Rédigé par des étudiants ayant réussi Disponible immédiatement après paiement Lire en ligne ou en PDF Mauvais document ? Échangez-le gratuitement 4,6 TrustPilot
logo-home
Document preview thumbnail
Aperçu 4 sur 56 pages
Resume

Samenvatting Sociale Psychologie | Hoofdstuk 1 | Thomas More | 2026/27

Document preview thumbnail
Aperçu 4 sur 56 pages

Studiemateriaal voor Sociale Psychologie aan Thomas More Hogeschool, gericht op Toegepaste Psychologie. Het document behandelt Hoofdstuk 1 over de studieobjecten van sociale psychologie, inclusief kernconcepten zoals sociale deprivatie, het ABC-model, interpersoonlijke communicatie, en de drie onderzoeksmethodes (begrijpende methode, correlatie, en experimentele methode). Deze aantekeningen bieden een gestructureerde samenvatting van de kernstof met praktische voorbeelden en duidelijke uitleg van moeilijke concepten - ideaal voor voorbereiding op toetsen en om de basis van sociale psychologie goed te begrijpen.

Aperçu du contenu

SOCIALE PSYCHOLOGIE
HOOFDSTUK 1: STUDIEOBJECTEN VAN DE SOCIALE PSYCHOLOGIE

“We hebben andere mensen nodig”

Sociale deprivatie = sociaal geïsoleerd worden

ð Gevolgen op het brein
Vb. weeskinderen in weeshuis brein is anders ontwikkelt dan weeskinderen in een pleeggezin
ð Sociale behoefte is groter dan fysieke behoefte

ó Sociale paradox = we hebben sociale nood, maar we zijn bang om bijvoorbeeld naast iemand te gaan
zitten in de wachtzaal, bus

We hebben elkaar nodig vs onder invloed

è Expliciete invloed: direct
è Impliciete invloed: niemand zegt/vraagt iets om te doen, een stille druk

Invloed brengt een verandering in gedrag weer en/of een lichamelijke verandering

Als iemand in onze intieme ruimte komt, dan oefent die ook een invloed uit op
ons, zeker als dit niet gewild is.

ð Lichamelijke verandering, ons hart gaat sneller slaan
AMYGDALA
- Deel van onze hersenen dat emoties reguleert
- Helpt ook een goede afstand inschatten
- Amygdala kapot ≠ afstand inschatten




1.1 GEBIEDSOMSCHRIJVING

ALLPORT

Overt = zichtbaar gedrag

Covert = gedachten, gevoelens (voorkeuren/afkeuren)

“DE GEDACHTEN,GEVOELENS EN HANDELINGEN VAN DE MENS”

Het A-B-C model:

A : Affectieve component (gevoelsmatige)

B : Behaviour (gedragsmatige)

C : Cognitieve aspecten (waarneming, geheugen en denken)

- Op deze 3 dingen kunnen we beïnvloedt worden
- We worden beïnvloedt door wat wij denken dat anderen denken




1

, Vb. rutje wordt uitgelachen met haar trui

A: ze wordt onzeker

B: ze doet de trui uit

C: onzeker voelen




Non-verbaal = mimiek, handelingen

Paraverbaal = hoe je iets zegt: toon, intonatie, zacht, hard, snel, traag

Verbaal = wat je zegt

- We hechten meer belang aan non-verbaal en paraverbaal gedrag
- Woorden kan je wikken en wegen
- Non-verbaal is minder controleerbaar



A. Mehrabian:

3 elementen van persoonlijke communicatie:

(boodschappen halen uit)

7%: gesproken woorden

38%: stem, toon, klank

55%: lichaamstaal

MAAR: klopt niet! A. Mehrabian heeft dit nooit gezegd. Natuurlijk neem je meer waar dan 7% aan woorden.

ALLEEN VAN TOEPASSING BIJ: ambigue situaties

Ambigue situaties = onzekerheid, dubbelheid



Interpersoonlijke communicatie = communicatie tussen mensen

1.2 EIGEN INVALSHOEK VAN DE SOCIALE PSYCHOLOGIE

1) Persoonlijkheidpsychologie (dispositionisme) = gedrag verklaren door karaktertrekken van
mensen
2) Sociale psychologie (situationisme) = gedrag verklaren door naar de situatie te kijken waarin de
persoon zich bevindt
3) Interactionisme = naar zowel de persoon als naar de situatie gaan kijken
ð Dit is de sociale psychologie
ð Het is een combinatie van de twee: persoon + situatie



2

, ð We gaan mensen hun gedrag niet goedpraten, we gaan naar beide kanten kijken

3 soorten van invloed waarvan wij kunnen beïnvloeden of beïnvloedt worden:

