Samenvatting radiologie
Overzicht beeldvormingstechnieken p2-6
Beeldvorming van de borst p7-8
Beeldvorming van hart en vaten p9-11
Beeldvorming van de darmen p12-15
Beeldvorming lever, milt en pancreas p16-23
Beeldvorming vrouwelijke reproductieve systeem p24-27
Beeldvorming hoofd en nek p28-31
Musculoskeletale beeldvorming p32-39
Centraal zenuwstelsel p40-46
Beeldvorming wervelkolom p47-48
Pediatrische beeldvorming p49-51
Urogenitaal stelsel p52-55
Endocrien systeem p56-57
Urgenties p58-61
Beeldvorming thorax p62-67
, 2
Overzicht technieken beeldvorming
Conventionele RX
- Straling = hoogenergetische elektronen
- Beelden zijn het resultaat van een projectie van de straling doorheen verschillende weefsels
o Grootte van een object op projecties hangt sterk af van de oriëntatie van het object
o Structuren verder van de plaat worden groter geprojecteerd
o Klinisch belang: bij RX opname aan bed zal hartschaduw groter zijn dan aan statief
o Bv voor realistische weergave hart: hart zo dicht mogelijk bij detector plaat
- DRL = diagnostische referentie levels
o Stralingsdosis bij RX is afhankelijk van BMI, type detector, type RX en de setting
o Voor standaard RX, CT en beeldvorming geleide interventionele procedures
o DRLs zijn niet hetzelfde als dosis limieten!
o Met DRL’s kan je de verwachte stralingsdosis bij een patiënt bepalen
Echografie
- Echogolven (hoge frequentie) worden gebruikt voor beeld te maken
o Gebruikt voor bloedvaten, organen of weefsels
- Werking
o Echo transducer zendt een echosignaal uit
o Signaal kaatst terug op verschillende structuren
o Teruggekaatste golf wordt omgezet in beeld
- Echogolf interageert met weefsels op verschillende manieren
o Reflectie: golven worden gereflecteerd terug naar de transducer
o Absorptie: golven worden geabsorbeerd door weefsel en energie omgezet in hitte
o Verstrooiing: golven worden gereflecteerd in verschillende richtingen
o Refractie: richting van golven wordt verandert
o Elk type heeft een specifieke impedantie = weerstand tegen voortplanting van geluid
▪ Bv. van vet (lage impedantie) naar bot (hoge) dan sterk echosignaal
- Kleuren op echo
o Wit = hyper-echogeen, zwart = hypo-echogeen
o Structuren met echo gelijkaardig aan hun omgeving = iso-echogeen
- Doppler effect
o Positieve doppler shift = positieve snelheid (rode kleur), naar transducer
o Negatieve doppler shift = negatieve snelheid (blauwe kleur), weg van transducer
- Voordelen: lage kost, makkelijk, veilig, snel, beschikbaar, dynamisch
- Nadelen: operator en patiënt afhankelijk, moeilijk reproduceerbaar, slechte penetrantie in
lucht en bot
, 3
CT: Computed tomography
- Werking: X stralen worden rond de patiënt afgeschoten
o Tegenover de RX bron staat een detector
o Er wordt door de computer een 3D scan van de pt gemaakt
o Patiënt ligt op een bed dat beweegt doorheen het portaal terwijl buis ronddraait
o Afhankelijk van indicatie kan oraal of IV contrast worden toegediend
o Je venster kan je aanpassen: weke delen, long of botvenster
- Spatiële resolutie: je kan de diktes van je ‘slices’ kan je aanpassen
o Hogere resolutie = hogere stralingsdosis + meer ruis op je beeld
- Patiënt gerelateerde artefacten: beweging, kleding, juwelen
o Patiënt moet stilliggen voor het onderzoek
MRI: magnetic resonance imaging
- Niet invasief, maakt gebruik van magnetisch velden voor beeldvorming (geen straling)
- MRI scanner bestaat uit 3 onderdelen
o Hoofdmagneet: produceert het magnetische veld
o Gradiënt coils: produceren opzettelijke variaties in magneetveld
o Radiofrequente coils: werken als de antennes, zenden en ontvangen het signaal
- Contra-indicaties
o Claustrofobie
o Ferromagnetisch metaal in het lichaam (bv bepaalde pacemakers, implantaten, …)
- Veiligheid rond MRI
o De magneet staat altijd aan, ga nooit met ferromagnetische metalen in de buurt!
