INHOUD
Deel I: Micro-organismen: het genoom en het monitoren van de groei.................................................... 2
Deel 1.1: Prokaryote structuren visualiseren in het lab ...................................................................... 2
Deel 1.2: Structuur en functie microbiële genomen opgehelderd ....................................................... 7
Deel 1.3: Micro-organismen als tool voor identificatie mutagenen ................................................... 13
Deel 1.4 : De groei en monitoring van microbiële culturen ............................................................... 16
Deel 2: Micro-organismen en de gastheer .......................................................................................... 23
2.1: Micro-organismen identificeren............................................................................................... 23
2.2: Infectie, infectieziekten en epidemiologie ................................................................................ 31
2.3: De controle van microbiële groei in het lichaam ....................................................................... 39
2.4: Pathogenen in beeld ............................................................................................................... 46
2.5: Virussen................................................................................................................................. 53
,MICROBIOLOGIE
DEEL I: MICRO-ORGANISMEN: HET GENOOM EN HET MONITOREN VAN DE GROEI
DEEL 1.1: PROKARYOTE STRUCTUREN VISUALISEREN IN HET LAB
Micriobiologie : studie micro organismen (niet te zien met blote oog, wel microscoop)
1. Bacteriën (Studie: Bacteriologie)
• Kenmerken: Eenvoudige, eencellige organismen; leven veel verschillende
omgevingen en missen echte celkern en meeste organellen (prokaryoten).
• Voorbeeld: E. coli.
2. Virussen (Studie: Virologie)
• Kenmerken: Bestaan uit nucleïnezuur en eiwit; niet zelfstandig; voortplanten
binnenin levende cellen (obligate intracellulaire parasieten).
• Voorbeeld: HIV.
3. Schimmels/ Fungi (Studie: Mycologie)
• Kenmerken: Eenvoudige, niet-groene, plantachtige organismen.
o Eencellig = gisten.
o Draadvormig = schimmels (molds).
• Voorbeeld: Bakkergist (Saccharomyces cerevisiae).
4. Protozoa (Studie: Protozoölogie)
• Kenmerken: Eencellige, dierlijke organismen; meestal eukaryoot
(hebben celkern).
• Voorbeeld: Pantoffeldiertje (Paramecium).
5. Algen (Studie: Algologie)
• Kenmerken: Eenvoudige waterplanten; niet parasitair en doen aan fotosynthese.
• Voorbeeld: Chlamydomonas.
,Prokaryote cel
• Vormen bacteriën:
o Coccen (bolvormig) ; Bacilli (staafvormig); Spiraal
Inclusion = plasmide (klein stukje extra DNA), maar niet alle
prokaryoten hebben dit.
Verschillen: Prokaryoot vs. Eukaryoot
Kenmerk Prokaryoot (Bacterie) Eukaryoot (Dier/Plant/Schimmel)
Grootte Kleiner (0.2 - 2.0 µm) Groter (10 - 100 µm)
Kern (Nucleus) Nee (ook geen kernmembraan) Ja (echte kern met membraan)
Aanwezig (bijv. lysosomen, Golgi,
Organellen Afwezig
mitochondria, chloroplast, ER)
Meestal aanwezig & chemisch
Celwand complex (peptidoglycan) + Indien aanwezig, chemisch simpel
capsule
Wel sterolen en koolhydraten
Plasma-membraan (PM) Geen K + meestal geen S
(receptoren).
Cytoplasma Geen CS Cytoskelet + cytoplasmastroming
Kleiner formaat (70S); Groter (80S); organellen (zoals
Ribosomen
eiwitsynthese mitochondria) hebben 70S.
Meerdere lineaire chromosomen; met
Eén enkel cirkelvormig
Chromosomen (DNA) histonen (eiwitten waar DNA omheen
chromosoom; zonder histonen.
wikkelt).
Celdeling Binaire deling (Binary fission). Mitose
Geen meiose; alleen
Seksuele voortplanting Inclusief meiose.
overdracht DNA-fragmenten.
2 eiwit bouwstenen
Flagella (+Fimbriae ; voortbeweging en Complex; meerdere microtubuli
hechting)
Glycocalyx Als kapsel of slijmlaag Bij sommige cellen zonder celwand
, Celwand
Karakteristiek Gram-Positief Gram-Negatief
Behoudt kristalviolet kleurstof en Ontkleurd en neemt tegenkleuring
Gram-reactie
kleurt paars. (safranine) op; rood.
