URBAN QUESTIONS
H1: THE PROBLEM: THE HOUSING QUESTION AND INDUSTRIALIZATION, 1750-1850
FROM ENCLOSURES TO THE HOUSEWIFE
• Huisvestingskwestie → ontstond in eerste helft 19e eeuw
o Arbeiderskrachten moesten naast fabrieken wonen
o Stedelijke kwestie in snel groeiende en industrialiserende stadscentra
o Vaak steden gespecialiseerd in textielproductie: Manchester, Gent …
o Havensteden zoals Liverpool
• Plaatsen met grondstoffen
o Plantages en mijnen
o Essentieel voor fabrieksproductie
• Neil Brenner
o Marxistische onderzoeker
o Verruimt het begrip verstedelijking
▪ Volledig productieketen
▪ Wisselwerking tussen plaatsen van grondstoffenwinning, productie en
consumptie
o Extended urbanization vs. concentrated urbanization
▪ Uitgebreide verstedelijking verwijst naar de ruimten buiten de stad die essentieel zijn voor het
functioneren van het stedelijke systeem, zoals plantages, mijnen, landbouwgebieden en
infrastructuurnetwerken waar grondstoffen, energie en voedsel worden geproduceerd of gewonnen.
▪ Geconcentreerde verstedelijking verwijst naar de concentratie van bevolking, arbeid, kapitaal en
productieactiviteiten in steden en industriële centra.
• The Weavers Triangle
o Industriële erfgoed 19e eeuw
o In driehoek
o Arbeiders wonen naast fabriek: nieuw soort
leefomgeving
o Zorgt voor het vormen van stadscentra
o Loonarbeiders: persoon verkoopt arbeid voor loon
→ economische productie, sociale ongelijkheid
o GB start als eerste met de industrialisatie
• Loonwerk: levenslang arbeid verkopen aan werkgever zonder toegang tot bestaanseconomie
o Het product van je werk is van iemand anders
o Je creeërt iets dat niet van jou is
o Verschil tussen care work en reproductive labour
1
,1. SIX CONDITIONS FOR EUROPEAN INDUSTRIALIZATION
CONDITIE 1: TRANSFORMATIE VAN RESOURCES (MIDDELEN) N AAR EIGENDOM: KOLONIALE PLANTAGES
EN SLAVENARBEID
1. Europeanen introduceerden plantages op grote schaal in de “nieuwe wereld” sinds ongeveer 1600
2. Een plantage creëerde een even grote kloof in de lokale samenleving net zo diep als bij de komst van een nieuwe fabriek
3. Arbeiders werden onder gewelddadige omstandigheden en vaak onder dwang van verre plaatsen gedeporteerd
4. De plantage economie was wereldwijd
Transformatie van agrarische sector 16e - 18e eeuw: uitvinding van de plantage economie
• Landbouw bleef tot einde van 19e eeuw de belangrijkste productiesector
• De transformatie was nodig om snel groeiende bevolking te voeden en
grondstoffen als textielvezels (wol, katoen, zijderupst) en luxeproducten (thee,
koffie, suiker) te exporteren.
• Elementen binnen deze transformatie:
o Innovatie van koloniale plantages
▪ Plantages gericht op wereldwijde markten
▪ Vroege vorm van fabriekssocialisatie → loonarbeid
▪ Maakten gebruik van gestolen land van inheemse bevolking = onteigening (land grabbing)
▪ Slavenarbeid uit Afrika → ongeschoolde arbeiders
o Enclosures in Europa (= privatisering)
▪ Privatisering van gemeenschappelijke gronden
▪ Feodale heren en rijke boeren gingen deze gronden privatiseren en gebruiken/verhuren
Expropriation of the commons = onteigening van de gemeenschappelijke gronden
• Commons → cruciale plek voor collectieve bijeenkomsten en festiviteiten
o Enclosure lands = land van iemand specifiek
o Common lands = gemeenschappelijke grond
• Enclosure of het commons
o Overdracht van landgebruiksrechten van collectief gebruik naar exclusieve gebruik van grondeigenaren
o Door pachters en vrije boeren
o Gemeenschappelijke gronden toegewezen aan landeigenaren of rijke boeren
• Centraal element om enclosure te rechtvaardigen → ‘improvement’
o Commons werden als onproductief gezien
o Privébezit → efficiënter gebruikt voor winst
• Enclosure vernietigde de voorwaarden van collectieve bestaanseconomie
o Ook daarmee samenhangende sociale praktijken en sociale instituties
2
,ENCLOSURE AWARD MAP OF BOTTESFORD, LEICESTERSHIRE, 1771
• De grijze gebieden tonen de nieuwe, inmiddels omheinde landgoederen
van de hertog van Rutland, de belangrijkste landeigenaar.
