Hoofdstuk 2: twee fundamentele
ontwikkelingstheorieën
De psychosociale identiteitstheorie van Erikson
Psycho – sociale identiteit
Is het ervaren van een innerlijke eenheid (psychisch identiteit) en harmonie tussen eigen persoon en
de sociale omgeving (sociale identiteit)
Kernbegrippen uit psychosociale identiteitstheorie
Het ik is het bewust observerende deel van de persoon
Bewuste waarnemen, denken en handelen
Ik zie…, ik zou willen…, ik verwacht…
Het Zelf: ‘geheel/voorwerp van mijn ervaringen’
Hoe ik mezelf waarneem, voel, tot daden aanzet of probeer te presenteren aan anderen (ik
doe me zelfverzekerder voor dan ik ben)
Ego: zorgt voor balans tussen ik en zelf
Zowel binnen het zelf als tussen het zelf en de sociale omgeving kunnen er geregeld
tegenstellingen en conflicten ontstaan, en dan is het de taak van het Ego om die tot een
oplossing te brengen en de harmonie te herstellen.
Erkin H. Erikson
, Erikson noemt de ontwikkeling: Epigenetisch
= hier wordt mee bedoeld dat het leven zich ontvouwt volgens een vast, erfelijke geprogrammeerd
basisschema. De opeenvolging van de gebeurtenissen beantwoordt volgens hem aan ingeboren
wetmatigheden die de ontwikkelingsgang een universele geldigheid meegeven. De fasen volgen
elkaar op in een vast volgorde en met een vast ritme.
Psychosociale crisis:
- Bestaande identiteit voldoet niet meer aan nieuwe biologische en sociale realiteit, je
voelt je niet meer passen in je eigen vel.
Kernconflict:
- Per levensfase en spanningsveld tussen twee tegengestelde houdingen
Gevoelige periode: ‘de tijd is rijp’ – ‘de tijd zou rijp moeten zijn’
- Elke levensfase moet zijn eigen kernconflict oplossen
= relatie tot zz/ sociale rollen op de helling
= kans tot groei
= vasthouden aan het gekende (blijven steken)
= loslaten en durven gaan voor het nieuwe
De cognitieve ontwikkelingstheorie van Piaget
ontwikkelingstheorieën
De psychosociale identiteitstheorie van Erikson
Psycho – sociale identiteit
Is het ervaren van een innerlijke eenheid (psychisch identiteit) en harmonie tussen eigen persoon en
de sociale omgeving (sociale identiteit)
Kernbegrippen uit psychosociale identiteitstheorie
Het ik is het bewust observerende deel van de persoon
Bewuste waarnemen, denken en handelen
Ik zie…, ik zou willen…, ik verwacht…
Het Zelf: ‘geheel/voorwerp van mijn ervaringen’
Hoe ik mezelf waarneem, voel, tot daden aanzet of probeer te presenteren aan anderen (ik
doe me zelfverzekerder voor dan ik ben)
Ego: zorgt voor balans tussen ik en zelf
Zowel binnen het zelf als tussen het zelf en de sociale omgeving kunnen er geregeld
tegenstellingen en conflicten ontstaan, en dan is het de taak van het Ego om die tot een
oplossing te brengen en de harmonie te herstellen.
Erkin H. Erikson
, Erikson noemt de ontwikkeling: Epigenetisch
= hier wordt mee bedoeld dat het leven zich ontvouwt volgens een vast, erfelijke geprogrammeerd
basisschema. De opeenvolging van de gebeurtenissen beantwoordt volgens hem aan ingeboren
wetmatigheden die de ontwikkelingsgang een universele geldigheid meegeven. De fasen volgen
elkaar op in een vast volgorde en met een vast ritme.
Psychosociale crisis:
- Bestaande identiteit voldoet niet meer aan nieuwe biologische en sociale realiteit, je
voelt je niet meer passen in je eigen vel.
Kernconflict:
- Per levensfase en spanningsveld tussen twee tegengestelde houdingen
Gevoelige periode: ‘de tijd is rijp’ – ‘de tijd zou rijp moeten zijn’
- Elke levensfase moet zijn eigen kernconflict oplossen
= relatie tot zz/ sociale rollen op de helling
= kans tot groei
= vasthouden aan het gekende (blijven steken)
= loslaten en durven gaan voor het nieuwe
De cognitieve ontwikkelingstheorie van Piaget