HOORCOLLEGES, AANGEVULD MET STOF VAN DE HOOFDSTUKKEN IN HET
BOEK VAN MORTELMANS (HANDBOEK KWALITATIEVE
ONDERZOEKSMETHODEN)
HC 1 - Inleiding, onderzoeksvraag, reflexiviteit (H1, H3 en H4 (niet 4.8))..........................2
HC 2 – Ethiek en de kwalitatieve steekproef (H5 en H6 (niet 6.5, 6.6 en 6.7))..................10
HC 3- Interviews en focusgroepen (H7, H8, H9).............................................................15
HC 4 – Observatie, Participatie, Documenten en Mixed Methods (H10, H11 en H12)........26
HC 5 – Kwalitatieve data-analyse (H13 en H14)..............................................................34
HC 6 – De kwaliteit van kwalitatief onderzoek (H15)......................................................44
,HC 1 - Inleiding, onderzoeksvraag, reflexiviteit (H1, H3 en H4 (niet 4.8))
- Kwantitatief onderzoek: nummers, test scores en meetinstrumenten, grote steekproef
genormaliseerde test. generaliseren.
- Kwalitatief onderzoek: kleine groep, interview, specifiek voor een bepaalde situaties /
factors.
Kwalitatief Kwantitatief
Proces Meetbare variabelen
Perspectief onderzochte; je houdt het heel Perspectief onderzoeker; alleen de
open. antwoordmogelijkheden die bedacht zijn
door onderzoeker.
Micro-level; kleine n Macro-level; grote n
Theoretische generalisatie Statistische generalisatie
Circulaire processen; exploreren Lineaire processen; stappen staan meer
vast
Evenly suspended attention; je nog niet Hypothesen; verwachting
vast willen binden op een uitkomst, open
blijven voor alle mogelijkheden (open blik!).
Vaker van data naar theorie Vaker van theorie naar data
Inhoudelijke sampling (relevantie) Statistische sampling (representativiteit)
(vaak) interpretivisme; er is niet een (vaak) positivisme; een bepaalde
waarheid, maar verschillende waarheid waar je achter wil komen.
perspectieven.
Dit is heel zwart-wit, maar er zijn veel tinten grijs; staat niet recht tegenover elkaar.
Overige belangrijke definities uit het boek (H1):
- Observeren: kwalitatieve techniek waarbij de onderzoeker gedurende langere tijd
aanwezig is in de sociale omgeving die hij wil bestuderen. wordt weergegeven in
citaten.
- Diepte-interviews: langdurig en diepgaand interview over leven respondent, in
- zoverre het betrekking heeft op hoofdonderwerp. (geanonimiseerde) fragmenten.
- Case study: combineren van meerdere onderzoeksmethoden bij een specifieke case.
Tweedeling: positivisme vs. interpretivisme (H3)
- Positivisme (Comte); schema van variabelen en relaties tussen deze variabelen als
basiskenmerk van onderzoek. er is dus een specifieke waarheid. Was lange tijd de
dominante wetenschapsopvatting, maar veel kritiek op, dus wordt niet meer behandeld.
- Interpretivisme (Dilthey / Weber): algemene wetten in de sociale wetenschappen zijn
onmogelijk.
Verstehen: menselijk gedrag niet alleen van buitenaf meet, maar probeert te
begrijpen vanuit het perspectief van de handelende persoon zelf.
- Internaliseren van stimulus: wat doet die voor het individu?
- Internaliseren van respons: wat is het motief van het individu?
- Identificeren van gedragsregels: verbinding stimulus + respons logische
connectie identificeren.
Paradigma’s (H3):
1. (Post-)positivisme:
, Positivisme: er is maar één waarheid. hier achter komen door hypothesen te
testen. niet meer zo relevante opvatting in wetenschap.
Post-positivisme: de waarheid kunnen wij nooit volledig weten, omdat de mens
imperfect is en het ongrijpbaar is. nadruk komt te liggen op falsificeren van
hypothesen.
2. Constructivisme: er bestaat niet één realiteit, maar heel veel verschillende
perspectieven.
Symbolisch interactionisme: menselijk handelen gaat samen met processen
van zelf-interactie. stimuli uit omgeving sturen gedrag en andersom. 8
principes:
1. Onderzoeker vertrekt van het gedrag dat mensen stellen om van daaruit
naar het betekenisgevingsproces te gaan.
2. Onderzoeker onderzoekt gedrag vanuit perspectief van respondenten en
kijkt naar wijzigende betekenissen in diens self / wijzigingen in statussen
van diens self.
3. Onderzoeker verbindt symbolen en betekenissen van respondenten aan de
sociale groepen en interacties die deze betekenissen aanleveren.
4. Onderzoeker houdt rekening in zijn onderzoek met situationele aspecten
van menselijk gedrag (de context).
5. Onderzoeker houdt rekening met stabiliteit en verandering in het sociale
leven.