Fysiek/ feitelijk = iets dat direct aanwezig is + ons beïnvloedt

Voorgesteldà indirecte beïnvloeding, hoe gaan andere reageren op mijn keuze

Impliciet/ onrechtstreeks àindirecte beïnvloeding, je weet niet wie je beïnvloedt (bv bij reclame,…)

• Nudges = kleine dingen die ze aanbrengen om een bepaald gedrag te verkrijgen



We worden niet alleen beïnvloedt, maar beïnvloeden ook anderen (zoals we beïnvloedt worden)



Intuïtieve kennis = gezond verstand

• Systematisch ↔ eenzijdige selectie

• Objectief ↔ subjectief

• Gecontroleerd ↔ onderhevig



3 methodes van onderzoek:

1) Begrijpende/beschrijvende methode

Begrijpende methode = gedrag van mensen begrijpen, feiten/gedrag verzamelen

• Observatie
- Ecologische validiteit = mate waarin het onderzoek conclusies toelaat over het ‘natuurlijk’
voorkomende gedrag van mensen in situaties die ze ‘in het echte leven’ ook tegenkomen
= komt wat je onderzoekt overeen met de dagelijkse realiteit?
Nadelen:
§ Hoe lang voordat je iets observeert?
= beperkt
Als mensen weten dat ze geobserveerd worden, gaan ze wenslijk gedrag tonen
(sociale norm = helpen)
§ Een conclusies mogelijk over oorzaak van gedrag
Bv. Man helpt vrouw, daarna helpt vrouw man niet
Kan je niets uit besluiten of verklaren
Plaats, temperatuur, geslacht kan van invloed zijn

Validiteit = geldigheid – meten we wel wat we wilde meten?

• Zelfbeschrijvingen

= dingen zelf bevragen aan mensen




3

, Nadelen:

§ Mensen kunnen niet beschrijven wat ze denken
§ Mensen gaan weer antwoorden op de vraag hoe zij denken dat jij wil dat ze
antwoorden
§ Niet alles kunnen onthouden
§ Te eerlijk dus niet kunnen/willen beschrijven (schaamte)
§ Voorbeeld met Yellow Walkman: mensen kunnen niet voorspellen wat ze gaan
doen

2) Correlationele methode/ correlatie

= zoeken naar relatie/samenhang/verband tussen 2 gedragingen/variabelen

Bv. Hoe meer sigaretten, hoe meer kans op longkanker – niet ineens besluiten dat longkanker oorzaak
is, maar is een voorspelling. Maar deze 2 hangen aan elkaar vast.

Onderzoek:

• Vragenlijst aan kinderen
• Observatie op de speelplaats (turven van agressief/gewelddadig gedrag)

Variabelen:

• Kijken naar gewelddadige series / spelen van gewelddadige games
• Agressief gedrag op de speelplaats

SOORTEN CORRELATIES

1. POSITIEVE CORRELATIE

• Beide variabelen bewegen in dezelfde richting.
• Als de ene stijgt, stijgt de andere ook.

Voorbeeld:

• Hoe meer kinderen gewelddadige series/games bekijken,
hoe meer agressief gedrag ze vertonen.

Positieve correlatie = waarden tussen 0 en +1


2. NEGATIEVE CORRELATIE

• Variabelen bewegen in tegengestelde richting.
• Als de ene stijgt, daalt de andere.

Voorbeeld:

• Hoe meer gewelddadige series/games bekeken worden,
hoe minder agressief gedrag op de speelplaats.


4

Infos sur le Document

Publié le
6 septembre 2026
Nombre de pages
56
Écrit en
2025/2026
Type
Resume
€25,66

Mauvais document ? Échangez-le gratuitement Dans les 14 jours suivant votre achat et avant le téléchargement, vous pouvez choisir un autre document. Vous pouvez simplement dépenser le montant à nouveau.
Rédigé par des étudiants ayant réussi
Disponible immédiatement après paiement
Lire en ligne ou en PDF

Vendu
0
Abonnés
0
Éléments
7
Dernière vente
-



Pourquoi les étudiants choisissent Stuvia

Créé par d'autres étudiants, vérifié par les avis

Une qualité sur laquelle compter : rédigé par des étudiants qui ont réussi et évalué par d'autres qui ont utilisé ce document.

Le document ne convient pas ? Choisis un autre document

Aucun souci ! Tu peux sélectionner directement un autre document qui correspond mieux à ce que tu cherches.

Paye comme tu veux, apprends aussitôt

Aucun abonnement, aucun engagement. Paye selon tes habitudes par carte de crédit et télécharge ton document PDF instantanément.

Student with book image

“Acheté, téléchargé et réussi. C'est aussi simple que ça.”

Alisha Student

Foire aux questions