• Het rood gearceerde gebied, omlijnd met zwarte stippen, geeft de locatie
aan van een perceel dat ter beschikking werd gesteld aan de plaatselijke
armen.
• Met dank aan het Bottesford Community Heritage Project.
Middeleeuwse bestaanseconomie: hiërarchie
• MAAR geen fundamenteel verschil tussen mannelijke en vrouwelijke arbeid
• Werden allebei als ‘productief’ voor het levensonderhoud gezien
• Zal veranderen (zie hieronder)
GEVOLGEN: PRODUCTIEKETEN MET SOCIALE ONGELIJKHEID
• Verarming groot deel Britse bevolking
• Migratie van goedkope arbeidskrachten naar steden
• Verschuiving in waardering van arbeid
o Arbeid die meerwaarde creëert voor markteconomie
o Vs. arbeid van sociale reproductie
• Vrouw en hun zorgarbeid:
o In het nieuwe kapitalistische regime
o Gezien als gratis werkkracht / hulpbron voor industriële productie
o Hulpbrond die buiten de sfeer van de marktrelatie lag
o Onderdrukking vrouwen → werden zelf tot “commons” gemaakt
o Vrouw produceert mensen om in de economie te werken
• Dit werd de basis van een grote goedkope arbeidersklasse
o Cruciaal voor de opkomst van het de industrialisatie
o Scheiding tussen kapitaalbezitters en loonarbeiders
CONDITIE 2: DE LEGITIMERING VAN H ET INDIVIDUEEL BELANG EN DE TECHNISCHE INNOVATIE
• Legitimering van het individueel belang werd ontwikkeld in 18e eeuw door politieke en economische theoretici als
o Baron Montesquieu (1689-1755)
o Sir James Steuart Denham (1713-1780)
o Adam Smith (1723-1790)
• Individueel belang als rationele passie
o Men beschouwt ‘belang’ als een passie in de vorm van reden
o Monarchen worden aangemoedigd het belang onder hun onderdanen te stimuleren
o Versterkt de drijfveer voor economische activiteiten
3
, • Herschikking van morele waarden
o Persoonlijk belang werd plots een inherent goede eigenschap.
o Gevoelens van hebzucht gelegitimiseerd → normaal om hebzuchtig te zijn en naar winst te streven
o Dus verschuiving in overheidsdenken:
▪ Christelijke principes van liefdadigheid aan kant geschoven
▪ Vervangen door nieuw moreel sentiment
• Kritiek op armenzorg
o Loop 18e eeuw: groeiende kritiek op armoedehulp via overheidssubsidies
o Het geven van leeflonen belemmerde de productiviteit volgens het nieuwe liberale denken → creëerde
hongersnood
o Nadruk op niet ingrijpen in marktverhouding → markt moet zichzelf regelen zonder overheidsinmenging
(economisch, liberaal idee
Verandering in morele en economische opvattingen ondersteunen de opkomst van kapitalisme en industrialisatie door individueel
economisch streven technische innovaties te bevorderen.
EFFECTEN VAN DEZE LEGITIMERING VAN BELANG OP SOCIALE RELATIES
• Zorgt voor onderscheid in genderconstructies
o Mannelijke publieke sfeer
▪ Mannen concurreren met elkaar in het nastreven van hun individuele (economische) belang
▪ Gericht op economische en sociale investeringen
o Vrouwelijke private en huiselijke sfeer
▪ Moderlijke liefde, zorg en schoonheid
▪ Vrouwen minder kunnen minder betaald worden
• Technische innovatie
o Streven naar winst → technologische innovatie komt op gang
o Machines: bv. “Spinning Jenny” (1965) = weefmachine voor katoen
▪ Katoenindustrie sneller met factor 370
o Ook verbetering van stoommachine
▪ Snellere productie
▪ Constante vraag naar middelen (menselijk, materiaal en financieel)
CONDITIE 3: EEN NIEUWE ORGANISATIE VAN HANDEL
• Mechanisering → nood aan nieuwe logistieke en sociaal-ruimtelijke vorm van organisatie
• Productieproces moet worden opgesplitst in verschillende geautomariseerde stappen
o Menselijk lichaam afgestemd op technische mogelijkheden van machine, niet omgekeerd
o Gedisciplineerde arbeiders: 16u lang eenzelfde handeling doen, zonder in opstand te komen
o Ondanks gevaren en gezondheidsrisico’s
4
H1: THE PROBLEM: THE HOUSING QUESTION AND INDUSTRIALIZATION, 1750-1850
FROM ENCLOSURES TO THE HOUSEWIFE
• Huisvestingskwestie → ontstond in eerste helft 19e eeuw
o Arbeiderskrachten moesten naast fabrieken wonen
o Stedelijke kwestie in snel groeiende en industrialiserende stadscentra
o Vaak steden gespecialiseerd in textielproductie: Manchester, Gent …
o Havensteden zoals Liverpool
• Plaatsen met grondstoffen
o Plantages en mijnen
o Essentieel voor fabrieksproductie
• Neil Brenner
o Marxistische onderzoeker
o Verruimt het begrip verstedelijking
▪ Volledig productieketen
▪ Wisselwerking tussen plaatsen van grondstoffenwinning, productie en
consumptie
o Extended urbanization vs. concentrated urbanization
▪ Uitgebreide verstedelijking verwijst naar de ruimten buiten de stad die essentieel zijn voor het
functioneren van het stedelijke systeem, zoals plantages, mijnen, landbouwgebieden en
infrastructuurnetwerken waar grondstoffen, energie en voedsel worden geproduceerd of gewonnen.
