Leerdoelen
• Begrijpen dat er verschillende processen zijn waarop het stervensproces van een
zorgontvanger medisch begeleid kan worden.
• De drie categorieën van medisch begeleid sterven toelichten.
• De verschillende keuzes in verband met het al dan niet curatief levensverlengend
handelen toelichten.
• De verschillende keuzes om aan pijn- en symptoomcontrole te doen toelichten.
• Het begrijp ‘totale pijn’ binnen de palliatieve zorg situeren.
• De verschillende keuzes van actieve levensbeëindiging toelichten.
• Het onderscheid maken tussen pijnbestrijding, palliatieve sedatie en actieve
levensbeëindiging.
• Omschrijven vanuit welk juridisch kader de vroegtijdige zorgplanning gegroeid is.
• De doelstellingen van vroegtijdige zorgplanning benoemen.
• Vroegtijdige zorgplanning omschrijven als een dynamisch proces.
• Aangeven wat een geschikt moment zou kunnen zijn om vroegtijdige zorgplanning
te bespreken.
• Aangeven hoe, waarover en met wie gesprekken rond vroegtijdige zorgplanning
idealiter gevoerd worden.
• De barrières van vroegtijdige zorgplanning benoemen en omschrijven.
• Duiden welke voordelen er met vroegtijdige zorgplanning gepaard gaan.
• De vijf verschillende wilsverklaringen in België benoemen en uitleggen
PowerPoint !!!
,Men onderscheidt drie grote categorieën van medisch begeleid sterven:
1. Keuzes in verband met curatief of levensverlengend handelen: wordt een dergelijke
behandeling opgestart of nagelaten, voortgezet of gestaakt?
2. Keuzes in verband met palliatief handelen en symptoomcontrole: het geheel van
behandelingen dat erop gericht is op een actieve wijze de levenskwaliteit en het
comfort van de ongeneeslijk zieke zorgontvanger te maximaliseren.
3. Keuzes in verband met actieve levensbeëindiging, waarbij doelgericht letale
medicatie wordt toegediend.
4.1 Al of niet curatief of levensverlengend handelen
Hieronder vallen volgende beslissingen:
, 1. Het opstarten of voortzetten van een curatieve of levensverlengende
behandeling.
2. Niet behandelbeslissing: “het staken of nalaten van een curatieve of
levensverlengende behandeling omdat deze behandeling in de gegeven situatie
als niet langer zinvol of doeltreffend wordt beoordeeld”
3. Weigering van behandeling: “het staken of nalaten van een curatieve of
levensverlengende behandeling omdat de patiënt deze behandeling weigert”
Bij 1. en 2. is het in een vergevorderd stadium van een levensbedreigende ziekte zelden
perfect duidelijk wat de reële kansen op succes zijn en wat als 100% zinvol of 100%
zinloos moet bestempeld worden
- hangt af van de waarden van het individu /menswaardig/ levenskwaliteit…
beslissingen omtrent curatieve of levensverlengende behandelingen kunnen 2 richtingen
uitgaan.
Men kiest om een bepaalde behandeling te staken of na te laten (2.)
Men kiest om een behandeling op genezing of levensverlening gerichte
behandeling voort te zetten of op te starten (1.) = geïnformeerde
toestemming van de wilsbekwame zorgontvanger)
Achter een beslissing tot voortzetten of opstarten kan ook therapeutische hardnekkigheid
schuilgaan.
Therapeutische hardnekkigheid = wanneer een curatieve of
levensverlengende behandeling wordt opgestart of voortgezet waarvan algemeen
wordt aangenomen dat deze in de gegeven situatie niet langer doeltreffend of
zinvol is.
Het is nodig om de zorgontvanger (of bij een wilsonbekwame zorgontvanger, de naasten)
in de het beslissingsproces te betrekken! ( geldt ook voor de DNR-codes)
Bij de derde categorie “Weigering van behandeling” is er de weigering van de
wilsbekwame zorgontvanger die moet gerespecteerd worden (wet van patientenrechten)
, 4.2 Pijn- en symptoomcontrole
Als de behandeling van een levensbedreigende aandoening niet het verhoopte succes
heeft, verschuift de aanpak naar een palliatieve benadering.
o Hier worden we geconfronteerd met ethische vragen en beslissingen met
betrekking tot pijn- en symptoomcontrole.
We bekijken binnen de palliatieve zorg de “totale pijn”, ruimer dan de fysieke pijn alleen
Pijnbestrijding wordt dan ook in het begrippenkader gedefinieerd als:
”het toedienen van analgetica en/of andere medicatie in doseringen en combinaties vereist om pijn op
adequate wijze te controleren”.
pijn- en symptoomcontrole (waaronder pijnbestrijding en palliatieve sedatie) is
fundamenteel anders dan actieve levensbeëindiging. Het verschil blijkt op drie niveaus:
intentie, handeling en resultaat.
1. Pijnbestrijding
Intentie: behandelen van pijn / symptoomverlichting.
Handeling: toedienen van medicatie in proportionele doses “zoveel als nodig” om
pijn onder controle te krijgen.
Resultaat: levensverkorting is hooguit zeer uitzonderlijk; het primaire doel is
symptoomcontrole
- Belangrijk: het intensiveren van pijnmedicatie met de intentie om het leven te
bespoedigen is géén pijnbestrijding.
2. Palliatieve sedatie
Intentie: behandelen van (refractaire) symptomen die niet anders onder controle
zijn te brengen.
Handeling: toedienen van sedativa in doses/combinaties die het bewustzijn
verlagen zodat de symptomen adequaat beheersbaar worden (continu of
intermitterend).
Resultaat: levensverkorting is mogelijk maar uitzonderlijk; het doel is
symptoomcontrole, niet levensbeëindiging.
- Toepassing: alleen bij refractaire symptomen na beoordeling door een
gespecialiseerd team.
- Palliatieve sedatie wordt in het begrippenkader gedefinieerd als: “Het toedienen
van sedativa in doseringen en combinaties die vereist zijn om het bewustzijn van een terminale
patiënt zoveel te verlagen als nodig om één of meerdere refractaire symptomen op adequate wijze
te controleren”.
- Palliatieve sedatie kan continu of intermittent zijn. Het is een bijzondere vorm
van symptoomcontrole omdat het de intentie is van de arts om symptomen te
bestrijden (niet leven te beëindigen)
3. Actieve levensbeëindiging
Intentie: het beëindigen van het leven.
Handeling: toedienen van hoeveelheden die het leven beëindigen.
Resultaat: directe levensbeëindiging (per definitie levensverkortend).