• Mauvais document ? Échangez-le gratuitement
  • Rédigé par des étudiants ayant réussi
  • Disponible immédiatement après paiement
  • Lire en ligne ou en PDF
Vendre
Où étudie-tu ?
La langue
Document preview thumbnail
Aperçu 4 sur 48 pages
Resume

Plantkunde Samenvatting aan de hand van Uitgewerkte Examenvragen + begrippenlijst | Bio Ingenieurswetenschappen | UA |

Document preview thumbnail
Aperçu 4 sur 48 pages

Uitgewerkte examenvragen en een begrippenlijst voor het vak Plantkunde aan de Universiteit Antwerpen, gericht op Bio-Ingenieurswetenschappen. De vragen behandelen kernonderwerpen zoals parasieten en hemiparasieten, aerenchym, houtanatomie, mycorrhizae, korstmossen, levenscycli van wieren en varens, epifyten, en plantaardige ecosysteemdiensten. Dit document is essentieel voor examenvoorbereiding, aangezien het alle belangrijke examenstof samenvat met aandacht voor de specifieke examenstructuur en begrippenlijsten.

Aperçu du contenu

Plantkunde examenvragen
Algemeen
- 1/3 punten practicum, 2/3 theorie. Beide moeten er door zijn om geslaagd te zijn. Wel
vrijstelling indien maar 1 er door
- Begrippenlijst op 4/20 punten: 11-tal termen gegeven, bondig verklaren en vb. (of synoniem
indien mogelijk) indien gevraagd, juist = juist, fout = fout
- Economisch belangrijke families: [wet. familienaam | Ned. Familienaam | vertegenwoordiger
(1 is voldoende)]
- Nooit een vraag over protisten (misschien wel in begrippenlijst)
- Vooral over planten, ook paar over wieren en fungi



Vragen theorie
 Wat zijn parasieten, hemiparasieten? Waarin verschillen ze, en gelijken ze op elkaar? Geef
een voorbeeld van elk. Wat zijn haustoria? Wat weten we in verband met haustoria met
parasieten en hemiparasieten? Wat is een epifyt? Zijn epifyten parasieten, hemiparasieten of
geen van beiden? Bij welke organismen treffen we nog een structuur aan die haustoria
genoemd worden? Geef een voorbeeld van dit organisme. Wat is daar de rol van de
haustoria?

 Wat is aerenchym? Waar treffen we het aan en wat is de functie? Geef enkele soorten waar
we aerenchym terugvinden.

 Leg het verband uit met ringporig en diffuussporig hout. Wat is het effect van ringen op de
beide soorten en geef ook een voorbeeld van beide soorten (uit de angiospermen).

 Bevatten (alle) wortels chloroplasten? Zo ja, geef hun functie, zo nee, waarom niet?

 Wat zijn korstmossen? Hoe is hun structuur (en benoem)? Hoe planten ze zich voort? Welke
organismen maken frequent deel uit van de korstmosstructuur? Wat is de rol van
verschillende partners? Wat zijn de verschillende groeivormen?

 1. Lenticellen (wat, wie, functie, op welke delen van plant...)!!!

 2. Apoplastisch transport VS symplastisch transport (wat, actief/passief, welke vereist
meeste energie), lijsten van Caspari uitleggen

 Classificatie fungi (+vb) (zie mentorbundel classificaties)

 -> Waar zijn mycorrhizae ingedeeld (=wat) en geef onderverdeling

 Met welk organisme gaan mycorrhizae een relatie aan en hoe kan je deze relatie het beste
omschrijven?

 Mycorrhizae? 2 soorten? Wat voor associatie? Economisch belang? Wat is het verband
tussen mycorrhizae en de klassieke landbouw?

, Beschrijf levenscyclus wier (tekening gegeven)

 Korstmossen (=wat, structuur (verschillende lagen opnoemen en uitleggen), waarom goede
indicatoren + voor wat)!!!

 Osmoforen en nactariën (Wat, waarom en waar?). Welke komen het minst voor en waarom?

 Een orchidee groeit in een natuurgebied, 3km verderop zijn er al 5 jaar geen meer gezien.
Hoe kan men dit oplossen, kan men orchideeën van binnen het natuurgebied uit de grond
scheppen en ze dan terug planten 3km verderop, is het mogelijk dat er nog zaden in de grond
zitten die kunnen beginnen kiemen, kan het ook op een natuurlijke manier gebeuren?

 Bespreek de levenscyclus van de bruinwieren (met volgende kernwoorden: thallus,
levenscyclus, …)

 Algemene cyclus van de vaatplanten tekenen. Haploïde, diploïde fase aanduiden. Bespreken
in welke mate de afhankelijkheid van water is veranderd bij de mossen, varens,
gymnospermen en angiospermen (in volgorde van evolutie)

 stomata + aanpassing aan atmosfeer met hoge CO2 concentratie


 ringen van een boom (wat, gevolg voor boom bij de 2 houtsoorten)

 levenscyclus laminaria!!!

 Geef de levenscyclus van varens

 leg uit wat een ecosysteemdienst is en geef 2 plantaardige voorbeelden.

 Wat is hout? Waarin verschilt het hout van gymnospermen (onderling)? Kan je
dendrochronologie gebruiken voor alle bomen?