▪ Geconcentreerde verstedelijking verwijst naar de concentratie van bevolking, arbeid, kapitaal en
productieactiviteiten in steden en industriële centra.
• The Weavers Triangle
o Industriële erfgoed 19e eeuw
o In driehoek
o Arbeiders wonen naast fabriek: nieuw soort
leefomgeving
o Zorgt voor het vormen van stadscentra
o Loonarbeiders: persoon verkoopt arbeid voor loon
→ economische productie, sociale ongelijkheid
o GB start als eerste met de industrialisatie
• Loonwerk: levenslang arbeid verkopen aan werkgever zonder toegang tot bestaanseconomie
o Het product van je werk is van iemand anders
o Je creeërt iets dat niet van jou is
o Verschil tussen care work en reproductive labour
1
,1. SIX CONDITIONS FOR EUROPEAN INDUSTRIALIZATION
CONDITIE 1: TRANSFORMATIE VAN RESOURCES (MIDDELEN) N AAR EIGENDOM: KOLONIALE PLANTAGES
EN SLAVENARBEID
1. Europeanen introduceerden plantages op grote schaal in de “nieuwe wereld” sinds ongeveer 1600
2. Een plantage creëerde een even grote kloof in de lokale samenleving net zo diep als bij de komst van een nieuwe fabriek
3. Arbeiders werden onder gewelddadige omstandigheden en vaak onder dwang van verre plaatsen gedeporteerd
4. De plantage economie was wereldwijd
Transformatie van agrarische sector 16e - 18e eeuw: uitvinding van de plantage economie
• Landbouw bleef tot einde van 19e eeuw de belangrijkste productiesector
• De transformatie was nodig om snel groeiende bevolking te voeden en
grondstoffen als textielvezels (wol, katoen, zijderupst) en luxeproducten (thee,
koffie, suiker) te exporteren.
• Elementen binnen deze transformatie:
o Innovatie van koloniale plantages
▪ Plantages gericht op wereldwijde markten
▪ Vroege vorm van fabriekssocialisatie → loonarbeid
▪ Maakten gebruik van gestolen land van inheemse bevolking = onteigening (land grabbing)
▪ Slavenarbeid uit Afrika → ongeschoolde arbeiders
o Enclosures in Europa (= privatisering)
▪ Privatisering van gemeenschappelijke gronden
▪ Feodale heren en rijke boeren gingen deze gronden privatiseren en gebruiken/verhuren
Expropriation of the commons = onteigening van de gemeenschappelijke gronden
• Commons → cruciale plek voor collectieve bijeenkomsten en festiviteiten
o Enclosure lands = land van iemand specifiek
o Common lands = gemeenschappelijke grond
• Enclosure of het commons
o Overdracht van landgebruiksrechten van collectief gebruik naar exclusieve gebruik van grondeigenaren
o Door pachters en vrije boeren
o Gemeenschappelijke gronden toegewezen aan landeigenaren of rijke boeren
• Centraal element om enclosure te rechtvaardigen → ‘improvement’
o Commons werden als onproductief gezien
o Privébezit → efficiënter gebruikt voor winst
• Enclosure vernietigde de voorwaarden van collectieve bestaanseconomie
o Ook daarmee samenhangende sociale praktijken en sociale instituties
2
,ENCLOSURE AWARD MAP OF BOTTESFORD, LEICESTERSHIRE, 1771
• De grijze gebieden tonen de nieuwe, inmiddels omheinde landgoederen
van de hertog van Rutland, de belangrijkste landeigenaar.