6. Hoewel operationalisering van concepten kan vorkomen, prefereert de
onderzoeker sensitizing concepts.
7. Onderzoeker gebruikt meerdere observatietechnieken in zijn onderzoek.
8. Einddoel moet een formele theorie zijn die zo universeel mogelijk geldig is.
Fenomenologie / sociaal constructivisme: individuen produceren wereld
waarin ze leven (subjectivisme). alles wat als vanzelfsprekend gezien wordt
‘tussen haken zetten’.
- Analyseren: hoe ervaren individuen de dagelijkse leefomgeving en hoe
wordt deze dus geconstrueerd? interpretatie van de wereld staat dus niet
vast.
Ethnomethodologie: dagelijks leven (die voor iedereen vanzelfsprekend is)
bevragen.
- Doel: hoe beschrijven mensen hun dagelijks leven? + bevragen hoe ze
rekening houden met het bestaan van al deze regels.
- Verwantschap met fenomenologie is groot.
- Ethnomethodologie ≠ methodologie; empirisch georiënteerde theoretische
benadering.
- Ethnomethodologie ≠ etnografie.
- Conversatieanalyse:
1. In dagelijkse conversaties van mensen komen structurele kenmerken
terug die losstaan van de psychologische kenmerken van het individu.
2. Elke conversatie is contextgebonden.
3. Kenmerk 1 en 2 karakteriseren alle sociale interacties.
3. Kritische theorie: verschillende theorieën en stromingen die hieronder vallen.
- Alle gedachten zijn bepaald door machtsrelaties die zelf door historische en sociale
processen tot stand zijn gekomen.
- Feiten kunnen nooit gescheiden worden van waarden / ideologische bepaaldheid.
- Relatie tussen object en concept is nooit vaststaand en is steeds bepaald door de sociale
relaties in de kapitalistische productie- en consumptiemodus.
- Taal is essentieel in de vormgeving van het bewuste en onbewuste.
- Sommige groepen in de samenleving zijn geprivilegieerd ten nadele van andere groepen.
, - Deze onderdrukking wordt het sterkst gereproduceerd wanneer onderdrukten de situatie
als normaal gaan zien.
- Die onderdrukking heeft vele gezichten en als de onderzoeker zich concentreert op één
vorm, verwaarloost hij waarschijnlijk de koppelingen tussen de verschillende vormen.
- Het mainstreamonderzoek schakelt zich doorgaans in de voortzetting van de
onderdrukking op het gebied van klasse, ras en gender.
Feministische benaderingen: vrouwen als onderdrukte groep, willen sociale
verandering.
Poststructuralisme: leunt sterker aan bij taalwetenschap. onderzoeker als
auteur die eigen versie van de werkelijkheid schrijft.
- Deconstructie: op zoek naar inconsistenties in tekst. bewijs dat er geen
ultieme waarheid is.
Postmodernisme: leunt op sociale wetenschappen. er is geen absolute
waarheid; moet niet veel hebben van methodologie; Anything Goes.
- Foucault: kijken naar stabiliteit van gebruiken en relaties.
1. Gebruiken van een hoe-vraag i.p.v. waarom-vraag;
2. Kijken naar de meest geschikte archieven om het onderzoek uit te
voeren;
3. De methode heeft een voorkeur voor programmatische teksten (leggen
uit hoe men een bepaald probleem moet bekijken).
4. Onderzoek blijft doorgraven in geschiedenis tot men botst op een relatief
begin van een bepaald fenomeen.
Op kunst gebaseerd onderzoek / arts based research: zie tabel hieronder.
Onderzoek over kunst Kunst als onderzoek Kunst in onderzoek
Aard Kwantitatief en Artistiek onderzoek Kwalitatief onderzoek
kwalitatief onderzoek
Kunstenaar / Onderzoeker Kunstenaar Onderzoeker
onderzoeker
Rol van kunst Inhoudelijk domein Manier van onderzoeken Methodologie / doel op
zich
Relatie tussen kunst Kwantitatief of kwalitatief Onderzoeksmethoden Artistieke vormen
en onderzoek onderzoek over ondersteunen het ondersteunen kwalitatief
kunstthema’s kunstonderzoek onderzoek
Perspectief Outsider Insider Insider
onderzoeker /
kunstenaar
4. Participatief paradigma: er is een bepaalde realiteit, maar deze krijgt vorm in co-
creatie met de menselijke geest. vier soorten kennis opdoen:
Ervaringskennis: opdoen door directe waarneming van omgeving.
Presentatiekennis: komt voort uit ervaringskennis; onze weerklanken van
ervaringen die we kunnen verwerken in objecten of kunstvormen.
Propositionele kennis: kennis die vertaald wordt in conceptuele termen.
uitgedrukt in concepten en theorieën.
Praktische kennis: hoe moeten we iets doen / gedaan krijgen. skills en
competenties.
doel: optimaliseren menselijke conditie.