 Je hebt verschillende types cuticula. hun reactie op invallende druppels is anders. welke twee
meest voorkomende types heb je? maak een schets, leg uit eventueel aan 2 termen (=
HYDROFIEL/HYDROFOOB)

 vegetatieve vermenigvuldiging 4 types

 Wat zijn epifyten? zijn het parasieten of hemiparasieten of geen van beide? zijn ze eerder
xerofyt of eerder mesofyt en waarom? zijn mossen epifyten? en korstmossen?

 geef 3 manieren van bevruchting, welke treffen we vaak aan in de (sub)tropen en minder of
bijna nooit in onze gematigde streken

 Geef de twee soorten mycorrhizae, leg kort uit. Met welke soort planten gaan ze in
symbiose?

 Waarom kan gras nog lengtegroei vertonen als het afgemaaid wordt? Is dit een vorm van
primaire of secundaire groei?
 Geef 2 grote houtanatomische strategieën. Bij welke strategie is het “ringen” van het boom
het meest effectief? Welke soort is het meest ecologisch interessant? Welke wordt het

, meest beïnvloed bij hitte/droogte

 Wat komt er allemaal uit proplastiden en geef voorbeelden, kunnen ze in elkaar overgaan zo
ja, geef voorbeeld

 Men wilt terug orchideeën plaatsen zoals 15j geleden. Want is het beste en waarom? 1) De
grond wat veranderen en de zaden die erin zitten zullen wel kiemen of 2) een orchidee uit de
grond halen en die daar plaatsen. (Orchideeën moeten altijd met fungi groeien)




Practicum
Er worden 30-tal dia’s getoond, meestal iets aangeduid en zeggen wat het is
Algemene vragen:
 Tot welk deel van de plant behoort kaneel
 Bloemformules
 Dicotyl/monocotyl
 Stengel/wortel




Begrippen
- Negatief fototroop
- Negatief geotroop
- Schijnvrucht
- Diatomee
- Callus
- Fagotroof
- Epicalyx
- Dioecie
- Bladvenster
- Cleistothecium
- Petiool
- Synergide
- Strobuli
- Epigeimische kieming
- Hypogeïsche kieming
- Kalyptra
- Epifyt
- Red tides

, Vragen Plantkunde

1ste Bachelor Bio-ingenieurswetenschappen

Academiejaar 2013-2014

Roeland Samson



Weefselleer

-Leg uit hoe herbariumplanten (planten worden op speciaal papier vastgehecht) kunnen gebruikt worden om
een idee te krijgen van de historische evolutie van de atmosferische CO2-concentratie.
Hoe hoger de CO2-concentratie in de lucht is, hoe minder stomata een plant aanmaakt.
Door het tellen van het aantal huidmondjes op de exemplaren van dezelfde soort maar die geplukt
zijn op andere momenten kan men een beeld krijgen van de evolutie van de atmosferische CO2-
concentratie.

-wat is het verschil tussen een dierlijke cel en een plantaardige cel :

Dierlijke cel:
-Geen celwand
-WEL cytoskelet
-Geen plastiden (In de chloroplasten geven de groene kleur aan de plant)
-Geen vacuole

Plantaardige cel:
-Celwanden opgebouwd uit cellulose
-Cytoskelet in het vloeibaar cytoplasma
-Plastiden, voornamelijk chloroplasten
-Grote centrale vacuole

-waarom groeien plantencellen sneller dan dierlijke cellen
Dierencellen groeien voornamelijk door de synthese van eiwitrijk cytoplasma, dat is een metabolisch
en kostelijk proces. De groei van plantencellen is voor het grootste deel het gevolg van
volumetoename door opname van water, dat is een vlug proces dat niet veel energie vraagt.

-hoe gebeurt de communicatie/uitwisseling van stoffen tussen plantencellen
Door middel van stippels; kleine, ronde of ovale opening in de secundaire wand. De stippels van
aanliggende cellen zijn tegenover elkaar gelegen. Een stippel is een verdunning in de celwand van
een plantencel waardoor de uitwisseling van stoffen tussen cellen gemakkelijker kan plaatsvinden.
Het transport vindt plaats door de verdunde celwand heen. Stippels zijn belangrijk voor het transport
van water en andere stoffen. Er zijn 2 soorten stippels: Eenvoudige stippels en hofstippels

Plasmodesma is een open kanaaltje in een plantencelwand, die het cytosol van twee aanliggende
cellen verbindt. De kanaaltjes spelen een rol bij de verspreiding van voedingsstoffen en worden door
de plant gebruikt voor intercellulaire communicatie. Bij het ouder worden van de bladeren ontstaan,
op het moment dat het blad meer voedingsstoffen aanmaakt dan het verbruikt, vertakte kanaaltjes.

Infos sur le Document

Publié le
20 octobre 2026
Nombre de pages
48
Écrit en
2023/2024
Type
Resume
€6,99

Mauvais document ? Échangez-le gratuitement Dans les 14 jours suivant votre achat et avant le téléchargement, vous pouvez choisir un autre document. Vous pouvez simplement dépenser le montant à nouveau.
Rédigé par des étudiants ayant réussi
Disponible immédiatement après paiement
Lire en ligne ou en PDF

Vendu
0
Abonnés
0
Éléments
11
Dernière vente
-



Pourquoi les étudiants choisissent Stuvia

Créé par d'autres étudiants, vérifié par les avis

Une qualité sur laquelle compter : rédigé par des étudiants qui ont réussi et évalué par d'autres qui ont utilisé ce document.

Le document ne convient pas ? Choisis un autre document

Aucun souci ! Tu peux sélectionner directement un autre document qui correspond mieux à ce que tu cherches.

Paye comme tu veux, apprends aussitôt

Aucun abonnement, aucun engagement. Paye selon tes habitudes par carte de crédit et télécharge ton document PDF instantanément.

Student with book image

“Acheté, téléchargé et réussi. C'est aussi simple que ça.”

Alisha Student

Foire aux questions