o Patiënten mogen geen metale objecten meenemen naar MRI ruimte
- Gradient coils: zorgen voor ruimtelijke informatie door variërende magnetische velden te
produceren, dit geeft een luid geluid tijdens de MRI (tot 130dB)
- Contrast tijdens MRI is meestal obv gedolinium (Ga heeft een renale klaring)
o CAVE: nefrogene systemische fibrose (NSF) bij slechte renale klaring
- Voordelen: geen straling, goed voor follow up, zachte weefsels, types contrast, beeldvorming
o Zeer goed voor zacht weefsel contrast en geeft unieke anatomische en functionele
informatie, de pathologie kan goed geobserveerd worden
- Nadelen: duurt lang, luid, hoge kost, mag niet bij alle implantaten, luid
, 4
CONTRAST AGENTIA
RX contrast agentia (RCM)
- = contrast bij CT (kan ook bij RX, maar wordt zelden gebruikt bij RX)
- Doel = informatie over orgaanfunctie
- Opacificatie methodes
o Directe luminale vulling
▪ Differentiatie van oppervlakkige of murale veranderingen
▪ Functionele informatie: veranderingen in tonus of peristaltiek
▪ Wordt bekomen via een natuurlijke of een iatrogene toegangsweg
o Functionele orgaan beeldvorming
▪ Wordt toegepast in urografie
▪ Contrast densiteit is afhv functionaliteit van nieren en urinewegen
▪ Evaluatie van morfologische en functionele veranderingen
o Parenchymale aankleuring
▪ Aankleuring afhankelijk van passage en selectieve accumulatie van RCM
▪ Meer differentiatie tussen verschillen organen en weefsel
▪ Vooral om onderscheid tssn pathologisch en normaal makkelijker te maken
▪ In sommige gevallen kan de etiologie zo worden afgeleid
o Angiografie
▪ Selectieve opacificatie door directe injectie van RCM in bloedvat
▪ Evaluatie van distributie van RCM doorheen bloedvaten
▪ Evaluatie van (normale) functie en morfologie
- IV toediening
o IV RCM bij CT is de meest voorkomende reden van gebruik van gejodeerd RCM
o Voor arteriële aankleuring speelt snelheid van iodine toediening een belangrijke rol
o Voor evaluatie van solide orgaan hangt aankleuring af van totale hoeveelheid iodine
o Toepassingen IV contrast: CT, DSA, IV urografie, veno/flebografie
- Timing van beeldvorming
o Non-inhanced fase = Beeldvorming voor injectie van RCM
▪ = baseline status van anatomie en gecalcificeerde structuren
o Vroege arteriële fase = enkele seconden na administratie van bolus IV RCM
▪ Spoort arteriële abnormaliteiten op
o Late arteriële fase: 15 tot 20 seconden na vroege arteriële fase
▪ Onderzoeken van hoog gevasculariseerde structuren (lever, milt, nieren)
▪ Vooral voor identificatie van massa’s
o Portaal veneuze fase
▪ RCM is geconcentreerd in mesenterische veneuze structuren
▪ Evaluatie van lever perfusie en portale hypertensie in cirrotische patiënten
o Vertraagde fase / wash out fase / equilibrium fase
▪ Visualisatie van leasies die RCM vasthouden (bv. tumoren)
- Intra-arteriële RCM toediening
o Bij diagnostisch katheter angiografie en katheter-geleide arteriële interventies
o Door hoge flow is een hoge toedienings v nodig om bloedvaten zichtbaar te maken
▪ Cave patiënten met een minder goede nierfunctie
- Orale en rectale RCM toediening
o Worden gebruikt in beeldvorming van de gastro-intestinale tractus
o Voornamelijk met barium sulfaat suspensies, soms gejodeerde contrast media