βN W β N ↑ Nfhβhh 9.nnhW N
Rhf . hβW.1
DEEL 1: INLEIDING: DE PLANTENWERELD ALS BRON VAN GM
Geschiedenis: zie pwp
- Mesopotamië 3000vC: sumeriërs en akkadiërs
- Egypte 1550 vC: Ebers Papyrus
- Griekenland 400vC: hippocrates
Dioscorides: materia medica
- Europa 1554: Rembert Dodoens
- EU begin 19de E: botanische chemische
Farmacognosie: de studie v natuurproducten gebruikt als GM, vr de productie v geneesmiddelen en vr het onderzoek
nr nieuwe geneesmiddelen
Natuurproduct:
o Volledig/deel/verwerkt organisme
o Extracten of andere bereidingen
o Zuivere producten
Fytochemie = de chemie v plantenstoffen, hun biosynthese en metabolisatie
Fytotherapie = het gebruik v plantenpreparaten omwille v hun geneeskundigekrachtige werking.
+ bekijkt het werkings(mechanisme), nevenwerkingen en toxiciteit
Soorten geneesmiddelen:
1. Synthetische geneesmiddelen = medicinale chemie
2. Producten v microbiele oorsprong: antibiotica (Alexander fleming, Penicilline)
3. Biologicals (bv. Hormonen)
o Proteïnen
o Substitutietherapie
4. Natuurproducten: zuivere natuurproducten, plantaardige preparaten/fytotherapeutica
Etnofarmacologie = de studie vd GM geburikt id volksgeneeskunde of traditionele gnk
TCM: traditional chinese medicine
Ayurveda: traditionele gnk vh indiase subcontinent
Unani: perzisch-arabische traditionele gnk
Drogerij = ruw plantaardig materiaal (gedroogd)
- Als zodanig te gebruiken
- Als uitgangspunt vr een bereiding
- Om zuivere producten te isoleren
Kwaliteitscontrole? De europese Farmacopee beschrijft de kwaliteitscriteria
o Monografieen
o Zowel vr plantenmaterialen als voor zuivere (al dan niet synthetische) GM
Monografie = oorsprong, plantendeel, belangrijkste vereiste inhoudsstoffen
Eigenschappen: organoleptisch: kleur, geur, smaak
Identificatie: macroscopisch/microscopisch/kleurreacties/ dunne laag chromatografie
Chromatografie = chemische scheidingstechniek: fractioneren v mengsels v producten obv verschillende
polariteit
Stationaire fase
Mobiele fase
,Extractie = inhoudsstoffen extraheren met een solvent (water of organisch)
Maceratie (verhit) = plantenmateriaal laten trekken in solvent
Percolatie (Tk) = solvent dh plantenlateriaal laten (~bereiden v koffie)
Infusie = kokend water op plantenmateriaal gieten (~theezetten)
Decoctie = plantenmateriaal opkoken met water (afkooksel)
Concentratie = solvent verwijderen (verdampen) onder verminderde druk (Rotavapor)
Wanneer het extract te weinig geconcentreer is
Drug extract ratio (DER) = de verhouding tussen de hoeveelheid plantaardig materiaal die wordt gebruikt bij de
vervaardiging van een plantaardige bereiding en de hoeveelheid van de verkregen plantaardige bereiding. Het getal
(weergegeven als de feitelijke bandbreedte) vóór de dubbele punt is de relatieve hoeveelheid van het plantaardig
materiaal; het getal na de dubbele punt is de relatieve hoeveelheid van de verkregen plantaardige bereiding.
