PSYCHOLOGIE VAN INDIVIDUELE VERSCHILLEN
DEEL III: PSYCHOLOGIE VAN INTELLIGENTIE
HOOFDSTUK 7: INLEIDING EN VRAAG
7.1. INLEIDING
PID van cognitief functioneren omvat verschillen tussen mensen in termen van cognitieve
prestaties (dus algemeen en globaal, prestatie op verschillende taken)
● Veruit meest toegepaste gebied = psychologie van intelligentie
● Doelen:
o Beschrijven
▪ Verschillen: hoe verschillen mensen inzake intelligentie? Welke zijn
belangrijkste verschillen (cf. factoranalyse)?
▪ Verbanden tussen verschillen: welke verschillen hangen samen?
o Verklaren van verschillen: wat ligt er aan de basis? (Cultuur, leergeschiedenis,
opvoeding, erfelijk? → Verschillende niveaus)
Populair uitgangspunt: sommige mensen doen het ‘beter’ dan anderen
● Beslissingen nemen, studeren, algemene en triviale kennis, redeneren, prestaties op vlak
van werk/sociaal/emotioneel/... → cognitief functioneren; vaak samengevat als
intelligentie ‘er zijn slimme en minder slimme mensen’
● Men vindt dat ook heel erg belangrijk
o Opvoeding: van kinds af aan al gelet op intelligentie van kind door ouders
o Veel boeken en technieken over succes, prestaties, …
o Sterke nadruk op prestaties in samenleving (onderwijs, werk, ...) → succes, status,
...
Maar... wat is intelligentie nu exact? We bekijken systematisch definities volgens de leek en de
(divergente) definities volgens de expert
7.2. DEFINITIE VOLGENS LEEK
Definitie volgens Leek1 = impliciete theorieën die mensen hanteren over wat intelligentie is (De
gemiddelde definitie die door het volk wordt gebruikt voor intelligentie) → Sternberg besteedde
hier veel aandacht aan; kwam met argumenten + voerde onderzoek hiernaar
1= de mens op de straat → Helpt ons begrijpen hoe we met culturele intelligentie best kunnen omgaan
pag. 1
,Argumenten voor belang van impliciete theorieën:
• Bepalen hoe we onszelf en anderen percipiëren en evalueren in dagelijks leven (wanneer
noemen we iemand slim/dom? Gaat dat over rekenen, taal of eerder over het sociale?)
• Kunnen onderzoek inspireren over structuur van intelligentie (vb. cultuurverschillen in
opvattingen over intelligentie ⭢ culturele invulling)
Onderzoek: wat verstaat leek onder intelligentie? (Sternberg et al., 1981)
● Twee fases
○ Op verschillende plaatsen aan leken vragen om intelligente en onintelligente
gedragingen op te noemen → lijst van 170 intelligente en 80 onintelligente zaken
○ Andere leken beoordelen deze gedragingen voor hoe typisch voor
(1) intelligentie, algemeen
(2) schoolse intelligentie
(3) alledaagse intelligentie2
➔ Hierop voerde men factoranalyse uit: welke eigenschappen correleren?
● Resultaten:
○ Factoranalyse levert 3 types intelligentie op die meespelen volgens de leek
▪ Oplossen praktische problemen: situatie analyseren en probleem
oplossen (vb. studeren: time management, efficiëntie, ook ontspanning,
fietsketting terug opzetten...)
▪ Verbale vaardigheden: duidelijke communicatie, vloeiend taalgebruik (vb.
overtuigen, beeldspraak, ...)
▪ Sociale vaardigheden: omgaan met, begrijpen en motiveren van anderen
(vb. goede leiders)3
○ Dezelfde procedure gedaan bij experten:
▪ Correlatie over scores op deze termen tussen leken en experts was
groot (.80)
▪ Mening van experts verschilt dus niet zo sterk van mening leken
▪ Experts: vooral nadruk op motivatie bij schoolse intelligentie
2Doel van deze ‘opdeling’ was om scores te kunnen kwantificeren en dus te gaan kijken of bepaalde zaken met
elkaar correleren; factoranalyse
3 Hier is dus overlap met persoonlijkheid; opdeling PH en intelligentie is dus ergens wat arbitrair
pag. 2
, ▪ Leken: vooral nadruk op het sociale bij alledaagse intelligentie
○ Relatief grote correlatie tussen de 3 verschillende factoren
▪ Onderzoekers deden dus oblieke rotatie (factoren niet onafhankelijk)
▪ Impliceert dat er iets gemeenschappelijks zou kunnen zijn bij alle drie
➔ Leken zien dus intelligentie als (1) oplossen van problemen (2) sociale
vaardigheden en (3) verbale vaardigheden
● Kritiek: dit is enkel westers (WEIRD) perspectief, wat met culturele verschillen?
