1. De evolutie theorie met natuurlijke selectie wordt door verschillende bevindingen
ondersteund. Dat bacteriën resistent zijn geworden voor antibiotica is een voorbeeld
van…
A. Erfelijkheid, overleving en voortplantingspercentages
B. Strijd om het bestaan
C. Variatie, mutatie, erfelijkheid, strijd om het bestaan, overleving en
voortplantingssnelheid
2. Wat is de tegenovergestelde DNA-streng voor C – T – A – A – T – G – T ?
A. T – C – G – G – C – A – C
B. A – G – C – C – G – T – G
C. G – A – T – T – A – C – A
[BP2: Endocrine and communication]
3. Het proces waarbij neurotransmitters worden vrijgelaten in de synaptische spleet
noemt
men …
A. Endocytosis
B. Exocytosis
C. Upregulatie
4. Er zijn verschillende soorten endocriene aandoeningen. Welke aandoening wordt
gekenmerkt door een verhoogde respons van de doel cel [‘target cell]’ op het hormoon?
A. Hypo-responsiviteit
B. Hyper-responsiviteit
C. Hyposecretie
2
5. Hormonen die worden geproduceerd in de bijnierschors (adrenal cortex) zijn
onderdeel van
…….?
A. Aminozuren (aminoacids)
, B. Cathecholamines
C. Steroïden
[BP4: Immune system]
6. Wat wordt bedoelt met de term ‘inflammatie’?
A. een mechanisme van aangeboren immuniteit dat warmte, pijn, roodheid, zwelling en
functieverlies veroorzaakt
B. een niet-specifiek afweermechanisme dat bestaat uit fysieke barrières en interne
afweermechanismen
C. deel van het immuunsysteem dat het vermogen van antilichamen en fagocytische
cellen
om microben uit een organisme te verwijderen aanvult, ontstekingen bevordert en het
plasmamembraan van de ziekteverwekker aanvalt
7. Welke cel typen zijn noodzakelijk voor een humorale [humoral] immuun reactie?
A. Mestcellen en Th cellen
B. Tcyt en B cellen
C. Th- en B cellen
3
[BP5: Homeostasis and feeding]
Wat kan je zeggen over de volgende twee stellingen?
8. Tijdens de postabsorptiefase komt glucose vrij door glycogenolyse
A. Waar
B. Niet waar
9. Tijdens de absorptiefase worden aminozuren gemetaboliseerd tot ketonen voor
opslag
A. Waar
B. Niet waar
[BP6: Psychopharmacology]
10. Welke van onderstaande is een enterale manier van toediening?