Bijvoorbeeld: 100g (gedroogd) plantenmateriaal geeft 20g droog extract
DER= 5:1 (aanconcentreren)
100g (gedroogd) plantenmateriaal w gebruikt om 1000g tinctuur te maken
DER: 1:10 (verdunnen)
Primaire en secundaire metabolieten: verantwoordelijk vr meeste geneeskrachtige eigenschappen
Primaire metabolieten: de basis vh leven in alle organismen, essentieel vr het in stand houden vh org
Ze maken het vwp uit vd biochemie
o Suikers
o Eiwitten
o Vetten
o Nucleïnezuren
Secundaire metabolieten: niet essentieel vr het in stand houden vh organisme, typisch vr planten en micro-
organismen (schimmels en bacteriën)
o Polyketiden
o Polyfenolen, flavonoïden
o Alkaloïden
o Terpenen
DEEL 2: ONTSTAAN VAN HET LEVEN OP AARDE
t n n n n
4,6: vorming aarde: botsingen en samenklitten v brokstukken
4,2: stabiele hydrosfeer (hydrosfeer = het geheel v water op, onder en boven het opp vd planeet)
4,2-4,0: prebiotische chemie
4,0: pre-RNA wereld
3,8: RNA-wereld
3,6: eerste organismen
3,6-nu: laatste universel gemeenschappelijke voorganger
Abiogenese = het ontstaan van het leven uit niet-levende materie
Leven: 8 belangrijke kenmerken
o Cellulaire opbouw (tenminste eencellig) Virussen z geen leven
o Stofwisseling
o Groei
o Reactie op prikkels
o Reproductie (onafh v gastheer!) Virussen z geen leven
o Homeostase
o Mutaties en reproductie v deze mutaties
o Een uit- of inwendige beweging
, Leven
= open systeem, dat in staat os zijn inwendige entropie te verminderen dr genbruik te maken v vrije E of v stoffen uit
de omgeving
= systeem dat E kan opnemen uit de omgeving, deze E kan gebruiken om zz te reproduceren, en dat kan evolueren
= systeem dat reageert op interne of externe veranderingen, waardoor het kan blijven voorbestaan
= organisatie v materie, leidend tot entiteiten v diverse complexiteit. Deze zijn in staat zz te reproduceren dr gebruik te
maken v materie en E uit de omgeving. + kunnen ze voortbestaan in een veranderende omgevig via diverse vormen v
adaptatie
Pre-RNA wereld
= eenvoudige polynucleotiden
- TNA en PNA kunnnen complementaire TNA/PNA-ketens aan DNA en RNA strengen binden
- Spontane replicatie
- Ribose in prebiotische omstandigheden weinig stabiel: andere suikers of ribose derivaten
- Voorlopermolecule v RNA
Pre-RNA wereld RNA-wereld
RNA ketens kunnen lussen vormen
RNA kan de vorming v peptiden katalyseren ( ribosomen)
Protocellen “
Compartimentalisering: vorming membranen en complexiteit neemt toe
Endosymbiose
Prokaryoten: cellen zonder celkern
Eukaryoten: cellen met celkern en celorganellen
o Ontstaan door opnamen ve prokaryoot dr een andere prokaryoot = endosymbiose
Cambriumexplosie = N N N
Ontstaan zoogdieren, reptielen, amfibieën etc
Tijdperk Wat?
Archaïcum 3500 miljoen jaar geleden Oudste fossiele cellen (prokaryoten)
Proterozoïcum 2500-500 mil jaar geleden Eencellige en meercellige wieren, meercellige
(zachte) dieren
Paleozoïcum - Cambrium explosie
- Eerste landplanten
Mesozoïcum - Eerste zoogdieren 250 mil j geleden
- Bloeiende planten
Paleogeen - Moderne planten
- Uitsterven dinosauriërs 65 mil j geleden
Neogeen - Eerste voorouders vd mens (6- 7 mil j
geleden)
- Ontstaan vd moderne mens (0,2 mil j
geleden)
Rhf . hβW.1
DEEL 1: INLEIDING: DE PLANTENWERELD ALS BRON VAN GM
Geschiedenis: zie pwp
- Mesopotamië 3000vC: sumeriërs en akkadiërs
- Egypte 1550 vC: Ebers Papyrus
- Griekenland 400vC: hippocrates
Dioscorides: materia medica
- Europa 1554: Rembert Dodoens
- EU begin 19de E: botanische chemische
Farmacognosie: de studie v natuurproducten gebruikt als GM, vr de productie v geneesmiddelen en vr het onderzoek
nr nieuwe geneesmiddelen
Natuurproduct:
o Volledig/deel/verwerkt organisme
o Extracten of andere bereidingen
o Zuivere producten
Fytochemie = de chemie v plantenstoffen, hun biosynthese en metabolisatie
Fytotherapie = het gebruik v plantenpreparaten omwille v hun geneeskundigekrachtige werking.
+ bekijkt het werkings(mechanisme), nevenwerkingen en toxiciteit
Soorten geneesmiddelen:
1. Synthetische geneesmiddelen = medicinale chemie
2. Producten v microbiele oorsprong: antibiotica (Alexander fleming, Penicilline)
3. Biologicals (bv. Hormonen)
o Proteïnen
o Substitutietherapie
4. Natuurproducten: zuivere natuurproducten, plantaardige preparaten/fytotherapeutica
Etnofarmacologie = de studie vd GM geburikt id volksgeneeskunde of traditionele gnk
TCM: traditional chinese medicine
Ayurveda: traditionele gnk vh indiase subcontinent
Unani: perzisch-arabische traditionele gnk
Drogerij = ruw plantaardig materiaal (gedroogd)
- Als zodanig te gebruiken
- Als uitgangspunt vr een bereiding
- Om zuivere producten te isoleren
Kwaliteitscontrole? De europese Farmacopee beschrijft de kwaliteitscriteria
o Monografieen
o Zowel vr plantenmaterialen als voor zuivere (al dan niet synthetische) GM
Monografie = oorsprong, plantendeel, belangrijkste vereiste inhoudsstoffen
Eigenschappen: organoleptisch: kleur, geur, smaak
Identificatie: macroscopisch/microscopisch/kleurreacties/ dunne laag chromatografie
Chromatografie = chemische scheidingstechniek: fractioneren v mengsels v producten obv verschillende
polariteit
Stationaire fase
Mobiele fase
,Extractie = inhoudsstoffen extraheren met een solvent (water of organisch)
Maceratie (verhit) = plantenmateriaal laten trekken in solvent
Percolatie (Tk) = solvent dh plantenlateriaal laten (~bereiden v koffie)
Infusie = kokend water op plantenmateriaal gieten (~theezetten)
Decoctie = plantenmateriaal opkoken met water (afkooksel)
Concentratie = solvent verwijderen (verdampen) onder verminderde druk (Rotavapor)
Wanneer het extract te weinig geconcentreer is
Drug extract ratio (DER) = de verhouding tussen de hoeveelheid plantaardig materiaal die wordt gebruikt bij de
vervaardiging van een plantaardige bereiding en de hoeveelheid van de verkregen plantaardige bereiding. Het getal
(weergegeven als de feitelijke bandbreedte) vóór de dubbele punt is de relatieve hoeveelheid van het plantaardig
materiaal; het getal na de dubbele punt is de relatieve hoeveelheid van de verkregen plantaardige bereiding.