○ Er zijn gelijkenissen tussen culturen (onafhankelijk denken, interesse,
probleemoplossend, ...)
○ Maar er zijn ook belangrijke verschillen inzake impliciete theorieën over
intelligentie
■ Westen: Nadruk op individu en prestatie & snelheid daarvan
■ Confucianisme (rond China): nadruk op filantropie, menslievendheid
■ Taoïsme (yin/yang): bescheidenheid, aandacht voor geheel (holistisch)
■ India: eenheid van gedachten → alles convergeert in gedachten
■ Zambia: sociale verantwoordelijkheid, samenwerking, weinig spreken
➔ In deze culturen worden bovenstaande eigenschappen gezien als intelligentie
➔ Maar let wel op: de definitie over intelligentie wordt nog steeds sterk bepaald door leken
7.3. DEFINITIE VOLGENS EXPERTS
7.3.1 SYMPOSIA 1921 EN 1986
Men wou tot eenheid komen in de wetenschap omtrent het begrip intelligentie, hiervoor werden
symposia georganiseerd
● 1921: uitnodiging aan bekende experts destijds door tijdschrift
o Onder andere : Thorndike, Terman
o Nog steeds heterogene verklaringen: van ‘de kracht om correcte antwoorden te
geven’ tot ‘mogelijkheid om abstract te denken’
● 1986: boek door Sternberg ‘What is intelligence?’
o Laat 24 experten een definitie vormen
▪ Capaciteit tot aanpassen aan omgeving
▪ Capaciteit om capaciteiten te verwerven
▪ …
o Opnieuw zeer heterogeen: unitair VS veelvormig, verschillende nadrukken, …
pag. 3
, ▪ Is intelligentie unitair? – Nogsteeds controversieel → Bestaat er zoiets als
algemene intelligentie?
✓ Zijn die verschillen aanwezig in één dimensie, die een rol speelt in
meerdere dimensies?
o Maar ook overlap
▪ Aanpassen aan omgeving
▪ Zowel basale processen (vb. geheugen) als hogere
processen/metacognitie (redeneren, abstract denken, ...)
○ Verschuivingen in vergelijking met 1921
▪
Metacognitie > kennis (passief opgedaan)
✓ Meer focus op het nadenken van problemen, dan de kennis
slechts hebben
▪ Erkennen van belang van cultuur in definitie vorming universele definitie
➔ Besluit: veel heterogeniteit én overlap, maar weinig houvast
➔ Alternatieven…
7.3.2 OPERATIONELE DEFINITIE VAN BORING (1923)
Boring vond dat de conceptuele discussie een dovemansgesprek werd; gooide het over een
andere boeg
• ‘Intelligentie = de uitkomst op de test, hetgeen de test meet’
• Operationele definitie (Het is concreet en tastbaar) i.p.v. conceptueel
• Maar veel kritiek/ problemen
o Over welke test gaat het? Zijn testen wel vergelijkbaar?
o Probleem van circulariteit4t: intelligentie = wat test meet = intelligentie = ...
➔ Wordt toch zeer vaak gebruikt in praktijk
7.3.3 DEFINITIE VAN STERNBERG (1985)
Robert Sternberg
• Een van de meest vooraanstaande onderzoekers omtrent intelligentie
• Eredoctoraat KUL
• Had niet per se een juiste, maar wel zeer brede definitie
• Baseert zich op Binet ( Plato Aristoteles)
o Wetenschapsfilosofisch idee
o Als we iets willen definiëren, moet dat op 3 manieren: verwijzen naar…
▪ Omstandigheden: oorsprong, omstandigheden waarin het optreedt
▪ Aard, bestanddelen
▪ Gevolgen, effecten
4 We krijgen niet vlot een antwoord → een cirkel gaat telkens rond
pag. 4
DEEL III: PSYCHOLOGIE VAN INTELLIGENTIE
HOOFDSTUK 7: INLEIDING EN VRAAG
7.1. INLEIDING
PID van cognitief functioneren omvat verschillen tussen mensen in termen van cognitieve
prestaties (dus algemeen en globaal, prestatie op verschillende taken)
● Veruit meest toegepaste gebied = psychologie van intelligentie
● Doelen:
o Beschrijven
▪ Verschillen: hoe verschillen mensen inzake intelligentie? Welke zijn
belangrijkste verschillen (cf. factoranalyse)?