• Het rood gearceerde gebied, omlijnd met zwarte stippen, geeft de locatie
aan van een perceel dat ter beschikking werd gesteld aan de plaatselijke
armen.
• Met dank aan het Bottesford Community Heritage Project.
Middeleeuwse bestaanseconomie: hiërarchie
• MAAR geen fundamenteel verschil tussen mannelijke en vrouwelijke arbeid
• Werden allebei als ‘productief’ voor het levensonderhoud gezien
• Zal veranderen (zie hieronder)
GEVOLGEN: PRODUCTIEKETEN MET SOCIALE ONGELIJKHEID
• Verarming groot deel Britse bevolking
• Migratie van goedkope arbeidskrachten naar steden
• Verschuiving in waardering van arbeid
o Arbeid die meerwaarde creëert voor markteconomie
o Vs. arbeid van sociale reproductie
• Vrouw en hun zorgarbeid:
o In het nieuwe kapitalistische regime
o Gezien als gratis werkkracht / hulpbron voor industriële productie
o Hulpbrond die buiten de sfeer van de marktrelatie lag
o Onderdrukking vrouwen → werden zelf tot “commons” gemaakt
o Vrouw produceert mensen om in de economie te werken
• Dit werd de basis van een grote goedkope arbeidersklasse
o Cruciaal voor de opkomst van het de industrialisatie
o Scheiding tussen kapitaalbezitters en loonarbeiders
CONDITIE 2: DE LEGITIMERING VAN H ET INDIVIDUEEL BELANG EN DE TECHNISCHE INNOVATIE
• Legitimering van het individueel belang werd ontwikkeld in 18e eeuw door politieke en economische theoretici als
o Baron Montesquieu (1689-1755)
o Sir James Steuart Denham (1713-1780)
o Adam Smith (1723-1790)
• Individueel belang als rationele passie
o Men beschouwt ‘belang’ als een passie in de vorm van reden
o Monarchen worden aangemoedigd het belang onder hun onderdanen te stimuleren
o Versterkt de drijfveer voor economische activiteiten
3
, • Herschikking van morele waarden
o Persoonlijk belang werd plots een inherent goede eigenschap.
o Gevoelens van hebzucht gelegitimiseerd → normaal om hebzuchtig te zijn en naar winst te streven
o Dus verschuiving in overheidsdenken:
▪ Christelijke principes van liefdadigheid aan kant geschoven
▪ Vervangen door nieuw moreel sentiment
• Kritiek op armenzorg
o Loop 18e eeuw: groeiende kritiek op armoedehulp via overheidssubsidies
o Het geven van leeflonen belemmerde de productiviteit volgens het nieuwe liberale denken → creëerde
hongersnood
o Nadruk op niet ingrijpen in marktverhouding → markt moet zichzelf regelen zonder overheidsinmenging
(economisch, liberaal idee
Verandering in morele en economische opvattingen ondersteunen de opkomst van kapitalisme en industrialisatie door individueel
economisch streven technische innovaties te bevorderen.
EFFECTEN VAN DEZE LEGITIMERING VAN BELANG OP SOCIALE RELATIES
• Zorgt voor onderscheid in genderconstructies
o Mannelijke publieke sfeer
▪ Mannen concurreren met elkaar in het nastreven van hun individuele (economische) belang
▪ Gericht op economische en sociale investeringen
o Vrouwelijke private en huiselijke sfeer
▪ Moderlijke liefde, zorg en schoonheid
▪ Vrouwen minder kunnen minder betaald worden
• Technische innovatie
o Streven naar winst → technologische innovatie komt op gang
o Machines: bv. “Spinning Jenny” (1965) = weefmachine voor katoen
▪ Katoenindustrie sneller met factor 370
o Ook verbetering van stoommachine
▪ Snellere productie
▪ Constante vraag naar middelen (menselijk, materiaal en financieel)
CONDITIE 3: EEN NIEUWE ORGANISATIE VAN HANDEL
• Mechanisering → nood aan nieuwe logistieke en sociaal-ruimtelijke vorm van organisatie
• Productieproces moet worden opgesplitst in verschillende geautomariseerde stappen
o Menselijk lichaam afgestemd op technische mogelijkheden van machine, niet omgekeerd
o Gedisciplineerde arbeiders: 16u lang eenzelfde handeling doen, zonder in opstand te komen
o Ondanks gevaren en gezondheidsrisico’s
4