Dik (meerlaags); herhalende
Dun (enkellaags): gevoelig afbraak ;
Peptidoglycaanlaag dissacharide (NAG+NAM) met suiker-
verbonden via lipoproteïne in
(PG) ruggengraat verbonden via
buitenmembraan
polypeptides en tetrapeptide zijketens
Teichoïnezuren
Aanwezig in vele soorten (Lipo en
(alchohol + Afwezig
Wand)
fosfaatgroep)
Periplasmatische Aanwezig (tsn PG en PM; veel
Afwezig
ruimte enzymen en transportprot)
Aanwezig (met LPS, fosfoliiden en
Buitenmembraan Afwezig
lipoproteïnen)
Lipopolysaccharide Hoog (Lipide A: endotoxine bij
Vrijwel geen
(LPS) gehalte cellysis en O-PS als antigeen)
Laag (zuurvaste bacteriën hebben
Lipide en lipoproteïne Hoog (vanwege aanwezigheid
lipiden gekoppeld aan
gehalte buitenmembraan)
peptidoglycaan)
Flagellen structuur 2 ringen in basislichaampje 4 ringen in basislichaampje
Voornamelijk exotoxines
Geproduceerde (metaalproduct groeiendecel;
Voornamelijk endotoxines
toxines (via cellysis) gesecreteerd via kanalen in medium
of via cellysis)
Porines Afwezig Aanwezig (permeabel kanaal)
Weerstand fysieke
Hoog Laag
verstoring
Celwandverstoring Laag (vereist voorbehandeling om
Hoog
door lysozym buitenmembraan te destabiliseren)
Gevoeligheid voor
penicilline en Hoog Laag
sulfonamide
Gevoeligheid voor
streptomycine,
Laag Hoog
chlooramfenicol en
tetracycline
Remming door
Hoog Laag
basische kleurstoffen
Gevoeligheid voor
anionische Hoog Laag
detergenten
Weerstand tegen
Hoog Laag
natriumazide
Weerstand tegen
Hoog Laag
uitdroging
➔ Gevoelig andere antibiotica
Deel I: Micro-organismen: het genoom en het monitoren van de groei.................................................... 2
Deel 1.1: Prokaryote structuren visualiseren in het lab ...................................................................... 2
Deel 1.2: Structuur en functie microbiële genomen opgehelderd ....................................................... 7
Deel 1.3: Micro-organismen als tool voor identificatie mutagenen ................................................... 13
Deel 1.4 : De groei en monitoring van microbiële culturen ............................................................... 16
Deel 2: Micro-organismen en de gastheer .......................................................................................... 23
2.1: Micro-organismen identificeren............................................................................................... 23
2.2: Infectie, infectieziekten en epidemiologie ................................................................................ 31
2.3: De controle van microbiële groei in het lichaam ....................................................................... 39
2.4: Pathogenen in beeld ............................................................................................................... 46
2.5: Virussen................................................................................................................................. 53
,MICROBIOLOGIE
DEEL I: MICRO-ORGANISMEN: HET GENOOM EN HET MONITOREN VAN DE GROEI
DEEL 1.1: PROKARYOTE STRUCTUREN VISUALISEREN IN HET LAB
Micriobiologie : studie micro organismen (niet te zien met blote oog, wel microscoop)
1. Bacteriën (Studie: Bacteriologie)
• Kenmerken: Eenvoudige, eencellige organismen; leven veel verschillende
omgevingen en missen echte celkern en meeste organellen (prokaryoten).
• Voorbeeld: E. coli.
2. Virussen (Studie: Virologie)
• Kenmerken: Bestaan uit nucleïnezuur en eiwit; niet zelfstandig; voortplanten
binnenin levende cellen (obligate intracellulaire parasieten).
• Voorbeeld: HIV.
3. Schimmels/ Fungi (Studie: Mycologie)
• Kenmerken: Eenvoudige, niet-groene, plantachtige organismen.
o Eencellig = gisten.
o Draadvormig = schimmels (molds).
• Voorbeeld: Bakkergist (Saccharomyces cerevisiae).
4. Protozoa (Studie: Protozoölogie)
• Kenmerken: Eencellige, dierlijke organismen; meestal eukaryoot
(hebben celkern).