▪ Verbanden tussen verschillen: welke verschillen hangen samen?
o Verklaren van verschillen: wat ligt er aan de basis? (Cultuur, leergeschiedenis,
opvoeding, erfelijk? → Verschillende niveaus)
Populair uitgangspunt: sommige mensen doen het ‘beter’ dan anderen
● Beslissingen nemen, studeren, algemene en triviale kennis, redeneren, prestaties op vlak
van werk/sociaal/emotioneel/... → cognitief functioneren; vaak samengevat als
intelligentie ‘er zijn slimme en minder slimme mensen’
● Men vindt dat ook heel erg belangrijk
o Opvoeding: van kinds af aan al gelet op intelligentie van kind door ouders
o Veel boeken en technieken over succes, prestaties, …
o Sterke nadruk op prestaties in samenleving (onderwijs, werk, ...) → succes, status,
...
Maar... wat is intelligentie nu exact? We bekijken systematisch definities volgens de leek en de
(divergente) definities volgens de expert
7.2. DEFINITIE VOLGENS LEEK
Definitie volgens Leek1 = impliciete theorieën die mensen hanteren over wat intelligentie is (De
gemiddelde definitie die door het volk wordt gebruikt voor intelligentie) → Sternberg besteedde
hier veel aandacht aan; kwam met argumenten + voerde onderzoek hiernaar
1= de mens op de straat → Helpt ons begrijpen hoe we met culturele intelligentie best kunnen omgaan
pag. 1
,Argumenten voor belang van impliciete theorieën:
• Bepalen hoe we onszelf en anderen percipiëren en evalueren in dagelijks leven (wanneer
noemen we iemand slim/dom? Gaat dat over rekenen, taal of eerder over het sociale?)
• Kunnen onderzoek inspireren over structuur van intelligentie (vb. cultuurverschillen in
opvattingen over intelligentie ⭢ culturele invulling)
Onderzoek: wat verstaat leek onder intelligentie? (Sternberg et al., 1981)
● Twee fases
○ Op verschillende plaatsen aan leken vragen om intelligente en onintelligente
gedragingen op te noemen → lijst van 170 intelligente en 80 onintelligente zaken
○ Andere leken beoordelen deze gedragingen voor hoe typisch voor
(1) intelligentie, algemeen
(2) schoolse intelligentie
(3) alledaagse intelligentie2
➔ Hierop voerde men factoranalyse uit: welke eigenschappen correleren?
● Resultaten:
○ Factoranalyse levert 3 types intelligentie op die meespelen volgens de leek
▪ Oplossen praktische problemen: situatie analyseren en probleem
oplossen (vb. studeren: time management, efficiëntie, ook ontspanning,
fietsketting terug opzetten...)
▪ Verbale vaardigheden: duidelijke communicatie, vloeiend taalgebruik (vb.
overtuigen, beeldspraak, ...)
▪ Sociale vaardigheden: omgaan met, begrijpen en motiveren van anderen
(vb. goede leiders)3
○ Dezelfde procedure gedaan bij experten:
▪ Correlatie over scores op deze termen tussen leken en experts was
groot (.80)
▪ Mening van experts verschilt dus niet zo sterk van mening leken
▪ Experts: vooral nadruk op motivatie bij schoolse intelligentie
2Doel van deze ‘opdeling’ was om scores te kunnen kwantificeren en dus te gaan kijken of bepaalde zaken met
elkaar correleren; factoranalyse
3 Hier is dus overlap met persoonlijkheid; opdeling PH en intelligentie is dus ergens wat arbitrair
pag. 2
, ▪ Leken: vooral nadruk op het sociale bij alledaagse intelligentie
○ Relatief grote correlatie tussen de 3 verschillende factoren
▪ Onderzoekers deden dus oblieke rotatie (factoren niet onafhankelijk)
▪ Impliceert dat er iets gemeenschappelijks zou kunnen zijn bij alle drie
➔ Leken zien dus intelligentie als (1) oplossen van problemen (2) sociale
vaardigheden en (3) verbale vaardigheden
● Kritiek: dit is enkel westers (WEIRD) perspectief, wat met culturele verschillen?
