Hoofdstuk 6: de kleutertijd
Lichamelijke en Motorische ontwikkeling
Lichamelijke ontwikkeling: lengte en gewicht
- Tussen 3&6 jaar: +20 cm en +8kg = op 6 jaar: 20 kg en 115 a 125 cm groot
- Verhouding hoofd lichaam wordt kleiner,
Maar: hersenmassa: 95% volwassene
Snelheid en informatieverwerking
Selectieve uitbouw neuronen: beheersing
Specifieke vaardigheden vlot beheersen /= alle hersengebieden (zie later: puberbrein)
Motorische ontwikkeling: zwaartepunt lichaam daalt
Van vet naar spiermassa + evenwicht + hersenen proportioneel kleiner
Motorische ontwikkeling: grove motoriek
Motorische ontwikkeling: fijne motoriek
, Ontwikkelingen in de waarnemingen en de cognitie
Waarneming en cognitief functioneren
Pré-operationeel denken= ‘het doorvoeren van logische operaties in gedachten is nog niet mogelijk’:
vb. als er 10 koeien zijn en er gaan er 4 dood, hoeveel zijn er nog?
1. Van PRE-CONCEPTEN naar CONCEPTEN
- voorwaarde: kunnen discrimineren (onderscheiden van dieren bv) en generaliseren
- = maken van afgelijnde categorieën
- waarbij grenzen van de categorieën steeds beter omschreven worden:
- hoe concreter, hoe makkelijker (koeien, paarden, poezen) (niet vier-potige dieren)
- samenhang met taalontwikkeling
PARALLELE CATEGORIEEN
= naast elkaar staande categorieën zonder hiërarchie (clustering)
Bv. Tulpen en rozen , maar nog niet ‘bloemen’ (=hiërarchische clustering)
2. INTUITIEVE DENKEN
= direct oordelen, op basis van wat kleuter waarneemt/ziet
MAAR: wat men ziet is maar een deel van de realiteit en dus maakt de kleuter denkfouten
Zie voorbeelden PPT
Bij kleuters is het ‘be-grijpen’ van de wereld nog sterk aangestuurd door het ‘be-kijken’ van de
wereld
Intuïtief denken
Intuïtieve denken
Egocentrisch denken: wereld ervaren vanuit eigen standpunt
Gecentreerd denken: focus op één aspect van de werkelijkheid
Statisch denken: enkel rekening houden met hoe er iets op dat moment uitziet
Onomkeerbaar denken: traject kunnen volgen, maar niet in staat tot omgekeerd traject
3. Fantasie
‘waarom’-vragen: kind is kleine wetenschapper
Waartoe (‘om te’) i.p.v. omdat (‘vanuit’)
Ontbrekende schakels/kennis ingevuld door fantasie
Lichamelijke en Motorische ontwikkeling
Lichamelijke ontwikkeling: lengte en gewicht
- Tussen 3&6 jaar: +20 cm en +8kg = op 6 jaar: 20 kg en 115 a 125 cm groot
- Verhouding hoofd lichaam wordt kleiner,
Maar: hersenmassa: 95% volwassene
Snelheid en informatieverwerking
Selectieve uitbouw neuronen: beheersing
Specifieke vaardigheden vlot beheersen /= alle hersengebieden (zie later: puberbrein)
Motorische ontwikkeling: zwaartepunt lichaam daalt
Van vet naar spiermassa + evenwicht + hersenen proportioneel kleiner
Motorische ontwikkeling: grove motoriek
Motorische ontwikkeling: fijne motoriek
, Ontwikkelingen in de waarnemingen en de cognitie
Waarneming en cognitief functioneren
Pré-operationeel denken= ‘het doorvoeren van logische operaties in gedachten is nog niet mogelijk’:
vb. als er 10 koeien zijn en er gaan er 4 dood, hoeveel zijn er nog?
1. Van PRE-CONCEPTEN naar CONCEPTEN
- voorwaarde: kunnen discrimineren (onderscheiden van dieren bv) en generaliseren
- = maken van afgelijnde categorieën
- waarbij grenzen van de categorieën steeds beter omschreven worden:
- hoe concreter, hoe makkelijker (koeien, paarden, poezen) (niet vier-potige dieren)
- samenhang met taalontwikkeling
PARALLELE CATEGORIEEN
= naast elkaar staande categorieën zonder hiërarchie (clustering)
Bv. Tulpen en rozen , maar nog niet ‘bloemen’ (=hiërarchische clustering)
2. INTUITIEVE DENKEN
= direct oordelen, op basis van wat kleuter waarneemt/ziet
MAAR: wat men ziet is maar een deel van de realiteit en dus maakt de kleuter denkfouten
Zie voorbeelden PPT
Bij kleuters is het ‘be-grijpen’ van de wereld nog sterk aangestuurd door het ‘be-kijken’ van de
wereld
Intuïtief denken
Intuïtieve denken
Egocentrisch denken: wereld ervaren vanuit eigen standpunt
Gecentreerd denken: focus op één aspect van de werkelijkheid
Statisch denken: enkel rekening houden met hoe er iets op dat moment uitziet
Onomkeerbaar denken: traject kunnen volgen, maar niet in staat tot omgekeerd traject
3. Fantasie
‘waarom’-vragen: kind is kleine wetenschapper
Waartoe (‘om te’) i.p.v. omdat (‘vanuit’)
Ontbrekende schakels/kennis ingevuld door fantasie