Peuter- en kleutertijd
(2 – 6jaar)
Je hebt noties van de hersenveranderingen en kan in grote lijnen de
motorische ontwikkeling schetsen en kan voorbeelden noemen van grofmotorische
en fijnmotorische vaardigheden die ze leren beheersen.
Hersenveranderingen en motorische ontwikkeling
Doordat het hoofd in verhouding kleiner wordt, verschuift het
evenwichtscentrum naar de romp. Dit geeft kinderen meer stabiliteit en
samen met een betere coördinatie van de ledematen zorgt dit voor nieuwe
motorische mijlpalen. Het lichaam gaat al meer functioneren zoals dat
van een volwassene: de tred wordt soepeler en bewegingen minder
houterig.
Grofmotorische vaardigheden
• Rennen door bochten en plots stoppen
• Verder en hoger springen
• Huppelen
• Verbeterde balvaardigheid (gooien met hele lichaam, niet enkel
handen)
• Leren fietsen
Fijnmotorische vaardigheden
• Zelfredzaamheid: kledij aan- en uittrekken, knopen openen/sluiten,
veters strikken (einde PKT)
• Zelfstandig eten met mes en vork
• Constructievaardigheden: knippen met schaar, lijmen, tekenen,
kleuren
• Oog-handcoördinatie oefenen → voorbereiding op leren schrijven
• Aan het eind van de PKT: eigen naam in drukletters schrijven
Sekseverschillen
• Meisjes: vaak iets beter in fijnmotoriek
• Jongens: vaak iets beter in grofmotoriek
• Verschillen zijn klein en grotendeels beïnvloed door opvoeding
(jongens mogen wilder spelen, meisjes rustiger).
• Geen reden om jongens en meisjes apart te nemen voor turnlessen.
, Je kent de belangrijkste verwezenlijkingen en problemen volgens Piaget en kan
dit koppelen aan educatie als zorgverlener.
Verwezenlijkingen
• Symbolisch denken: kinderen gebruiken symbolen om iets anders te
vertegenwoordigen (speelgoedauto = echte auto, woord “hond” =
dier).
• Alsof-spel: stoelen worden een trein, fantasie en creativiteit
nemen toe.
• Gebruik van pictogrammen: kinderen leren dat een symbool staat voor
een betekenis.
• Rijke fantasie: spel en verbeelding worden steeds complexer.
Problemen / denkfouten
• Centratie: focussen op één aspect, bv. vloeistofniveau in glas →
gebrek aan conservatie.
• Gebrek aan transformatie: moeilijk proces van verandering inbeelden
(bv. vallend potlood, snelheid van auto).
• Gebrek aan reversibiliteit: handelingen niet in gedachten kunnen
terugdraaien (nodig voor rekenen).
• Intuïtieve maar foutieve redeneringen: “chocomelk komt van bruine
koeien”, “blaadjes waaien weg omdat ze bang zijn”.
• Magisch denken: gedachten of wensen lijken invloed te hebben op
werkelijkheid (monsters onder bed, schaduw komt tot leven).
Educatie als zorgverlener
• Kind = actieve deelnemer = betrek kinderen actief bij hun zorg (bv
uitleg geven, laten kiezen, spel gebruiken)
• Kinderen zijn vatbaar voor fantasie en misvattingen.
• Belangrijk om verklaringen van kinderen te toetsen en zorgvuldige
uitleg op maat te geven.
• Voorbeelden: kind denkt dat ziekte/dood van ouder zijn schuld is,
of dat een infuus een echte slang is.
• Gebruik van boekjes en beeldmateriaal kan helpen om correcte uitleg
te geven.
Imaginaire vriend
• Onzichtbare vriend of knuffel met menselijke eigenschappen.
• Komt vaker voor bij enige kinderen of na ingrijpende gebeurtenissen
(bv. ziekenhuisopname).
• Verdwijnt meestal rond 5–7 jaar wanneer realiteitsbesef sterker
wordt.
