Installatie v/d waarheid buiten de mens
Geboortedatum & sterfdatums niet kennen (enkel eeuwen)
Bij studeren altijd eerst afvragen: Wat is het probleem v/d filosofie?
Focus buiten de mens, antieke tijd en middeleeuwen andere ideologie over ‘buiten de mens’
Vb waarheidsvraag: “Wat is nu rechtvaardig?”
1. Antieke tijd
-In de Antieke tijd ontstaat de waarheid als een vast gegeven, vaste grond of fundament. We moeten
teruggaan naar hoe de antieken dachten over het begrip ‘veiligheid’ om dit op de dag van vandaag duidelijk
te snappen.
1.1 Plato
1. Plato (427-347 v C.) en Aristoteles wou een verband zien tussen het zijn en
niet-zijn van Parmenides en de kloof onderzoeken.
=Plato was het eens met de uitspraak van Parmenides en wou voor dit probleem een oplossing bedenken
2. Kritiek op het morele relativisme v/d sofisten
(Socrates was de leermeester van Plato)
Moreel→ hoe moet ik me gedragen om me goed te gedragen (ethiek)
Door te doen wat juist is, leren we onze wereld kennen
Relatief→ afhankelijk van iets anders (in deze context: de uitspraken van de sofisten die in verband
worden gebracht met zichzelf)
Sofisten→ rondtrekkende leraars die jeugd met politieke ambities gingen opleiden/voorbereiden
De focus van die sofisten ligt op de taal, de kunst v/h spreken, argumenteren en overtuigen (bv: hoe
moet je non-verbaal communiceren om iemand te overtuigen over een bepaalde zaak)
Sofisten zijn van het idee dat er geen maatstaf (=beoordeelde normen) bestaat, dus m.a.w. dat er geen
specifiek antwoord is op wat net goed of fout is. Ze legde hierbij het verband met het feit dat er tussen
verschillende culturen andere tradities en gewoontes bestonden.
Vraag van Socrates= Wat is rechtvaardigheid echt en wat is het goede? (filosofische benadering)
Plato breidde de vraag van Socrates uit naar→ Wat is de werkelijkheid nu echt? Wat is het fundament?
Plato vond het merkwaardig dat morele normen en waarden eigenlijk worden doorgegeven via
opvoeding, want we geven generatie op generatie waarden door, maar zonder dat degene aan wie we
waarden doorgeven (het kind) eigenlijk de kennis over die waarden heeft.
Hij vindt de sofisten hun meningen relatief, hij wil ruimer denken dan de morele kwesties om zo te de
ware kennis v/d werkelijkheid vorm te geven.
1
,Les 2 Installatie van de waarheid Filosofie
3. De werkelijkheid ordenen vanuit 2 werelden
Plato wil de werkelijkheid kunnen verstaan, ergens ordenen en inzichtelijk maken
Plato vertrekt vanuit een bepaald vermoeden (dat van Parmenides), die in vraag stelt: “Kan het niet-zijn
niet ook een beetje zijn?” (niet kunnen redeneren op basis van zintuigelijke waarneming) (geniale
redenering van Plato)
Hij wil het niet-zijn beschouwen als de mimèsis van het ‘zijn’, mimèsis= een nabootsing, een schaduw.
De logos (=ons spreken) heeft betrekking op de schaduw van het zijn (namelijk de ideeën), NIET op het zijn
zelf.
Plato wil de werkelijkheid in 2 trekken door 2 verschillende werelden te maken
1) de wereld die we zien (via zintuigelijke waarneming)
2) de wereld van onze verbanden (ideeën)
Deze 2 werelden samen construeren onze werkelijkheid
Bv: metafoor van de boom: een boom verandert door de maanden heen, maar blijft wel een boom. We
krijgen een andere blik op de boom, maar door ons inzicht kunnen we vaststellen dat dit dezelfde boom
blijft. Onze zintuiglijke waarneming van de boom is dus veranderd, maar ons idee dat precies dat object
nog steeds dezelfde boom is, is niet veranderd.
Dat idee is de volmaakte vorm (van de boom) die een onveranderlijk karakter heeft. Dat diezelfde boom
door de maanden heen verandert, behoort tot de schaduw van zijn volmaakte vorm.
Zo legt Plato dus het verband met het zijn en het niet-zijn: het is een mimèsis.
4. Ideeën als ordeningsprincipes: Orde en het eerste principe v/d orde
Basis: We weten nu dat onze zintuiglijke waarneming eigenlijk een afschaduw is van onze ideeën
(participatie). Ideeën ordenen onze zintuiglijke wereld. Door die orde (verzamelnaam van ideeën te
begrijpen)→ leren we onze wereld kennen.
Metafoor v/h paard
Een groot wit, klein zwart of een vuil bruin paard→ zien we allemaal als een paard
Plato maakt een geniale redenering→ Wat is het verband tussen de 3 paarden? Waarom zien we die 3
schepsels alle 3 als een paard, ondanks dat ze totaal verschillend zijn van elkaar?
Dat verband= een idee (volgens de geniale redenering van Plato van de verschillende paarden)
=Niet-zintuigelijk verband (dus idee) tussen de verschillende verschijningsvormen
Kruisjes= de ideewereld met een hiërarchie in
Niet-zijn= zintuiglijke wereld
Zijn= transcendent (gaat boven) over niet-zijn
2
, Les 2 Installatie van de waarheid Filosofie
We herkennen de volmaakte vorm, het vast karakter v/h paard ook al kunnen we die niet zien.
Zwarte, witte en bruine paard zijn alle 3 volmaakte vorm van het vast karakter ‘paard’ (=het zijn).
De onderlinge verwevenheid van de ideeën noemt Plato ‘een gemeenschap’, dit betekent dat ideeën niet
op zichzelf staan, maar met elkaar verbonden zijn en samen een geheel vormen.
Het idee v/h goede/volmaakte is de algemene vorm van de andere ideeën in de hiërarchische piramide
(transcendent op de onderliggende ideeën).
Het grote witte paard participeert aan een bepaald idee.
De onderliggende ideeën hebben het volmaakte idee als gemeenschappelijke factor.
Het idee v/h volmaakte houdt de ‘ideewereld’ v/d onderliggende ideeën vast.
God is in dit tijdperk nog geen schepper MAAR het machtige, ware, volmaakte (idee).
5. 1.2 Allegorie van de grot
Hert L. Spiegel (ed. Wetsein) 17de eeuw
Allegorie→ metafoor
“Eigenlijk zitten we allemaal gevangen in een grot”
• We zitten allemaal in die grot met onze neus naar dezelfde richting te kijken
• Waar onze neus naartoe kijkt, is onze dagdagelijkse gedachtegang.
• De mens in geneigd om altijd hetzelfde te doen, routine te vinden in het leven.
MAAR 1 persoon (de filosoof) draait zich om in de grot (metafoor) naar het licht, wat ziet hij? =NIKS
Wat de filosoof vaststelt: degene met de neus in dezelfde richting ziet enkel een schaduw van wat de
wereld daadwerkelijk is.
Betekenis v/d metafoor: door ons te draaien uit de grot nemen we afstand van het vanzelfsprekende en
gaan we ‘het moeilijke’ of ‘ongewone’ proberen te begrijpen. Dit is de basistaak v/d filosoof.
3