Bijvoorbeeld: 100g (gedroogd) plantenmateriaal geeft 20g droog extract
DER= 5:1 (aanconcentreren)
100g (gedroogd) plantenmateriaal w gebruikt om 1000g tinctuur te maken
DER: 1:10 (verdunnen)
Primaire en secundaire metabolieten: verantwoordelijk vr meeste geneeskrachtige eigenschappen
Primaire metabolieten: de basis vh leven in alle organismen, essentieel vr het in stand houden vh org
Ze maken het vwp uit vd biochemie
o Suikers
o Eiwitten
o Vetten
o Nucleïnezuren
Secundaire metabolieten: niet essentieel vr het in stand houden vh organisme, typisch vr planten en micro-
organismen (schimmels en bacteriën)
o Polyketiden
o Polyfenolen, flavonoïden
o Alkaloïden
o Terpenen
DEEL 2: ONTSTAAN VAN HET LEVEN OP AARDE
t n n n n
4,6: vorming aarde: botsingen en samenklitten v brokstukken
4,2: stabiele hydrosfeer (hydrosfeer = het geheel v water op, onder en boven het opp vd planeet)
4,2-4,0: prebiotische chemie
4,0: pre-RNA wereld
3,8: RNA-wereld
3,6: eerste organismen
3,6-nu: laatste universel gemeenschappelijke voorganger
Abiogenese = het ontstaan van het leven uit niet-levende materie
Leven: 8 belangrijke kenmerken
o Cellulaire opbouw (tenminste eencellig) Virussen z geen leven
o Stofwisseling
o Groei
o Reactie op prikkels
o Reproductie (onafh v gastheer!) Virussen z geen leven
o Homeostase
o Mutaties en reproductie v deze mutaties
o Een uit- of inwendige beweging
, Leven
= open systeem, dat in staat os zijn inwendige entropie te verminderen dr genbruik te maken v vrije E of v stoffen uit
de omgeving
= systeem dat E kan opnemen uit de omgeving, deze E kan gebruiken om zz te reproduceren, en dat kan evolueren
= systeem dat reageert op interne of externe veranderingen, waardoor het kan blijven voorbestaan
= organisatie v materie, leidend tot entiteiten v diverse complexiteit. Deze zijn in staat zz te reproduceren dr gebruik te
maken v materie en E uit de omgeving. + kunnen ze voortbestaan in een veranderende omgevig via diverse vormen v
adaptatie
Pre-RNA wereld
= eenvoudige polynucleotiden
- TNA en PNA kunnnen complementaire TNA/PNA-ketens aan DNA en RNA strengen binden
- Spontane replicatie
- Ribose in prebiotische omstandigheden weinig stabiel: andere suikers of ribose derivaten
- Voorlopermolecule v RNA
Pre-RNA wereld RNA-wereld
RNA ketens kunnen lussen vormen
RNA kan de vorming v peptiden katalyseren ( ribosomen)
Protocellen “
Compartimentalisering: vorming membranen en complexiteit neemt toe
Endosymbiose
Prokaryoten: cellen zonder celkern
Eukaryoten: cellen met celkern en celorganellen
o Ontstaan door opnamen ve prokaryoot dr een andere prokaryoot = endosymbiose
Cambriumexplosie = N N N
Ontstaan zoogdieren, reptielen, amfibieën etc
Tijdperk Wat?
Archaïcum 3500 miljoen jaar geleden Oudste fossiele cellen (prokaryoten)
Proterozoïcum 2500-500 mil jaar geleden Eencellige en meercellige wieren, meercellige
(zachte) dieren
Paleozoïcum - Cambrium explosie
- Eerste landplanten
Mesozoïcum - Eerste zoogdieren 250 mil j geleden
- Bloeiende planten
Paleogeen - Moderne planten
- Uitsterven dinosauriërs 65 mil j geleden
Neogeen - Eerste voorouders vd mens (6- 7 mil j
geleden)
- Ontstaan vd moderne mens (0,2 mil j
geleden)