DEEL 1: DOELGROEPEN: WHAT’S IN A NAME
2 LEREN OVER STOORNISSEN
Stoornisdenken = Westerse benadering van personen met een beperking die zowel tot
voordelen als nadelen heeft geleid, :
- Focust op functiebeperking
- Gericht op remediëren
- Zo goed mgl tegemoet komen aan deze beperking zodat persoon kan aansluiten
bij norm
- Je hebt heel specialistische kennis nodig over e bepaalde stoornis om m
bijhorende specifieke noden om te gaan
3 KIJKEN NAAR MENSEN
Diversiteitsdenken = nadruk op meervoudige identiteiten die elke persoon heeft & hoe
die elkaar doorkruisen en de levenswandel beïnvloeden
Holistisch kijken = naar de hele persoon én nt alleen nr de stoornis die de persoon heeft
Intersectioneel denken of kruispuntdenken = bepaalde identiteiten en vooral combi
van versch. identiteiten (sociaal) voordeel geven, en andere eerder een nadeel.
Disability studies = w gepleit om ondersteuningsvragen van mensen m e beperking
vooral nt te bekijken vanuit hun stoornis, maar vanuit hun recht om gelijkwaardig te
participeren aan de mtij en welke noden er zijn zowel bij de persoon als in zijn omgeving
en in de mtij om dat waar te maken
4 WERKEN MET MENSEN
Handelingsplan = een cyclisch, schriftelijk document dat de onderwijs- en
opvoedingsbehoeften v e kind/cliënt centraal stelt
Ecologische visie = Visie op VB (verstandelijke beperking) waarbij men e VB bekijkt als
een interactie tssn d persoonskenmerken v d persoon m VB en zijn omgeving. IN deze
visie gaat men er v uit dat d verwachtingen en ondersteuning v e omgeving waarin d
persoon m VB leeft, mee d VB gaan bepalen.
Handicap (volgens VAPH) = elke langdurig en belangrijk participatieprobleem v e
persoon dat te wijten is aan h samenspel tssn functiestoornissen v mentale, psychische,
lichamelijke of zintuiglijke aard, beperkingen bij h uitvoeren v activiteiten en persoonlijke
en externe factoren
Handelingsgerichte beeldvorming = beeldvorming bedoeld om nadien gepaste
doelen op te stellen, afgestemd op de ondersteuningsnood en vragen van de persoon
1
,met een beperking. Deze beeldvorming moet divers, dynamisch, holistisch en ecologisch
zijn.
Andere:
- De handvaten die w gegeven zijn niet absoluut, maar geven richting
- Mensen met migratieachtergrond EN een beperking w gezien als extra kwetsbare
groep => “dubbel nadeel” aangezien: nadelen ervaren als gevolg v hun
migratieachtergrond en anderzijds nadelen als gevolg van hun beperking
- Culturele achtergrond van de persoon met beperking beïnvloedt d levensloop van
die persoon
DEEL 2: LICHAMELIJKE BEPERKING
1 TERMINOLOGIE
Lichamelijke beperking =
- Personen hiermee w dr blijvende, tijdelijke of recidiverende (beperking komt en
gaat) motorische belemmeringen gehinderd in hun groei, ontw en handhaving.
- De LB heeft tot gevolg dat de pers hinder ondervindt bij h gebruiken v h lichaam.
- De belemmeringen vinden hun oorsprong in neurologische, musculaire,
metabolische (‘stofwisseling’) stoornissen of traumata. Personen met LB vormen
gn duidelijk afgebakende groep.
- Sommigen hebben een bijkomende beperking of bijkomende problemen
Deze doelgroep is heterogeen
1.1 ONTRAFELING DEFINITIE
- Pers hinder ondervinden in hun motorische ontw of in hun motoriek op latere
leeftijd
- Hun functioneren w bemoeilijkt daardr
- Beperking kan v korte duur zijn of blijvend
- Progressief verloop v LB = LB w steeds erger / recidiverende aandoening =
wisselend verloop v LB (komt en gaat)
- Oorzaak kan velerlei zijn
- Oorzaak kan (neuro)musculair zijn of botten of gewrichten, mr ook neurologisch of
metabolisch ontstaan dr traumata (letsels) (= doelgroep personen met NAH)
1.2 ICF KIJK OP LICHAMELIJKE BEPERKING
Twee instrumenten om beperkingen te definiëren en om populatie mensen met
beperking daaruit in kaart te brengen:
- ICD11 = ‘International Classification of Diseases’ die ziekten en aandoeningen in
kaart brengen
2
, - ICF = 'International Classification of Functioning, Disability and Health',
classificatiesysteem ontwikkeld dr Wereldgezondheidsorganisatie. w gebruikt om
m gemeenschappelijke internationale taal over stoornissen, beperkingen en
participatieproblemen te spreken.
o Nauwkeurig analyseren welke spec (deel)aspecten vh handelen vr e pers
moeilijk zijn & of dit komt dr pers of door externe factoren
= Lichaam, functies / anatomische
Stoornis
eigenschappen
= Hoe stoornis jou beperkt
Handicap
(participatieproblemen)
Beperking = Waarin je w beperkt (activiteiten)
ICF-model deelt beeldvorming over personen m e beperking in 3 niveaus (is als geheel:
het niveau van functioneren)
1. Stoornissen: ziekte of aandoening kan geconcretiseerd worden in de lichamelijk
eigenschappen van een persoon. Bepaalde delen v lich kunnen afwijkend zijn qua
structuur of qua functioneren
Vb. verkorte spieren, onderarm geamputeerd, scoliose
2. Beperkingen: stoornis heeft gevolgen op de wijze wrop een persoon functioneert
in het dagelijks leven en dat op versch activiteiten
Vb. onderwijs, wonen, werken,…
3. Handicap: LB mgle gevolgen vr participatie participatieproblemen
Wisselwerking tussen functioneren vd persoon op deze 3 niveaus EN persoonlijke en
externe factoren:
- Bij persoonlijke factoren: bv. Denken aan karakter persoon of co-morbiditeit (=
meerdere stoornissen die elkaar beïnvloeden)
- Bij externe factoren: omgeving v persoon (die kan bv veeleisend of net heel
ondersteunend zijn)
3
, DUS: pas v en handicap op beperking spreken als de stoornis gevolgen heeft vr h
participeren aan het dagelijks leven en aan de mtij
Coping = hoe omgaan met hetgeen dat je hebt of is overkomen, de manier wrp je
omgaat met problemen
2 ETIOLOGIE
2.1 INDELING VAN MOGELIJKE OORZAKEN
Wnr kijken nr mgle oorzaken v e beperking indeling maken obv moment van oorzaak
en aard v d factor
3 mgle momenten wrop iets kan gebeuren dat aan de oorzaak ligt v e beperking
- Prenataal: oorzaak probleem voor geboorte (aangeboren beperking)
- Perinataal: oorzaak probleem rond de geboorte (verworven beperking)
- Postnataal: oorzaak probleem na de geboorte (verworven beperking)
Oorzaak beperking ook afh v d aard v d oorzakelijke factor
- Biologische factoren: vb. wnr de reden vd beperking te wijten iss aan genetische
afwijkingen of medische problemen
- Sociale factoren: als gevolg v spec gedrag of als gevolg v beperking in ton /
onderwijs vb. omgeving
4