TRANSEPITHELIAAL TRANSPORT &
ELEKTROFYSIOLOGIE PRIMER
1. Natriumhomeostase
Verdeling van Na⁺
Compartiment Volume [Na⁺]
ECF (extracellulair) ±17 L ±145 mM
ICF (intracellulair) ±25 L ±15 mM
Het grootste deel van het natrium bevindt zich extracellulair.
Belang
Na⁺ bepaalt grotendeels:
osmolariteit van het ECF
waterverdeling tussen compartimenten
extracellulair volume
bloeddruk
2. Natriumstoornissen
Toestand Serum [Na⁺]
Normonatriëmie 135-145 mM
Hypernatriëmie >145 mM
Hyponatriëmie <135 mM
Ernstige hypernatriëmie
Wanneer serum Na⁺ extreem stijgt:
hersencellen krimpen
verwardheid
spasmen
coma
mogelijk fataal (>180 mM)
Mechanisme
↑ extracellulaire osmolariteit
↓
, water verlaat de cel
↓
celkrimp
↓
neurologische symptomen
3. Natriumreabsorptie in de nier
GFR
GFR = Glomerular Filtration Rate
Maat voor de hoeveelheid plasma die per tijdseenheid gefiltreerd wordt door de
glomerulus.
Belangrijk principe
Natrium wordt eerst gefiltreerd en daarna grotendeels terug gereabsorbeerd.
4. Algemene Bouw van Epithelia
Epitheelcellen hebben:
Apicale zijde
gericht naar lumen
Basolaterale zijde
gericht naar bloed/interstitium
Tight junctions
verbinden naburige cellen
scheiden apicale en basolaterale membraan
5. Transepitheliaal Transport
Twee routes
Transcellulair
Doorheen de cel:
apicale membraan
cytoplasma
basolaterale membraan
Paracellulair
Tussen de cellen door via tight junctions.
6. Tight versus Leaky Epithelia
Tight epithelia
veel tight junctions
weinig paracellulair transport
Voorbeelden:
urineblaas
distale niersegmenten