Oefening 1. We dienen de RCF te berekenen van een centrifuge met een maximale snelheid ω van
5233 rps op een partikel dat zich op 47 mm (77 mm; 107 mm) van het rotatiecentrum bevindt.
(±131 500 g)
Oefening 2. Er zijn twee centrifuges. De eerste centrifuge heeft een max ω = 2616 rps en een rotor
met een max r = 95 mm. De tweede centrifuge kan krachtiger draaien met max ω = 6280 rps, maar
er zit een kleinere rotor in met een max r = 62 mm. Welke centrifuge presteert het best? (centrifuge
1 = 66 272g ; centrifuge 2 = 249 253 g)
Oefening 3. Er is een centrifuge met een swinging bucket (SW27) rotor (dus 27 000 rpm). De
maximale r = 16,1 cm. De afmeting van de rotor tot de meniscus is 7,5 cm. Hoe lang moeten we
centrifugeren om een partikel van 2S te kunnen pelleteren? (32h)
CHROMATOGRAFIE
Oefening 1. We lossen stof s op in buffer A aan een concentratie van 12 µg/ml. Van deze oplossing
nemen we 500 µl en we voegen het toe aan een overmaat matrixkorrels. Na incubatie wordt er
gecentrifugeerd zodat de korrels naar de bodem zakken. De concentratie van stof s in het
supernatans bedraagt nu 10 µg/ml.
We voeren dezelfde stappen uit maar nu in buffer B. De concentratie van stof s in het supernatans is
gelijk aan 12 µg/ml.
Stof s wordt vervolgens gelopen over een kolom gevuld met dezelfde matrix als in stap 1 en 2. Het
solvent (de mobiele fase) dat gebruikt wordt is buffer B. Hierbij zien we dat de stof na 14 minuten
elueert van de kolom met een lengte van 20 cm.
1) Bepaal de tijd die deze stof in de stationaire fase doorbrengt wanneer ze wordt gelopen over
de zelfde kolom, maar met buffer A. (16,8 min)
2) Wat is de vertragingscoëfficiënt R wanneer de stof gelopen wordt met buffer A? (0,83)
3) Wat is het elutievolume wanneer deze stof s in buffer A wordt gelopen met een debiet van
100 µl/min. (280 µl)
Oefening 2. We bezitten een kolom met een lengte van 15 cm. Een stof elueert van de kolom na 10
minuten. De piekbreedte bedraagt 40 seconden. Wat is het aantal theoretische platen? Wat is de
theoretische plaat hoogte van deze kolom onder deze omstandigheden? (3600 ; 41,67 µm)
Oefening 3. We voeren een experiment uit waarbij stof A en stof B worden toegevoegd aan een
overmaat van korrels. Na incubatie gedurende 1 uur bij kamertemperatuur centrifugeren we de
oplossing zodat de korrels en het supernatans van elkaar worden gescheiden. Na analyse blijkt dat
we voor stof A 2µg stof terug vinden in het supernatans en 300 ng op de korrels, voor stof B is dat
respectievelijk 170 ng en 30 ng. Hoeveel theoretische platen zijn nodig om stof A en B van elkaar te
kunnen scheiden? (28 803)
Oefening 4. Uit oefening 3 weten we wat het aantal theoretische platen is om stof A en B van elkaar
te kunnen scheiden. Kunnen we deze stoffen ook van elkaar scheiden indien we een kolom gebruiken
die 15 cm lang is, de retentietijd 10 minuten bedraagt en we een piekbreedte W verkrijgen van 20
seconden? Zo neen, hoe lang moet de kolom dat wel zijn? (neen, 30 cm)