spermatogonia liggen cellen van Sertoli :
door voedende en ondersteunende functie
onmisbaar voor spermatogenese
vanaf puberteit : vermenigvuldiging diploïde
spermatogonia door mitose
→ einde mitose :
- één dochtercel : meiose = spermatocyt (2n)
- één dochtercel : blijft achter als spermatogonie
→ man nooit zonder spermatogonia
→ einde meiose :
uit oorspronkelijke diploïde spermatocyt ontstaan vier
haploïde dochtercellen = spermatiden
spermatiden zijn nog niet klaar voor bevruchtingsfunctie
→ worden volwaardige spermatozoïden tijdens differentiatieproces
→ wijzigingen spermatide :
- golgi-apparaat vormt acrosomaal blaasje (ligt dicht tegen celkern)
→ blaasje bevat enzymen die nodig zijn voor binnendringen in eicel
- celkern wordt smaller → typische vorm van zaadcelkop
- één van de twee centriolen vormt lange microtubuli → ontstaan zweepstaart (flagel)
- mitochondriën migreren naar tussenstuk van zaadcel in mitochondriënkoker
→ leveren energie voor staartbewegingen
- overtollige cytoplasma : als restlichaampje afgesnoerd en door cellen van Sertoli
geresorbeerd → overblijfsel = rijp spermatozoïd
8. Hormonale regeling van de spermatogenese
hypothalamus secreteert GRF → hypofyse scheidt FSH en LH af
- LH → cellen van Leydig produceren testosteron
- FSH → cellen van Sertoli scheiden proteïnen af → binding van testosteron aan
spermatogonia → binding zet spermatogenese in gang
2 van 10