CLUSTER 1: Geschiedenis en filosofie van de wetenschappen en technologie .......................... 2
OVERGANG CLUSTER 1&2 (eigenlijk al een deeltje van cluster 3) ........................................... 26
CLUSTER 2: Esthetiek en theorieën van politieke economie ................................................... 36
CLUSTER 3: Intersectionaleitstheorie.................................................................................... 72
1
, Filosofie en kritische theorie
CLUSTER 1: Geschiedenis en filosofie van de wetenschappen en technologie
Impact van techniek in het onderwijs
Maarten Van Dijck: liever geen gebruik van slides,.. → passieve houding bij lesgever en student,
preformating
LES 1: Van natuurfilosofie naar de wetenschappen – De productie van kennis
17e – 19e eeuw: historische verschuiving (natuurfilosofie -> de natuurwetenschappen)
> leren deze verschuivingen over wat we verwachten van kennis
> nu: kenniseconomie: kennis geproduceerd (taak van sommige mensen) -> kennisproductie
wordt pas vanaf jaren 60 gebruikt, ervoor werd er nooit gedacht aan kennis als product
1.1 Objectiviteit
Wetenschappelijke kennis wordt gekarakteriseerd door het feit dat ze objectief is
• Objectiviteit (zelfstandig naamwoord): een – ideale – toestand
o “streven naar een zo groot mogelijke objectiviteit” bv. tijdens examens die we
maken met grote objectiviteit bepalen proffen de punten
• Objectief (bijvoeglijk naamwoord): een eigenschap
o Zonder vooroordelen/zonder mening en niet beïnvloedbaar
• Objectivering (werkwoord): een activiteit
o Wat houdt het in om iets te objectiveren, proces van objectivering
o Komt veel voor in feminisme (objectiveren van vrouwelijk lichaam) -> vanuit een
bepaalde houding wordt er gedacht waardoor er iets verandert in visie erover
→ gewoonte aanleren om bij deze term stil te staan
= een “clusterobject”
➔ niet één strikte definitie, maar een cluster van betekenissen die in verschillende
contexten een variërend conceptuele rol spelen (wanneer je concepten in een andere
context gebruikt krijgen deze concepten lichtjes een andere betekenis)
➔ objectief is een implicatie in twee richtingen: iets is objectief, enkel en alleen indien
➔ een cluster georganiseerd rond de oppositie objectief/subjectief
➔ taak van de filosofie: belangrijke concepten/ideeën definiëren > op zoek gaan naar
noodzakelijke en voldoende voorwaarden
Vandaag: concepten zijn flexibel om volledig te definiëren, er komen veel meer dingen
bij kijken
Als men over objectiviteit spreekt dan is er altijd een oppositie aanwezig -> soort spanning,
tegenstelling tussen de twee concepten
2
,Objectiviteit vs. Subjectiviteit
• Subjectief: niet aan feiten gebonden (droom, speculatie)
-> puur op basis van speculatie, verbeelding
-> gedachten staan los van hoe toestand van wereld is
• Subjectief: betrokken (vanuit emoties, belangen)
• Subjectief: niet eerlijk
-> niet neutraal, niet transparant
• Objectief: aan de feiten gebonden, met betrekking op wat geval is
• Objectief: afstandelijk
• Objectief: eerlijk
-> kan je enkel eerlijk zijn vanuit een afstandelijke houding?
-> van sommige emoties moeten we geen afstand nemen, zijn soms belangrijk om tot
bepaalde eerlijkheid/oprechtheid te komen
➔ geen enkele betekenis staat los van elkaar: naar gelang context gaat een betekenis op de
voorgrond treden/meer centraal staan
Objectiviteit als filosofisch thema
- Waarom waarderen we objectiviteit?
- Wat zijn de gevaren?
- Wat zijn de voordelen?
Objectiviteit = belangrijkste thema’s uit moderniteit -> veel filosofen stellen zich de vraag: wat is
objectiviteit eigenlijk
Voor 17e eeuw: figuren waren bezig met eerlijkheid, maar staken ze niet samen in één concept
als objectiviteit of zetten ze niet in tegenstelling met subjectiviteit
Historische evoluties: het feit dat die betekenissen geclusterd zijn geraakt rond die sterke
oppositie tussen objectiviteit <-> subjectiviteit is een relatief recent fenomeen
1.2 Het antieke ideaal van Theoria
Aristoteles (4eeuw v.C)
Natuurfilosofie (≈ wetenschap) maakt deel uit van zoektocht naar Theoria, het
belangeloze aanschouwen van de structuur van de werkelijkheid dat volledig losstaat
van alle handelen
Theoria = het goddelijke perspectief “view from nowhere”
➢ Term wordt centraal geplaats door Aristoteles -> denken van Aristoteles is invloedrijk
geworden in periodes erna
➢ Alles wat menselijk is achter je laten -> kennis die God van werkelijkheid zou hebben
➢ Theoria = het doel van kennis vergaring, vindt oorsprong in aanschouwen/kijken van
buitenaf -> inzicht krijgen in hoe dat alles dat gebeurt samenhangt met elkaar =>
overkoepeld begrip die een aanschouwen is
➢ Zolang je zaken beschouwt met ‘wat kan ik daar eigenlijk mee doen’ -> eigenlijk nog
GEEN theorie
3
, Neologisme uit de 16de eeuw = de filosoof is een wijsheer, filosofie is het begeren
naar wijsheid
Centraal voor Aristoteles = natuurfilosofie en die vraag die je kan antwoorden als je de theorie
bereikt -> natuurfilosofie staat los van techniek: theoretisch (inzicht) ↔ technisch (handelen)
paradox van notie geïllustreerd:
aarde en kosmos afgebeeld
- op aarde zie je mensen die bewegen, een specifieke positie innemen
- we proberen van buiten af te kijken -> je laat alle beperkingen achter
1.3 Het moderne ideaal van objectiviteit
→ Aristoteles zijn denken werd vanaf de 17de eeuw steeds meer en meer in vraag gesteld
→ structuur v antieke kennis ideaal leeft in middeleeuwen sterk dr en vervaagt in moderne tijd
Friedrich Nietzsche (1844-1900)
> staat stil bij het paradoxale van het oog: het is een perspectief, dat geen perspectief
meer is, het is een zien dat niet langer iets kan zien
> oog zonder lichaam is zinloos idee, oog is menselijk orgaan, menselijk perspectief ->
als je werkelijk te maken hebt met waarneming dan gebeurt waarneming uit bepaal
perspectief
> benadering van moraal en ethiek maar gaat ook stilstaan bij objectiviteit en het statuut
dat we eraan kunnen geven
> waarnemen, tot kennis komen vraagt om activiteit van kenner ➔ Theoria ideel lijkt dat
weg te gommen
“God is dood” = het goddelijke perspectief is betekenisloos
> kennis bezitten moet vanuit menselijk perspectief en niet goddelijke perspectief want
dit is geen perspectief
> God is dood maar we weigeren het te beseffen => we moeten blijven benadrukken om
implicaties daarvan niet uit de weg te gaan (Kant speelt cruciale rol hierin)
➔ geen ideaal meer? Wat dan wel? Hoe dan wel een perspectief
➔ opdracht van moderniteit: willen doorbreken
radicalisering van de kritische filosofie van Immanuel Kant
Immanuel Kant (1724 – 1804)
Kritiek van de Zuivere Rede, 1781/1787 (2de editie)
= één van de belangrijkste verlichtingsfilosofen
Objectiviteit wordt bepaald door de structuur van het menselijke perspectief
4