• Voorbeeld: Pantoffeldiertje (Paramecium).
5. Algen (Studie: Algologie)
• Kenmerken: Eenvoudige waterplanten; niet parasitair en doen aan fotosynthese.
• Voorbeeld: Chlamydomonas.
,Prokaryote cel
• Vormen bacteriën:
o Coccen (bolvormig) ; Bacilli (staafvormig); Spiraal
Inclusion = plasmide (klein stukje extra DNA), maar niet alle
prokaryoten hebben dit.
Verschillen: Prokaryoot vs. Eukaryoot
Kenmerk Prokaryoot (Bacterie) Eukaryoot (Dier/Plant/Schimmel)
Grootte Kleiner (0.2 - 2.0 µm) Groter (10 - 100 µm)
Kern (Nucleus) Nee (ook geen kernmembraan) Ja (echte kern met membraan)
Aanwezig (bijv. lysosomen, Golgi,
Organellen Afwezig
mitochondria, chloroplast, ER)
Meestal aanwezig & chemisch
Celwand complex (peptidoglycan) + Indien aanwezig, chemisch simpel
capsule
Wel sterolen en koolhydraten
Plasma-membraan (PM) Geen K + meestal geen S
(receptoren).
Cytoplasma Geen CS Cytoskelet + cytoplasmastroming
Kleiner formaat (70S); Groter (80S); organellen (zoals
Ribosomen
eiwitsynthese mitochondria) hebben 70S.
Meerdere lineaire chromosomen; met
Eén enkel cirkelvormig
Chromosomen (DNA) histonen (eiwitten waar DNA omheen
chromosoom; zonder histonen.
wikkelt).
Celdeling Binaire deling (Binary fission). Mitose
Geen meiose; alleen
Seksuele voortplanting Inclusief meiose.
overdracht DNA-fragmenten.
2 eiwit bouwstenen
Flagella (+Fimbriae ; voortbeweging en Complex; meerdere microtubuli
hechting)
Glycocalyx Als kapsel of slijmlaag Bij sommige cellen zonder celwand
, Celwand
Karakteristiek Gram-Positief Gram-Negatief
Behoudt kristalviolet kleurstof en Ontkleurd en neemt tegenkleuring
Gram-reactie
kleurt paars. (safranine) op; rood.
Dik (meerlaags); herhalende
Dun (enkellaags): gevoelig afbraak ;
Peptidoglycaanlaag dissacharide (NAG+NAM) met suiker-
verbonden via lipoproteïne in
(PG) ruggengraat verbonden via
buitenmembraan
polypeptides en tetrapeptide zijketens
Teichoïnezuren
Aanwezig in vele soorten (Lipo en
(alchohol + Afwezig
Wand)
fosfaatgroep)
Periplasmatische Aanwezig (tsn PG en PM; veel
Afwezig
ruimte enzymen en transportprot)
Aanwezig (met LPS, fosfoliiden en
Buitenmembraan Afwezig
lipoproteïnen)
Lipopolysaccharide Hoog (Lipide A: endotoxine bij
Vrijwel geen
(LPS) gehalte cellysis en O-PS als antigeen)
Laag (zuurvaste bacteriën hebben
Lipide en lipoproteïne Hoog (vanwege aanwezigheid
lipiden gekoppeld aan
gehalte buitenmembraan)
peptidoglycaan)
Flagellen structuur 2 ringen in basislichaampje 4 ringen in basislichaampje
Voornamelijk exotoxines
Geproduceerde (metaalproduct groeiendecel;
Voornamelijk endotoxines
toxines (via cellysis) gesecreteerd via kanalen in medium
of via cellysis)
Porines Afwezig Aanwezig (permeabel kanaal)
Weerstand fysieke
Hoog Laag
verstoring
Celwandverstoring Laag (vereist voorbehandeling om
Hoog
door lysozym buitenmembraan te destabiliseren)
Gevoeligheid voor
penicilline en Hoog Laag
sulfonamide
Gevoeligheid voor
streptomycine,
Laag Hoog
chlooramfenicol en
tetracycline
Remming door
Hoog Laag
basische kleurstoffen
Gevoeligheid voor
anionische Hoog Laag
detergenten
Weerstand tegen
Hoog Laag
natriumazide
Weerstand tegen
Hoog Laag
uitdroging
➔ Gevoelig andere antibiotica