MENSEN MET EEN VERSTANDELIJKE BEPERKING
1. INLEIDING
1.1 TERMINOLOGIE
Van IQ naar bredere definitie
Vroeger werd een verstandelijke beperking vooral gemeten via het IQ. Vandaag wordt dit
gezien als te beperkt, omdat het alleen naar de persoon zelf kijkt en niet naar de omgeving.
De moderne definitie (Van Hove, 2024) bekijkt een verstandelijke beperking breder: het gaat
om hoe iemand functioneert binnen een maatschappelijke context, inclusief ondersteuning en
verwachtingen.
Volgens Van Hove zijn vier criteria belangrijk:
1. Er is een significante beperking in het individueel functioneren binnen een context met
verwachtingen en ondersteuning.
2. De persoon functioneert significant beneden het gemiddelde op intellectueel of
verstandelijk vlak met een IQ<70.
3. De persoon functioneert significant beneden het gemiddelde op adaptief gedrag
(alledaagse vaardigheden).
4. Een verstandelijke beperking is een ontwikkelingsproblematiek (vroeg verworven) met een
vertraagde of geblokkeerde ontwikkeling.
In de DSM-5 wordt ook niet alleen naar IQ gekeken, maar naar tekorten in intellectueel
functioneren en observaties van dagelijks leven.
SOCIAAL-ECOLOGISCHE VISIE
De huidige visie ziet een verstandelijke beperking niet alleen als cognitieve stoornis, maar als
een wisselwerking tussen persoon en omgeving:
→ Verwachtingen van de omgeving: Te hoge eisen kunnen uitsluiting veroorzaken; een
ondersteunende omgeving geeft kansen.
→ Ondersteuning in de omgeving: Mensen met een beperking zijn deels afhankelijk van
anderen; met aanpassingen en hulp kunnen ze volledig deelnemen aan de samenleving.
1
, 1.1.1 INTELLIGENTIE
Wat is intelligentie?
Intelligentie is een complex en gelaagd begrip dat moeilijk precies te meten is. Scores van
intelligentietests moeten dus voorzichtig geïnterpreteerd worden.
Hiërarchisch model van intelligentie
Vandaag wordt intelligentie vaak bekeken via een hiërarchisch model:
• Algemene intelligentie staat bovenaan.
• Brede cognitieve vaardigheden vormen het niveau daaronder.
Het bekendste model hiervan is het CHC-model.
Interpretatie van testresultaten
In plaats van enkel een score te geven, wordt intelligentie steeds vaker weergegeven via een
profiel, om de verschillende cognitieve vaardigheden en de breedte van intelligentie beter
zichtbaar te maken.
1.1.2 ADAPTIEF FUNCTIONEREN
Adaptief functioneren verwijst naar het vermogen van een persoon om zich aan te passen aan
dagelijkse uitdagingen, passend bij de leeftijd en maatschappelijke verwachtingen.
Drie domeinen van adaptief functioneren
1. CONCEPTUEEL DOMEIN – abstracte vaardigheden die beroep doen op het denkvermogen
zoals lezen, schrijven, rekenen, redeneren, kennis en geheugen.
2. SOCIAAL DOMEIN – sociaal-communicatieve vaardigheden die het contact en de interactie
met de andere versterkt zoals empathie, sociaal oordeel, communicatie en het
onderhouden van vriendschappen.
3. PRAKTISCH DOMEIN – dagelijkse taken in functie van zelfstandigheid, zelfredzaamheid
zoals zelfverzorging, werkverantwoordelijkheden, geldbeheer, ontspanning en organisatie
van school- of werkactiviteiten.
Samenhang met intelligentie
• Adaptief gedrag en intelligentie zijn afzonderlijk, maar wel samenhangende concepten
• Samenhang is sterkst bij jonge kinderen
• Grotere grijze zone dan enkel cijfermatige beoordeling
Een overzichtstabel in de les-PowerPoint verduidelijkt deze relatie verder.
ADAPTIEF FUNCTIONEREN
Via observatie- en vragenlijsten
BELANGRIJKE AANDACHTSPUNTEN:
• Observatie in verschillende situaties
• Observatie door verschillende personen (intersubjectiviteit)
• Lage kwaliteit huidig testmateriaal
2