○ Er zijn gelijkenissen tussen culturen (onafhankelijk denken, interesse,
probleemoplossend, ...)
○ Maar er zijn ook belangrijke verschillen inzake impliciete theorieën over
intelligentie
■ Westen: Nadruk op individu en prestatie & snelheid daarvan
■ Confucianisme (rond China): nadruk op filantropie, menslievendheid
■ Taoïsme (yin/yang): bescheidenheid, aandacht voor geheel (holistisch)
■ India: eenheid van gedachten → alles convergeert in gedachten
■ Zambia: sociale verantwoordelijkheid, samenwerking, weinig spreken
➔ In deze culturen worden bovenstaande eigenschappen gezien als intelligentie
➔ Maar let wel op: de definitie over intelligentie wordt nog steeds sterk bepaald door leken
7.3. DEFINITIE VOLGENS EXPERTS
7.3.1 SYMPOSIA 1921 EN 1986
Men wou tot eenheid komen in de wetenschap omtrent het begrip intelligentie, hiervoor werden
symposia georganiseerd
● 1921: uitnodiging aan bekende experts destijds door tijdschrift
o Onder andere : Thorndike, Terman
o Nog steeds heterogene verklaringen: van ‘de kracht om correcte antwoorden te
geven’ tot ‘mogelijkheid om abstract te denken’
● 1986: boek door Sternberg ‘What is intelligence?’
o Laat 24 experten een definitie vormen
▪ Capaciteit tot aanpassen aan omgeving
▪ Capaciteit om capaciteiten te verwerven
▪ …
o Opnieuw zeer heterogeen: unitair VS veelvormig, verschillende nadrukken, …
pag. 3
, ▪ Is intelligentie unitair? – Nogsteeds controversieel → Bestaat er zoiets als
algemene intelligentie?
✓ Zijn die verschillen aanwezig in één dimensie, die een rol speelt in
meerdere dimensies?
o Maar ook overlap
▪ Aanpassen aan omgeving
▪ Zowel basale processen (vb. geheugen) als hogere
processen/metacognitie (redeneren, abstract denken, ...)
○ Verschuivingen in vergelijking met 1921
▪
Metacognitie > kennis (passief opgedaan)
✓ Meer focus op het nadenken van problemen, dan de kennis
slechts hebben
▪ Erkennen van belang van cultuur in definitie vorming universele definitie
➔ Besluit: veel heterogeniteit én overlap, maar weinig houvast
➔ Alternatieven…
7.3.2 OPERATIONELE DEFINITIE VAN BORING (1923)
Boring vond dat de conceptuele discussie een dovemansgesprek werd; gooide het over een
andere boeg
• ‘Intelligentie = de uitkomst op de test, hetgeen de test meet’
• Operationele definitie (Het is concreet en tastbaar) i.p.v. conceptueel
• Maar veel kritiek/ problemen
o Over welke test gaat het? Zijn testen wel vergelijkbaar?
o Probleem van circulariteit4t: intelligentie = wat test meet = intelligentie = ...
➔ Wordt toch zeer vaak gebruikt in praktijk
7.3.3 DEFINITIE VAN STERNBERG (1985)
Robert Sternberg
• Een van de meest vooraanstaande onderzoekers omtrent intelligentie
• Eredoctoraat KUL
• Had niet per se een juiste, maar wel zeer brede definitie
• Baseert zich op Binet ( Plato Aristoteles)
o Wetenschapsfilosofisch idee
o Als we iets willen definiëren, moet dat op 3 manieren: verwijzen naar…
▪ Omstandigheden: oorsprong, omstandigheden waarin het optreedt
▪ Aard, bestanddelen
▪ Gevolgen, effecten
4 We krijgen niet vlot een antwoord → een cirkel gaat telkens rond
pag. 4