(2 – 6jaar)
Je hebt noties van de hersenveranderingen en kan in grote lijnen de
motorische ontwikkeling schetsen en kan voorbeelden noemen van grofmotorische
en fijnmotorische vaardigheden die ze leren beheersen.
Hersenveranderingen en motorische ontwikkeling
Doordat het hoofd in verhouding kleiner wordt, verschuift het
evenwichtscentrum naar de romp. Dit geeft kinderen meer stabiliteit en
samen met een betere coördinatie van de ledematen zorgt dit voor nieuwe
motorische mijlpalen. Het lichaam gaat al meer functioneren zoals dat
van een volwassene: de tred wordt soepeler en bewegingen minder
houterig.
Grofmotorische vaardigheden
• Rennen door bochten en plots stoppen
• Verder en hoger springen
• Huppelen
• Verbeterde balvaardigheid (gooien met hele lichaam, niet enkel
handen)
• Leren fietsen
Fijnmotorische vaardigheden
• Zelfredzaamheid: kledij aan- en uittrekken, knopen openen/sluiten,
veters strikken (einde PKT)
• Zelfstandig eten met mes en vork
• Constructievaardigheden: knippen met schaar, lijmen, tekenen,
kleuren
• Oog-handcoördinatie oefenen → voorbereiding op leren schrijven
• Aan het eind van de PKT: eigen naam in drukletters schrijven
Sekseverschillen
• Meisjes: vaak iets beter in fijnmotoriek
• Jongens: vaak iets beter in grofmotoriek
• Verschillen zijn klein en grotendeels beïnvloed door opvoeding
(jongens mogen wilder spelen, meisjes rustiger).
• Geen reden om jongens en meisjes apart te nemen voor turnlessen.
, Je kent de belangrijkste verwezenlijkingen en problemen volgens Piaget en kan
dit koppelen aan educatie als zorgverlener.
Verwezenlijkingen
• Symbolisch denken: kinderen gebruiken symbolen om iets anders te
vertegenwoordigen (speelgoedauto = echte auto, woord “hond” =
dier).
• Alsof-spel: stoelen worden een trein, fantasie en creativiteit
nemen toe.
• Gebruik van pictogrammen: kinderen leren dat een symbool staat voor
een betekenis.
• Rijke fantasie: spel en verbeelding worden steeds complexer.
Problemen / denkfouten
• Centratie: focussen op één aspect, bv. vloeistofniveau in glas →
gebrek aan conservatie.
• Gebrek aan transformatie: moeilijk proces van verandering inbeelden
(bv. vallend potlood, snelheid van auto).
• Gebrek aan reversibiliteit: handelingen niet in gedachten kunnen
terugdraaien (nodig voor rekenen).
• Intuïtieve maar foutieve redeneringen: “chocomelk komt van bruine
koeien”, “blaadjes waaien weg omdat ze bang zijn”.
• Magisch denken: gedachten of wensen lijken invloed te hebben op
werkelijkheid (monsters onder bed, schaduw komt tot leven).
Educatie als zorgverlener
• Kind = actieve deelnemer = betrek kinderen actief bij hun zorg (bv
uitleg geven, laten kiezen, spel gebruiken)
• Kinderen zijn vatbaar voor fantasie en misvattingen.
• Belangrijk om verklaringen van kinderen te toetsen en zorgvuldige
uitleg op maat te geven.
• Voorbeelden: kind denkt dat ziekte/dood van ouder zijn schuld is,
of dat een infuus een echte slang is.
• Gebruik van boekjes en beeldmateriaal kan helpen om correcte uitleg
te geven.
Imaginaire vriend
• Onzichtbare vriend of knuffel met menselijke eigenschappen.
• Komt vaker voor bij enige kinderen of na ingrijpende gebeurtenissen
(bv. ziekenhuisopname).
• Verdwijnt meestal rond 5–7 jaar wanneer realiteitsbesef sterker
wordt.